Chapter 22
Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers; en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard, dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken--zoo redeneerde hij--want een kind des doods was de man anders toch.
Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de hooge toppen van enkele hickory's, eiken-, noteboomen en water-olmen uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei: "Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden, en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig middel om u al die moeite te besparen."
"Zoo? waarin bestaat dat middel dan?" vroeg Haller argeloos.
"Gij vervolgt in 's hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb."
"Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u."
"Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden."
"Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou."
"Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in gevaar brengen."
"In gevaar?"
"Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff van Kinsley. Wordt gij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus regelrecht in den mond loopen."
"Daar zal ik wel zalig op passen," zeide Haller verschrikt. "Wilt gij werkelijk daar naar toe?"
"Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u."
Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand, uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na, en mompelde bij zich zelf: "Het spijt mij voor den man; maar het kan niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen, zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind waar ik mij schuilhouden kan!"
Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit, waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit: doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken, waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken, dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.
De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo, dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot, en Haller stortte op den grond neer.
"Het is afgeloopen," mompelde Hartley. "Wacht maar, schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu zullen doen."
Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing van den Yankee kwam die terug, terwijl zijn beide metgezellen niet met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo, dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en reed toen weg--waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.
Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar, dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.
Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen, toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld, en kwam nu ook naderbij.
Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd, op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.
In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het Amerikaansche ras.
Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek, des te meer begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij van dien man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op, om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren, en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.
Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een half onderdrukte uitroep zijn oor trof. "Oef!" dat was de klank, dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen, voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem, die vroeg: "Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars van het bleekgezicht getogen zijn?"
Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blanke bowie-mes in de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: "Ik heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden, omdat ik niet weet of hij weg is of niet."
"Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten."
"Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij wel zeker dat hij niet meer hier is?"
"O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is."
De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam, en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende oogen, en zei toen: "Van het zuiden af zijn twee mannen te voet hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij; de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?"
"Ja, zoo is het precies gebeurd," antwoordde Hartley.
"Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest, die uw arm gekwetst hebben?"
De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen eensklaps met een doorborenden blik op hem: "Dus heeft uw kameraad voor uw leven moeten boeten met het zijne?"
De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend: "Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat verkoos hij niet."
"Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?"
"Ja."
"En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?"
"Ja."
"Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts naar de boerderij gewezen?"
"Om hem van den weg af te brengen."
"Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat, dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen; uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?"
"Neen," antwoordde Hartley met een bevende stem.
"Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?"
Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist, dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: "Ik heb het u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben."
"Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?"
"Ja."
"En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?"
"Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun dat met een brief, dien hij bij zich had."
"Een brief? Hebben zij dien gehouden?
"Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven."
"Waar heeft hij dien geborgen?"
"In den borstzak van zijn jas."
"Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht, maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen; en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden, omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben."
"Dat kan ik bezwaarlijk denken," zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch, en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig; en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.
De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij op een toon van innige overtuiging: "Uw kameraad wilde naar Sheridan gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor Haller wil uitgeven."
"Maar met welk doel?"
"Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen."
"Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?"
"Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?"
"Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd hebben, nog wel terug."
"Dus wilt gij met mij meerijden?
"En mijn gekwetsten arm dan?"
"Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat mij uw arm maar eens zien."
De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd, maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem, met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren. Toen verklaarde hij: "Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet voordat hij hoog en droog in Sheridan is."
"Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde moordenaar doet?" vroeg Hartley.
"Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken daar te waarschuwen."
"Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij dan geen argwaan krijgen?"
"Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg."
"En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?"
"Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt."
"Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet."
"Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren, en dus later aankomen dan wij."
"En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?"
"Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op het graf."
De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij, hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.
"Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen," zei de roodhuid. "Het heeft een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik neem het andere."
Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.
De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den horizon; de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.
"Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?"
"Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt, en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht al de kamers van zijn huis kent."
"Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan."
"Winnetou's oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard geen enkele misstap doen."
Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond, geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag "waar zijn wij nu?" Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid, dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.
In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een dikke mist over de aarde hing.
"Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier," verklaarde de hoofdman. "Die zullen wij spoedig bereiken."
Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan, en vloog voorbij, _ventre à terre_, pijlsnel als een bliksemflits. De twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.
"Oef!" riep Winnetou verrast. "Een bleekgezicht! Zooals die man reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand, maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?"