Chapter 23
"Old Firehand?" zeide de Yankee. "Dat is een hoogberoemde naam."
"Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou kent. Hij is hun vriend."
"De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar toe willen?"
"Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail, en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen we wel te weten komen wie die ruiter geweest is."
De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk was, die rivier over te steken.
Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch, dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in het oog kregen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
LIST EN TEGENLIST.
Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam "Charles Charoy, Ingenieur." Daarheen reden de twee; zij stegen af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard vastgebonden stond.
"Oef!" zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een kenner bekeek. "Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden."
Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam daar een nog jeugdig uitziende blanke te voorschijn, die den Apache aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.
"Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?" vroeg hij, terwijl hij voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.
"Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.
"_Well_, dat ben _ik_. Weest zoo goed, en komt binnen."
Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon: "Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ..."
"Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend," viel de ingenieur hem in de rede.
"Is dat u reeds bekend, sir?" vroeg de Roodhuid. "Hebt gij mij dan al meer gezien?"
"Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast te willen zijn."
De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: "Kent gij een bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?"
"Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden," was het antwoord.
"En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?"
"Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet bezocht."
"Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen."
"Hoe zoo dat?"
"Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt, zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij in hun schild voeren."
"Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?" zei Charoy schertsend, met een lachje.
"Misschien ook dat wel," antwoordde Winnetou ernstig. "En niet alleen u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps."
"Voor tramps?" vroeg de ingenieur schielijk. "O, dat verandert. Ik heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze kas gemunt."
"Van wien hebt gij dat vernomen?"
"Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik hem aan u voorstel in persoon."
Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen, zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde aandoening: "Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In hoe lang hebben wij elkander niet gezien!"
"Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak," antwoordde de Indiaan, "toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen zijt in een zee van mist!"
"En gij hebt mij niet aangeroepen!"
"De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een stormwind over de vlakte waart gij voorbij."
"Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht, dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de tweehonderd tramps in aantocht."
"Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders, die door hen vooruit zijn gezonden."
"Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den steel zit?"
"De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal."
Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te voren beleefd had.
Daarna deelde Old Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters, en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager: "Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk toch in mijn handen zal krijgen."
"Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden," zei de ingenieur wrevelig. "Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de uitbetaling doe aan mijn collega's. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen."
"Waan u maar niet al te veilig!" waarschuwde Old Firehand. "Tweehonderd desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen."
"Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote duizend baanwerkers bijeen hebben."
"Die goed gewapend zijn?"
"Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen messen en spaden óók nog dienst doen."
"Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording zou nemen."
"Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal soldaten, om ons te helpen."
"Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?"
"Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij aanraadt. Gij zijt een heel ander man, dan _ik_ ben; en als gij wilt ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn ondergeschikten aan u af te staan."
"Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd zijt. Zij moeten dus niet weten dat _wij_ ons hier bevinden. Ook onze paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?"
"Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!"
"Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?"
"Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid brengen en goed verzorgen."
"Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is, geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een dokter hier?"
"O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen."
Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd waren, zeide Old Firehand: "Ik heb alle beraadslaging in bijzijn van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons op elkaar kunnen verlaten."
"Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?" vroeg de ingenieur met merkbare belangstelling.
"Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen uitgezonden spionnen met u gesproken hebben."
"Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben."
Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een ander gevoelen was, en zei: "Ieder krijgsman kan op tweeërlei manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller, zekerder en ook dapperder."
"Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel niet weten?" vroeg Old Firehand.
"Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman der Apachen zich laten dwingen om naar _hun_ plan te werk te gaan, indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne te regelen?"
"O, gij hebt dus reeds een plan?"
"Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?"
"Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?"
"Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen, is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen, in het minst of geringst gemoeid hebben."
"O, nu begin ik het te begrijpen!" sprak Old Firehand. "Welk een plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?"
"Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan, en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken."
"Hen in een trein lokken?" vroeg de ingenieur. "Waar zou dat toe dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op den beganen grond.
"Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten," hernam Old Firehand. "Stormen zij daarentegen den trein in, zooals ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zich _moeten_ overgeven, zonder ons te kunnen schaden."
"Maar zij zullen den trein niet ingaan!"
"Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas."
"Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?"
Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging met de hand; doch Old Firehand antwoordde: "Wie denkt er aan, dat van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens, dan gaat het _full speed_ (= met vollen stoom) voort met hen."
"Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk als gij denkt."
"Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen trein te uwer beschikking?"
"O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet aan te twijfelen."
"_Pshaw!_ Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken, want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?"
"Natuurlijk."
"Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken."
De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: "Gij spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En hoe krijgen wij hen er in?"
"Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid."
"Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den trein te doen ontsporen?"
"Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt, dat er aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord kunnen hooren, dat er gesproken wordt."
"Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand te spreken?"
"Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendsel _niet_ aan het werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen, en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien, dat alles naar wensch gaat!"
"Howgh!" bevestigde de Indiaan. "Mijn blanke broeders kunnen nu een geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal."
"Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?"
"Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie."
"Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante Droll is óók bij hen."
"Oef!" riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een vroolijke plooi kwam. "Die Tante is een ferm, dapper en verstandig bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken."
"Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen vinden: Zwarten Tom, Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen, wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen."
Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen, waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad gehouden kon worden; want die lieden mochten nog niet weten, dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.
De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte hij tevreden, en zei: "Dat is goed! De honden zullen sidderen van angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden."
Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.
De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.
Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.
De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk: "Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe maakt hij het?"
Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen, die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en zei toen: "Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan, dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie, dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk; maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?"