Chapter 20
Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles stil, totdat Droll zachtkens zeide: "Ziezoo! die heeft u zijn wapen gebracht; wel vriendelijk van hem."
"Hebt gij hem dan beet?" vroeg de landbouwer.
"Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen de kleine Miss naar het bootje brengen."
Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand, en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: "Nu zal het er toe komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen, dan hebben wij geen nood."
Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt, kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op, in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nog een oogenblik heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand's wijd in het rond klinkend commando: "Geeft acht! Vuurt!"
Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.
"Nu de beurt ook aan ons!" commandeerde Droll. "Eerst de kogels, en dan met de kolven er op los!"
Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen, toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren, dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander redmiddel, dan in de vlucht.
"Voort, voort, naar de paarden!" hoorde men een stem roepen, of juister gezegd brullen. "Dat is de kornel!" riep Droll. "Laat die toch den dans niet ontspringen!"
Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En toen vluchtten zij in noordelijke richting.
"Hen zoolang mogelijk achternazetten!" commandeerde Old Firehand. "Zij moeten niet op verademing kunnen komen!"
Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren; en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis, dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel, vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend hoongehuil van de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.
"Omkeeren!" gebood Old Firehand. "Het eenige, dat wij nu nog te doen hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen om vervolgens te ontkomen."
Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en te scalpeeren.
Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen--een ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.
Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit vernam, verklaarde hij aan haar vader: "Tot nu toe heb ik het voor zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken."
Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs- en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden, in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.
Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen, wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen, dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende, dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan, om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN DRAMA OP DE PRAIRIE.
Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit, daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee een langdurende voetreis gepaard gaat.
Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk zijn gezicht eensklaps opklaarde--hij had daarginds aan den verren horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef stilstaan om hem dichterbij te laten komen.
Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel, en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten, breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige, kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid spreekwoordelijk is geworden.
Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de hoogte, en groette: "_Good day_, kameraad! Waar komt gij vandaan?"
"Van Kinsley daarbeneden," antwoordde de gevraagde, met de hand rugwaarts wijzende. "En gij?"
"Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter mij ligt."
"En waar wilt gij naar toe?"
"Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar vóór ons ligt."
"Ligt daar dan een boerderij?"
"Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen hebben eer wij daar zijn."
"God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen uithouden."
Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien, want hij stond te waggelen op zijn beenen.
"Niet langer uithouden? Waarom niet?"
"Van den honger."
"Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u dadelijk wel iets te verorberen geven."
Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing, een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei: "Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den honger zijn ze probatum!"
De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: "Gij zijt wel goed, sir! Maar deze dingen zijn voor _u_ bestemd; en als _ik_ die nu opeet, zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?"
"Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil."
"Zijt gij dan daar bekend?"
"Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar niet langer--eet liever."
De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij: "Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel eenigszins bijgekomen zijn?"
"Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen gekomen."
"Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis meegenomen?"
"Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij mijn vertrek."
"Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een maal eten kunnen aankloppen."
"Ik heb de boerderijen moeten mijden."
"O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier of daar een stuk wild kunnen schieten."
"Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan raken, dan een hond die vlak voor mij zat."
"Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?"
"Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken."
De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: "Hoor eens master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?'
"Naar Sheridan, aan den spoorweg."
"Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een, man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de schoen wringt. Misschien kan _ik_ u wel helpen."
"Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken; het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden, maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik, toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad, om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen, om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel."
Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan den Yankee. Deze las:
"_Waarde Charoy!_
"Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoor zijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!
Uw
Bent Norton."
Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde: "Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild."
"O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij."
"Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?"
"O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden, opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was."
"En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden, en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden."
"O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan, zijn boezemvrienden."
"En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?"
"Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat Mr. Charoy mij dat ook zal betalen."
"Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt, dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken."
"Wat? Is het tòch waar?" riep de klerk zichtbaar blij verrast. "Zestien dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!"
"Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen sparen."
"En waar is die betrekking? Bij wien?"
"Bij mij."
"Bij ... u?" klonk het op een toon van teleurstelling.
"Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is."
"Hum! Ik ken u niet."
"Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley, geneesheer en veearts van mijn beroep."
"Dus, arts voor menschen en voor paarden?"
"Ja, arts voor menschen en dieren," knikte de Yankee. "Hebt gij er zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld, dat ik gezegd heb."
"Maar ik versta niets van dat vak," zeide Haller bescheiden.
"Ik ook niet," bekende de dokter.
"Niet?" vroeg de andere verwonderd. "Gij moet toch in de medicijnen gestudeerd hebben?"
"Dat is nooit in mij opgekomen."
"Maar, als gij arts zijt, en dokter...."
"Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best, want ik heb die zelf aan mij verleend."
"Gij ... gij zelf?"
"Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze, dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er op na houd."
Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.
"Dit is dus uw apotheek!" zei Haller. "Waar haalt gij al die medicamenten?"
"Die maak ik zelf."
"Och kom! Gij verstaat er immers niets van?"
"O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water, dat _aqua_ heet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd: een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij hier opschriften als: _Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua chimborassolaria, Aqua invocabulataria_ en zoo al meer. Gij kunt u niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt gij mijn famulus zijn?"
"Hm!" mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. "Het ding komt mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik."
"Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen."
"Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken."
"Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is: mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij oprukken. Vooruit maar!"
Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben, zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden de waardigheid van een arts was.