Chapter 2
De passagiers waren meerendeels Yankees, en als zoodanig vonden zij de wending, die de zaak genomen had, volkomen naar hun zin. Hadden de meesten het eerst schandelijk genoemd, dat de kapitein er zijn stoomboot toe leende, zulk een allergevaarlijkst roofdier te vervoeren, nu hun de gelegenheid geboden werd, om van dat beest een kijkje te nemen, beschouwden zij het als een welkome afwisseling in de eentonigheid van het langdurende, vervelende verblijf aan boord. Zelfs de kleine geleerde had zijn angst overwonnen, en zag de vertooning met groote belangstelling te gemoet.
De kornel maakte van dien tusschentijd gebruik om aan zijn metgezellen het volgende voorstel te doen: "Luister eens, _boys_! Ik heb een weddenschap gewonnen, en de tweede heb ik verloren, daar die roode schobberd niet heeft willen drinken. Dat is dus kiet. De derde weddenschap zullen wij niet om drie glazen _brandy_ (= brandewijn) maken, maar om den dollar entree-geld, dien wij betalen moeten. Vindt gij dat goed?"
De anderen namen dat voorstel natuurlijk aan, want de reus zag er niet naar uit, dat hij van bangheid in zijn schulp zou kruipen.
"Nu," sprak de kornel, die zich door het veelvuldige gebruik van brandewijn zeker waande van de overwinning: "Let nu eens op, hoe gauw en gretig die Goliath met mij drinken zal."
Hij liet zijn glas volschenken, en ging daarmede naar den bedoelden persoon. De lichaamsvormen van dien man waren in alle opzichten reusachtig te noemen. Hij was nog langer en breeder van gestalte, dan de man met den zwarten baard, die zich Grosser genoemd had. Hij was zeer stellig geen salonheer, want zijn gelaat was door de zon bruin gebrand; zijn mannelijk schoone wezenstrekken waren fijn geteekend, en zijn blauwe oogen hadden dien eigenaardigen, niet te beschrijven blik, waardoor zich menschen onderscheiden, die op groote vlakten leven, waar de horizon niet eng begrensd is, dus zeevarenden, woestijnbewoners en prairie-mannen. Zijn gelaat was gladgeschoren, hij kon omstreeks veertig jaar oud zijn, en hij droeg een elegant reiskostuum. Wapens zag men niet bij hem. Hij stond bij eenige heeren, met wie hij in een levendig gesprek was over den panter. Ook de kapitein bevond zich onder hen. Die was van de commando-brug afgekomen, om de tentoonstelling van den panter bij te wonen.
Daar kwam de kornel nader, plaatste zich uittartend voor zijn derde vermoedelijke slachtoffer, en zei: "Sir! ik bied u een dronk aan. Ik hoop, dat gij er niets tegen zult hebben, mij als een echte gentleman te zeggen wie gij zijt."
De toegesprokene keek hem met zichtbare bevreemding eens aan, en wendde zich zonder iets te antwoorden weer ter zijde, om het door dien verwaten indringer afgebroken gesprek te vervolgen.
"_Pooh!_" riep deze uit. "Zijt gij doof, of wilt gij mij met opzet niet hooren? Dit laatste zou ik u niet raden, daar er niet met mij te gekscheren valt, als men weigert met mij te drinken. Ik geef u den goeden raad, een voorbeeld te nemen aan den Indsman."
De dus lastig gevallene haalde de schouders eens op, en vroeg aan den kapitein: "Hebt gij gehoord wat die snaak daar tegen mij zegt?"
"_Yes, sir!_ woord voor woord," gaf de gevraagde met een hoofdknikje ten bescheid.
"Nu, dan zijt gij getuige, dat ik hem niet hier geroepen heb."
"Wat?" schreeuwde de kornel verwoed. "_Snaak_ noemt gij mij? En gij weigert met mij te drinken? Moet het u dan gaan als den Indiaan, dien ik...."
Verder kwam hij niet, want op dat oogenblik ontving hij van den reus zulk een geweldige muilpeer, dat hij ten onderste boven en over den kop duikelde en een eind weegs over het dek rolde. Daar lag hij een oogenblik als versuft, doch toen zich schielijk oprichtende, trok hij zijn mes, en vloog als een razende op den reus aan.
Deze had zijn handen in zijn broekzakken gestoken, en stond daar zóó bedaard, alsof hem niet het minste gevaar dreigde, en de kornel in het geheel niet bestond. Deze brulde op woedenden toon: "Hond! mij een oorveeg? Dat kost bloed, en wel het uwe!"
Verscheidenen der omstanders en ook de kapitein wilden tusschenbeide komen, maar de reus wees hen met een veelzeggend hoofdschudden terug; en toen de kornel hem tot op twee passen afstands genaderd was lichtte hij zijn rechterbeen op, en ontving den aanvaller met zulk een duchtigen schop tegen diens maag, dat de onverlaat andermaal ten onderste boven ging en over het dek rolde.
"Nu hebt gij genoeg; pas nu op voor den derden keer!" riep de goliath dreigend.
Maar de kornel sprong wederom overeind, schoof het mes in zijn gordel, en haalde er, schuimbekkend van woede, een der pistolen uit, om daarmee zijn tegenstander te lijf te gaan. Doch deze trok zijn rechterhand uit zijn broekzak, waarin hij een revolver verborgen had.
"Weg met die pistool!" gebood hij, te gelijk de loop van zijn klein, maar uitmuntend wapen op de rechterhand van zijn aanrander drukkende.
Een--twee--drie schrille maar scherpe knallen--de kornel gaf een gil, en liet de pistool uit zijn hand vallen.
"Ziezoo, snaak!" zei de reus. "Nu zult gij niet gauw weder klappen uitdeelen, als men weigerachtig is uit het glas te drinken, waaraan gij uw vuile lippen gezet hebt. Uw hand is onschadelijk gemaakt voor uw geheele leven. En als gij nu nog weten wilt wie ik ben dan...."
"Vervloekt zij uw naam!" brulde de kornel. "Ik wil hem niet weten. Uw persoon moet ik hebben, en _zal_ ik hebben. Gaat hem te lijf jongens! _go on!_"
Nu bleek het, dat die kerels een werkelijke bende vormden, waarvan allen voor één stonden. Zij trokken hun messen uit de gordels, en stormden los op den reus, die een verloren man scheen, eer de kapitein zijn mannen te hulp kon roepen. Maar de moedige man deed een stap voorwaarts hief zijn armen omhoog, en riep: "Kom op maar, wie trek heeft om aan te binden met Old Firehand!"
Het hooren van dien naam werkte als bij tooverslag. De kornel, die met de ongekwetste linkerhand zijn mes weer getrokken had, bleef staan als aan den grond genageld, en riep: "Old Firehand!" (en met een vloek) "wie kon dat ruiken? Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd?"
"Is een gentleman dan niet anders veilig voor uw schanddaden, of hij moet beschermd worden door zijn naam? Pakt uw weg, gaat rustig in een hoek zitten, en komt niet weer onder mijn oogen, of ik blaas u allen het licht uit!"
"Nu, wij zullen elkander wel nader spreken."
Hij draaide zich om, en ging met zijn bloedende hand naar de voorplecht. De anderen volgden hem als honden, die een pak slaag gekregen hadden. Daar gingen zij zitten, verbonden de hand van hun aanvoerder, en spraken fluisterend en druk met elkander, en wierpen daarbij naar den beroemden jager telkens schuinsche blikken, die wel allesbehalve vriendelijk waren, maar die toch bewezen hoe groot het ontzag was, dat zij voor dien man hadden.
Doch niet alleen op hen had de wijdbekende naam gewerkt. Er bevond zich waarschijnlijk niemand onder de passagiers, die nog nooit had hooren spreken over dien onvervaarden man, wiens geheele leven een aaneenschakeling was van gevaarlijke daden en avonturen. Men trad onwillekeurig met een soort van eerbied een weinig van hem af, en bekeek nu met meer aandacht die forschgebouwde, rijzige gestalte, welker harmonische proportiën en afmetingen reeds vroeger door allen waren opgemerkt.
De kapitein reikte hem de hand, en zeide op den allervriendelijksten toon, dien een Yankee in staat is aan te slaan: "Wel, sir! dat had ik moeten weten! Dan zou ik u mijn eigen kajuit afgestaan hebben. Het is een groote eer voor den 'Dogfish', dat uw voeten zijn planken hebben betreden. Waarom hebt gij u toch _anders_ genoemd?"
"Ik heb u mijn waren naam opgegeven; doch de Westmannen noemen mij Old Firehand, omdat het vuur uit mijn geweer, bestuurd door mijn hand, altijd verderf brengt."
"Ja, dat heb ik gehoord--gij schiet nooit mis, zeggen ze."
"_Pshaw!_ Misschieten een onmogelijkheid. Ieder goed Westman kan dat evengoed als ik. Maar gij ziet welk een groot voordeel een bekende krijgsnaam geeft. Ware de mijne niet zoo heinde en verre verspreid, dan zou het stellig tot een gevecht gekomen zijn."
"Waarin gij het onderspit hadt moeten delven."
"Zoo, denkt gij dàt?" vroeg Old Firehand, terwijl er een niets naar trots zweemend lachje van zelfvertrouwen om zijn lippen speelde. "Zoolang ze maar met messen komen, ben ik volstrekt niet bang. Ik zou mij stellig wel staande hebben weten te houden, totdat uw bemanning kwam opdagen tot ontzet."
"Daaraan zou het zeer zeker niet ontbroken hebben. Maar wat moet ik nu met die schavuiten-bende aanvangen? Ik ben heer en meester en rechter hier aan boord. Wil ik hen in boeien slaan en aan de rechterlijke macht overleveren?"
"Neen."
"Of wil ik hen aan land zetten?"
"Ook niet."
"Maar gestraft dienen zij toch te worden."
"Ik raad u, die gedachte geheel uit uw hoofd te zetten. Dit is toch niet voor de laatste maal, dat gij met uw boot deze reis maakt?"
"Ik hoop van neen! Ik hoop nog jaren lang den ouden Arkansas op en af te varen.
"Welnu, wees dan zoo wijs, niet de wraakzucht van die lieden gaande te maken. Dat zou bepaald noodlottig voor u worden. Zij zijn in staat om zich ergens aan den oever van de rivier te gaan nestelen, en u een poets te bakken, die u niet slechts uw schip, maar ook uw leven kon kosten."
"Dat moesten zij eens probeeren!"
"Dat zouden zij stellig! Overigens zou dat voor hen volstrekt geen waagstuk zijn; zij zouden alles heimelijk doen, en het wel zoo weten aan te leggen, dat er nooit een haan naar kraaien zou."
Op dit oogenblik werd Old Firehand den zwartbaard gewaar, die naderbij was gekomen, doch op een korten afstand was blijven staan, met de oogen bescheiden, doch onafgewend, op den jager gericht, vol zichtbaar verlangen om met hem in aanraking te komen. Old Firehand ging naar hem toe, en vroeg: "Wenscht gij mij te spreken, sir? Kan ik u in een of ander opzicht genoegen doen?"
"Ja, een zeer groot genoegen," antwoordde de Duitscher.
"En dat is?"
"Vergun mij, u de hand te drukken, sir! Dat is alles wat ik u verzoek. Als gij mij die eer toestaat, zal ik tevreden van u weggaan, en u niet meer lastig vallen. Maar aan dat oogenblik zal ik met blijdschap denken, zoolang als ik leef."
Men zag aan zijn open blik, en hoorde aan den toon van zijn stem, dat die woorden werkelijk uit zijn hart kwamen. Old Firehand stak hem de rechterhand toe, en vroeg: "Hoe ver wilt gij met deze boot varen?"
"Met deze boot? Slechts tot Fort Gibsen."
"Dat is toch nog een goed eind."
"O, ik moest eigenlijk nog verder. Maar ik vrees, dat gij, de beroemde man, die nog nooit het onderspit heeft gedolven, mij voor een bangerd aanziet."
"Waarom?"
"Omdat ik den dronk van dien zoogenaamden kornel aangenomen heb."
"O neen. Ik kan u niet genoeg lof toezwaaien, dat gij zoo verstandig hebt gehandeld. Maar toen hij vervolgens den Indsman sloeg, nam ik mij voor, hem daarvoor een behoorlijk lesje te geven, zooals ik dan ook gedaan heb."
"Het is te hopen, dat het hem tot waarschuwing zal strekken. Trouwens, als gij hem zóó geraakt hebt, dat hij er een stijven vinger van houdt, is het met hem als Westman gedaan. Maar wat ik van den Roodhuid moet denken, weet ik niet."
"Hoe zoo?"
"Hij heeft zich gedragen als een echte lafaard, en toch, hij scheen volstrekt niet geschrikt, toen het brullen van den panter iedereen met angst vervulde. Dat kan ik maar niet met elkander rijmen."
"O, dat zal ik u gemakkelijk oplossen. Niets is eenvoudiger."
"Kent gij dan den Indiaan?"
"Neen, gezien had ik hem vroeger nooit, maar des te meer had ik van hem gehoord."
"Ook ik heb zijn naam gehoord, toen hij dien uitsprak. Het is een woord, goed om van iemands tong het onmogelijke te vergen."
"Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, ten einde den kornel niet te laten merken met wien hij te doen had. Zijn naam is Nientropan-hawi, zijn zoon heet Nientropan-homosj; dat wil zeggen: de groote beer en de kleine beer."
"Is het mogelijk! Van dien vader en van dien zoon heb ik inderdaad reeds dikwijls gehoord. De Tonkawa zijn ontaard. Maar deze twee Nientropan hebben de krijgszuchtigheid van hun voorvaderen geërfd, en dolen in het gebergte en in de prairie rond."
"Ja, het zijn twee kerels van stavast. En nu zult gij waarschijnlijk wel begrijpen, dat zij niet uit lafhartigheid den kornel niet geantwoord hebben, zooals hij eigenlijk verdiend had."
"Een andere Indsman had den kerel dadelijk het licht uitgeblazen."
"Misschien. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat de zoon dadelijk onder zijn kleeding naar het mes of den tomahawk greep? Doch toen hij het onbeweeglijke gezicht van zijn vader zag, bedwong hij zich en zag hij er van af dien klap dadelijk te wreken. Ik zeg u, bij die Indsmen is een vluchtige blik voldoende, waar bij ons blanken menigmaal een lange omhaal van woorden noodig is. Van het oogenblik af, toen de kornel den Indiaan in zijn aangezicht sloeg, is zijn dood een besloten zaak. De twee 'beren' zullen zijn spoor volgen, totdat zij hem het licht uitgeblazen hebben. Maar wat ik zeggen wil, gij hebt hem uw naam genoemd, dien ik dadelijk als een Duitschen naam herkende. Wij zijn dus landslieden."
"He, sir! Zijt gij ook een Duitscher?" vroeg Grosser verwonderd.
"O ja, mijn ware naam is Winter. Ook ik vaar nog een goed eind weegs met deze boot mee, zoodat wij nog gelegenheid genoeg zullen hebben om wat langer met elkander te praten."
"Als gij u daartoe verwaardigen wilt, sir! Zal het mij de grootste denkbare eer zijn."
"Geen plichtplegingen, asjeblieft. Ik ben niets meer, dan gij zijt--een Westman, anders niet."
"Ja, maar een generaal is óók niets meer dan een recruut--namelijk: soldaat."
"Wilt gij u werkelijk bij een recruut vergelijken? Dan zijt gij stellig pas sedert kort in het Westen."
"Nu," hernam de zwartbaard op bescheiden toon, "toch reeds een aardig poosje. Ik heet Thomas Grosser. Den familienaam laten ze hier weg, en van Thomas maken ze bij verkorting Tom; en omdat ik zulk een zwaren, zwarten baard draag, noemen ze mij Zwarte Tom."
"He! Wat zegt gij?" riep Old Firehand uit. "Zijt gij Zwarte Tom, de beroemde _rafter_ (= houtvlotter)?"
"Tom heet ik, rafter ben ik; maar of ik beroemd ben, dat betwijfel ik."
"Dat zijt gij, sir! dat zijt gij--daar geef ik u mijn hand op!"
"Spreek asjeblieft wat zachter, sir!" waarschuwde Tom. "De kornel daar moet mijn naam niet hooren."
"Waarom niet?"
"Omdat hij mij daaraan herkennen zou."
"Hebt gij dan al eens met hem te doen gehad?"
"Een beetje dat zal ik u straks wel vertellen. Kent _gij_ hem niet?"
"Ik zie hem vandaag voor het eerst."
"Nu, bekijk dan zijn baard eens goed, en zijn roode haar; en verneem bovendien, dat zijn naam Brinkley is."
"Wat zegt ge! Dus is hij die roode Brinkley, die over de honderd schanddaden bedreven heeft, zonder dat men er hem één heeft kunnen bewijzen."
"Dezelfde, sir! Ik heb hem herkend."
"Dan zal ik hem, als hij langer aan boord blijft, wat scherper op de vingers kijken. En u moet ik nader leeren kennen. Gij zijt de man, die mij past. Als gij u nog niet elders verbonden hebt, zou ik u kunnen gebruiken."
"Nu," hernam Tom, als iemand die nadenkt, de oogen neerslaande, "de eer, bij _u_ te kunnen zijn, is mij meer waard dan al het andere. Ik heb wel een overeenkomst met andere rafters aangegaan; zij hebben mij zelfs tot hun aanvoerder gekozen; maar als gij mij den tijd kunt laten, om hen er van in kennis te stellen, zal ik mij wel van hen af weten te maken."
"Goed! Dan moet gij een kajuitplaats nemen, opdat wij bij elkander kunnen zijn. Wat gij daarvoor bij te passen hebt, zal ik u gaarne vergoeden."
"Daarvoor zal ik u bedanken, sir! Wij rafters verdienen, als wij vlijtig zijn, zeer veel geld; en op dit oogenblik heb ik juist al mijn zakken vol, want ik kom van Vicksburg aan de beneden-rivier, waar ik onze rekeningen geïncasseerd heb. Ik kan dus de kajuitplaats zeer goed zelf betalen. Maar zie eens! Ik geloof dat de voorstelling met den panter op het punt is om te beginnen."
De menagerie-eigenaar had van kisten en pakken verscheidene zitplaatsen gefabriceerd, en noodigde nu met een hoogdravende toespraak het geëerde publiek uit om plaats te nemen. Dat geschiedde. Het scheepsvolk, voor zoover het niet aan het werk behoefde te zijn, mocht gratis het schouwspel bijwonen. De kornel kwam met zijn volgelingen niet kijken; hij had den lust daartoe verloren.
De twee Indianen waren niet uitgenoodigd geworden, om ook aan de voorstelling deel te nemen. Twee Indsmannen in gezelschap te brengen bij ladies en gentlemen, die een dollar per persoon betaald hadden, daaraan had de eigenaar van het dier zich niet willen schuldig maken. Zij stonden dus op een tamelijken afstand, en schenen dus volstrekt niet nieuwsgierig, zoo min naar de ijzeren dierenkooi als naar de groep toeschouwers, ofschoon er intusschen aan hun scherpe schuinsche blikken niets hoegenaamd ontging van alles wat er voorviel.
Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten houten kast. De meesten hunner hadden geen juist begrip van een zwarten panter. De tot het kattengeslacht behoorende roofdieren der Nieuwe Wereld zijn aanmerkelijk kleiner en minder gevaarlijk dan die der Oude Wereld. Een Gaucho, bij voorbeeld, vangt den jaguar, die Amerikaansche tijger genoemd wordt, met de lasso, en sleept hem achter zich voort. Eer hij dat met den Bengaalschen koningstijger probeerde, zou hij zich eerst wel tweemaal bedenken. En de Amerikaansche leeuw, dat is de poema, gaat voor den mensch op de vlucht, zelfs al kwelt hem de honger. De panter, nu, wordt beschreven als aanmerkelijk kleiner dan de leeuw en de tijger; en daar de toeschouwers bij die twee namen aan den poema en den jaguar dachten, verbeeldden de meesten zich een roofdier te zullen zien van ongeveer een halven meter hoogte, en nagenoeg dezelfde lengte en breedte. Niet gering was dan ook hun bevreemding, toen het voorgedeelte van het houten omkleedsel van de ijzeren kooi werd verwijderd, en zij den zwarten panter aanschouwden.
Hij had van Nieuw-Orleans af in den donker gelegen; slechts des nachts had men de kast geopend. Nu zag hij voor het eerst weer het daglicht, en dat verblindde hem aanvankelijk. Hij deed zijn oogen weder dicht, en bleef lang uitgestrekt liggen, zoo lang als zijn kooi was. Toen knipte hij eenige keeren met zijn oogen en werd zoodoende de voor hem zittende menigte menschen gewaar. Met de snelheid eener gedachte sprong hij overeind, en hief een gebrul aan, dat de meeste toeschouwers met schrik vervulde en achteruit deed schuiven.
Ja, het was een volwassen, pracht-exemplaar, stellig een meter hoog, en zonder zijn staart, tweemaal zoo lang. Met de klauwen van zijn voorpooten greep hij de ijzeren staven van zijn kooi, en schudde die met zooveel kracht, dat de houten kast er door in beweging kwam. Daarbij liet hij zijn schrik-aanjagende tanden zien. Zijn donkere kleur verhoogde slechts den indruk, dien hij maakte.
"Ja, myladies en gentlemen!" sprak de menagerie-eigenaar op verklarenden toon; "de zwarte basterdsoort van den panter behoort eigenlijk thuis op de Soenda-eilanden. Doch die dieren zijn klein. De echte zwarte panter, die overigens zeer zeldzaam is, wordt in Noord-Afrika, aan de grens der Sahara-woestijn gevonden. Hij is even sterk als de Leeuw en veel gevaarlijker, en kan een volwassen rund in zijn bek wegdragen. Welke kracht hij in zijn gebit heeft zal u overigens spoedig blijken, zoodra de voedering begint."
De dierentemmer kwam met de helft van een geslacht schaap aandragen, en legde dit voor de ijzeren kooi neder. Toen de panter het vleesch rook en zag, stelde hij zich aan als dronken van bloeddorst. Hij sprong heen en weer in zijn kooi, en brieschte en brulde zoo huiveringwekkend, dat verscheidenen der toeschouwers nog meer achteruitdeinsden.
Een bij de machine der boot werkzame neger had zijn nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein werd hem gewaar en gebood hem, om oogenblikkelijk weer aan zijn werk te gaan. Toen de zwarte niet terstond gehoorzaamde, greep de kapitein een voor de hand liggend eind touw, en gaf hem daarmee eenige slagen. Nu maakte de getuchtigde zich snel uit de voeten; doch aan het luik, waardoor hij in het machineruim moest afdalen, bleef hij even stilstaan; en ziende, dat de kapitein met zijn rug naar hem toe stond, maakte hij met zijn opgeheven vuisten een dreigende beweging tegen hem. Daar de toeschouwers op dit moment slechts oogen hadden voor den panter, werd dat door niet een hunner gezien. Maar het werd opgemerkt door den kornel, die dadelijk tegen zijn makkers fluisterde: "Die neger schijnt het land aan den kapitein te hebben. Daar zullen wij misschien partij van kunnen trekken. Wij moeten eens met hem aan den praat zien te komen. Eenige dollars doen bij zulk een zwarte wonderen."
Thans schoof de dierentemmer het vleesch tusschen de ijzeren staven van de kooi door, liet zijn blik vluchtig over de aanwezige toeschouwers gaan, en zei toen fluisterend iets tegen zijn patroon. Deze schudde bedenkelijk het hoofd; doch de andere liet niet af, en scheen de bezwaren van den menagerie-eigenaar te wederleggen, totdat die eindelijk toestemmend met het hoofd knikte, en daarop de voor de kooi zittenden en staanden aldus aansprak: "Myladies en messieurs! ik moet u zeggen, dat gij een zeldzaam geluk hebt. Een getemde zwarte panter is nog nooit gezien, althans niet hier in de Vereenigde Staten. Gedurende de drie weken, die ik in Nieuw-Orleans heb doorgebracht, heeft mijn dierentemmer den panter in de leer genomen; en hij verklaart zich bereid, om thans, voor de eerste maal in het publiek, bij den panter in de kooi te gaan en naast dat gevaarlijke dier te gaan zitten, indien hem daarvoor een behoorlijke belooning wordt toegezegd."
De dierentemmer was een buitengewoon forschgebouwde man, met een uitdrukking van zeldzame geestkracht in zijn gelaatstrekken. Hij was overigens van het welgelukken van zijn waagstuk volkomen zeker, dat was duidelijk aan hem te zien.
De panter was intusschen aan zijn maaltijd begonnen; de beenderen van het schaap vermorzelde hij tusschen zijn tanden, als waren het zachte beschuitsbollen. Hij scheen zóó uitsluitend met zijn pruimerij bezig, dat zelfs verscheidene toeschouwers, die natuurlijk zonder kennis van zaken oordeelden, toen zij hem daar zagen smullen, van oordeel waren, dat er, zoolang hij daar iets te bikken had, niet veel gevaar in stak, bij hem in de kooi te gaan.
Niemand anders dan het manneke, dat kort te voren het beangst van allen geweest was, namelijk de kleine geleerde met den bril, antwoordde vol geestdrift: "Dat zou prachtig wezen, sir! Een kloek bedrijf, waarvoor ieder, die op onverschrokkenheid prijs stelt, wel iets over zal hebben. Hoeveel verlangt de temmer voor dat stoute stuk?"
"Honderd dollars!"
"Hum! Dat is toch wel een beetje veel, vindt ge niet?"
"Neen, sir! het is veel te weinig. Het gevaar, waaraan de man zich blootstelt, is niet gering, daar hij het dier pas half meester is."
"Zoo! Welnu, ik ben niet rijk. Maar vijf dollar zal ik gaarne bijdragen." En zich tot de toeschouwers wendende: "Messieurs! wie draagt ook iets bij?"
Er meldden zich zoo vele liefhebbers aan, dat het genoemde bedrag gemakkelijk bijeen zou komen. Men had nu eenmaal A gezegd; en nu wilde men ook het schouwspel genieten tot het einde. Zelfs de kapitein werd er warm door, en wilde weddenschappen aangaan, dat de temmer het er niet goed afbrengen zou.
"Doe geen verkeerde dingen, sir!" waarschuwde Old Firehand. "Ik bid u laat dat waagstuk niet toe. Juist omdat de man het dier nog niet geheel meester is, rust op u de verplichting, het te beletten."