Chapter 19
De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord "drie" niet af te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand gezien, dat die bij het woord "drie" vuur zou geven. De jager bleef hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.
"Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!" verklaarde de lord. "Met zulke schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij, dat zij nu beginnen zullen?"
"Hum!" antwoordde de gevraagde. "De zon is reeds aan het ondergaan. Ik vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen."
"Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?"
"Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken, bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als vrijwilliger aan?"
Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle: deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast te worden.
Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat was hen allen man voor man te onderscheiden, bleek het, dat zij geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich thans bevonden, niet dachten te blijven.
Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen, alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden, werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij, ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden plaatsen van den muur sterke lasso's stevig vastgemaakt en over den muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.
Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn eigenaardige manier: "De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,--In massa elders heengetogen."
"Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?" vroeg de jager, glimlachende over het rijmpje.
De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde met het ernstigste gezicht van de wereld: "In 't kreupelhout, niet ver van hier,--Daarginds aan d'oever der rivier."
"Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden wij hun paarden toch moeten hooren?"
"Hun paarden, ja, zij dreven die--Uit voorzorg eerst op de prairie,--Om hun bekomst aan gras te vreten,--Maar waar, dat kwam ik niet te weten."
"En waar zijn Bill en Droll?"
"Die zijn de schobberds achterna,--En slaan dus al hun gangen ga."
"Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten."
De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had, vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: "De vijand bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water, en vóór zich den muur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere zijden versperren, hebben wij hen in de val."
"Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?"
"Daartoe zal ik de Indianen halen, die hen aan de zuidzijde aanpakken moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit, en tasten hen aan de noordzijde aan."
"Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?"
"Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend inhalen en voorgoed onschadelijk maken."
"_Well_, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft."
Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er niets ondernomen worden.
Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.
Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.
"Alle drie?" vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. "Minstens een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij."
"Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is," antwoordde Droll, weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.
"Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk."
"Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren; ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen aan het dansen gaan."
"Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd om de val toe te doen."
"Welke val?"
Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.
"Dat is overheerlijk, hihihihi!" lachte Droll binnensmonds, zooals hij gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. "Dat zal en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden, dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is."
"En dat is?"
"Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen."
"Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb? Gelukkigerwijze maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid, en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn zij gekneveld?"
"Ja, maar niet heel straf."
"Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en dan ..."
"En dan met hen in het water," viel Droll hem in de rede.
"In het water?" vroeg Old Firehand verwonderd.
"Natuurlijk."
"Ik geloof dat gij schertst, lieve tante."
"Schertsen? Dat komt niet in mij op!" En toen hij de verwonderde gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij gichelend. "Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!"
"Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen inslaan."
"Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later."
"Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?"
"Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog voordat de aanval begint."
"Houdt gij dat voor mogelijk?"
"Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat is volstrekt niet moeilijk."
"Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?"
"Dat zou ik haast wel denken."
"Welnu, laat eens hooren!"
"Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij, dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan dat kanaal, dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd, en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel, binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich, dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen."
"O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen," zei Old Firehand. "Gij wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?"
"Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor iederen gevangene is er één noodig."
"Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is."
Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon, en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.
Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van de boerderij af te brengen.
Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen, dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen, revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn manschappen op.
De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.
De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden, keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder, totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten, dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.
Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.
"Wel?" vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.
"Het was geen gemakkelijke taak," antwoordde de Tante. "Het water hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen duisternis onze beste bondgenoot."
"Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed kunnen zien."
"Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu, de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten de gevangenen...."
"Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water; want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!"
"Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend het oog op hen houdt."
"Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?"
"Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd."
"Hebt gij dan al een plan?"
"Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje eenvoudig aan den walkant."
"Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het bootje telkens in de hoogte gaan."
"Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast; gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij dan het sein geven--den gierenschreeuw--gaan de poppen dadelijk aan het dansen. Begrepen?"
"_Well_, het is niet beter te bedenken."
"En gij, Uncle?"
"Juist zoo, als gij 't hebt uitgedacht--wordt heel 't fameuze werk volbracht," antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.
"Mooi zoo, nu vooruit maar!"
Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.
"Wij zijn waar wij wezen moeten," fluisterde hij hun toe; "nu wacht gij maar tot ik terugkom."
De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen, ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop van eenige seconden zei het meisje: "He, vader! onze bewaker is weg!"
"He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het is misschien om ons op de proef te stellen."
"Suut, suut!" fluisterde Droll hun toe. "Ze moeten u niet hooren. De bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u te redden."
"Redden? _Heavens!_ Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!"
"Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas; Droll, dien ze Tante noemen."
"Groote Genade! Is het tòch waar?"
"Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu ben ik met twee ferme _boys_ naar hier geslopen, om u uit hun handen te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen, door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!"
Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije gebruik van hun ledematen.
"Ja, nu gelooven wij u, sir!" fluisterde de landbouwer, die tot nu gezwegen had. "Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?"
"Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleine _Miss_ (= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent; en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is."
"De dans? Welke dans?"
"Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de boerderij--twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links de Osagen-hoofdman de 'Goede Zon' met een troep Roodhuiden--zij wachten slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast, en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten."
"O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in veiligheid brengen?"
"Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten, korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u eerst uit hun handen te halen."
"Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons waagt? Neen sir! dan vergist gij u."
"Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in veiligheid gebracht te worden."
"Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een mes afstaan?
"Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig; maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt, is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal ik ook wel gauw maken dat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt wordt. Laat mij maar eens begaan!"
In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg: "Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?"
"Neen!" antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.
"_Well!_ Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost het u uw kop. Begrepen?"
"_Yes_. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!"
Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een schrede nader, boog voorover, en zei: "Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik...."