De schat in het Zilvermeer

Chapter 21

Chapter 214,109 wordsPublic domain

Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.

"_Thunderstorm!_" riep een hunner. "Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley, de muzikant met de harmonica!"

"Een kennis van u?" vroeg de tweede. "Hebt gij iets met hem aan de hand gehad?"

"O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat ik óók goede zaken gemaakt heb."

"Weet hij, dat gij dat geweest zijt?"

"Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen."

Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.

De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om binnen te komen.

"Messieurs!" riep zij den binnenzittenden toe, "daar komt een hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap van die heeren u wel aangenaam zal wezen."

"Hooggeleerde arts!" mompelde de kornel half binnensmonds. "De onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe ik over hem denk!"

De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel, waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was, op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.

Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats, om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die tegen de _smartness_ (= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt niet opgewassen waren.

Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt te ontvangen: "Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?"

"Welk een zonderlinge vraag!" antwoordde de kwakzalver. "Ik ben arts en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen en dieren."

"_Well_, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven, maar nooit gestudeerd hebben."

"Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige beunhaas!" hernam Hartley, een hooge borst zettende. "Hoe zou ik mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen--van dieren die legio zijn, spreek ik niet eens--aan mij hun leven en hun gezondheid te danken hebben."

"Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven."

"_Pshaw!_ Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel vertellen of er nog iets aan te doen is."

Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw te nemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig gezicht, en zei: "Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif; morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje met _Aqua sylvestropolia_ eens aan."

Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het begin van een wen, en kreeg _Aqua sumatralia_. De landbouwer leed aan rheumatiek, en moest _Aqua sensationis_ innemen. De dochter, een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten om _Aqua furonia_ te nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht, die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen door _Aqua ministerialia_. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd en antwoordde: "Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld, kan kureer ik mij op de Zweedsche manier."

"Hoe zoo?"

"Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?"

Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: "Wij zijn in westelijke richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden."

"In die hoop vergist gij u, sir!" antwoordde Haller. "Wat gij mij biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen."

Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl hij medelijdend zijn hoofd schudde: "Ik heb het goed met u gemeend, maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is."

"Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk."

"_Well!_ Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij ten minste nog bij elkander blijven."

Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen, waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit, totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij aan tafel hadden gezeten.

"_Woe to me!_" zuchtte Hartley onwillekeurig. "Dat schijnt op mij gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben meer weg van landloopers, dan van trappers."

Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon tot den kwakzalver: "Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden."

"Mij vinden?" vroeg de Yankee.

"Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk achterna gegaan, om zijn geld terug te halen."

"Onzin, sir!"

"Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen."

"Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken."

"Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden, en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet, wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan."

Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij mocht zijn zoo goedkoop van hen af te komen. Daarom haalde hij drie dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei: "Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken."

"Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?" hernam de kornel lachende. "Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig sommetje bij u zult hebben."

"O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet," zei Hartley ontsteld.

"Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen pijp tabak waard."

Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden, doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht, dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.

Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen, dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.

De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: "Hum! Die fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen bodem in die kist is."

Hartley's gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.

"Ha, ha!" lachte de kornel: "nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn."

Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig doodelijk getroffen hebben, indien hij niet in zulk een snelle beweging geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.

"Goed zoo, schobbejak!" riep de kornel. "Gij moogt weer opstaan; maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus onder handen nemen."

Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller aan.

"Ik ben zijn famulus niet," zei deze angstig. "Ik heb hem aangetroffen pas kort eer wij op de boerderij aankwamen."

"Zoo? Wie en wat zijt gij dan?"

Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel: "Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken." En zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: "Ik heb gesproken van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen."

Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte, was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was, en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar het gebergte te begeven.

Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een der twee anderen tramps tegen den kornel: "Het is eigenlijk jammer, dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft."

"_Pshaw!_ Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet."

"Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft laten lezen?"

"Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan."

"Wat zegt gij? Is het toch waar?" riep de kerel uit. "En dien brief hebt gij hem teruggegeven?"

"Natuurlijk. Wat had _ik_ aan dat vod?"

"Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen."

"Verduiveld," riep de kornel. "Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn."

"En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn om dat verzuim te herstellen?"

"O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen."

"Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten."

"Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige te weten te komen en deelt dat mee aan ons."

"Maar waar en hoe?"

"Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult gij stellig aantreffen, dat kan niet missen."

"Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft."

"Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt, dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg."

"Uitmuntend!" merkte de tweede tramp, die Faller heette, op. "Werk zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet, zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap naar Eagle-tail te brengen."

Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen, het ten uitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.

Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was, door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren, gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:

"Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken."

"Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden," zei Haller. "Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?"

"Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen gevonden hebben."

"Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers gaan wij nu uit?"

"Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden, waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen."

Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.

Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte, dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het 't spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging, dat de tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo; hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze; en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede munt kon aannemen.