Chapter 18
"Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?"
"O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen."
Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds na verloop van een korte poos vervolgde hij: "Ha, ha, daar zijn ze al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden terug. Het is te vooronderstellen, dat..."
Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien meer naar het noorden gericht.
"Wat is het?" vroeg de vrouw des huizes. "Waarom spreekt gij niet uit, sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?"
Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en antwoordde: "Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet geschikt is om onzen toestand te verbeteren."
"Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?" vroeg zij op angstigen toon.
Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt, doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te antwoorden: "Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden, die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken."
Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg; doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord, die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: "Ik had reden om de vrouw des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?"
De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen: "De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen."
"Komen zij werkelijk?"
"Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?"
"Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?"
"Neen, zij houden halt."
"Met hun gezichten naar welken kant?"
"Naar het noorden."
"Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel, waarom de kerels halt gehouden hebben."
"_Well_, sir! Ik zal kijken!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken."
"Ruiters? Hebt gij dat wel?"
"Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier."
"En weet gij, wie die drie zijn?"
"Neen. Hoe zou ik dat weten.... _heighho_, het zullen toch niet....?"
"Ja, precies!" knikte Old Firehand ernstig. "Zij zijn het; de landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen misgereden te zijn."
De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: "Dan moeten wij terstond te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in handen van de tramps!"
Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast, en zei: "Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen, want het is reeds te laat. Zie, zie maar!"
De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.
"_All devils_!" riep hij uit. "Ze zullen hen vermoorden!"
"Dat komt niet in hen op!" zei Old Firehand. "Die kerels kennen hun voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen, die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld. Wij hebben er niets tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps."
"_Well_, dat wil ik u toestemmen, sir!" sprak de lord. "Maar wee den schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En .... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met zulk gespuis in onderhandeling trad!"
Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op, en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij: "Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderen ten goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen kunnen belemmeren."
"Mag ook geen mensch anders het weten?"
"Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen: dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij, mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun; maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn maatregelen nemen."
De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen, gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord, die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg: "Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?"
"Ja, zoo is het!" knikte Old Firehand.
"Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat zullen wij daarop antwoorden?"
"Nu, wat zoudt gij denken?" vroeg Old Firehand, terwijl hij een schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.
"Kunt gij dat nog vragen!" was het antwoord. "Geen duit, geen roode duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld te betalen?"
"Zijn wij daartoe niet gedwongen?"
"Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten, niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!"
"Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen, zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen."
"Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij in het werk wezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit de verknijping te halen."
"Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij misschien al een plan?"
"Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen, en halen de gevangenen een voor een er uit."
"Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke partij wezen."
"Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik verbeeld mij, dat .... hola!" viel hij zich zelf in de rede. "Pas nu op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten worden. Zult gij hen te woord staan?"
"Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van ons hebben willen. Kom maar eens mee!"
Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren, hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen op hun gemak waren.
"Sir! wij komen als afgevaardigden," sprak de een, "om u onze eischen bekend te maken."
"Zoo!" zei de jager op een toon van ironie. "Sedert wanneer durven de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?"
De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit deed doen.
"Wij zijn geen hazen, sir!" verstoutte de tramp zich te zeggen.
"Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben, en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan."
"Sir!" vloog de tramp op, "ik wil zulke beleedigingen niet..."
"Zwijg, schobberd!" bulderde Old Firehand hem toe. "Verachtelijke spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?"
"Neen," antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.
"Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap hebt gij hier te doen?"
"Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer en zijn nicht in onze handen gevallen is."
"Dat weet ik al."
"Die drie personen moeten sterven...."
"_Pshaw_!" viel de jager hem in de rede.
"... als gij onze voorwaarden niet aanneemt," voltooide de parlementair zijn volzin.
"Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zou _ik_ de man zijn."
"Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder voor uw oogen opgeknoopt."
"Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg voor u allen."
Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: "Bedenk het goed, drie menschenlevens!"
"Dat bedenk ik zeer goed; _slechts_ drie menschenlevens! En daarvoor zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is dus geheel aan onze zijde."
"Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen."
"Hoe zoo dan?"
"Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft."
Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager antwoordde: "Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?"
"Neen!"
"Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken."
"Is u dat ernst, sir?"
"Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het met u gedaan!"
Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het hazenpad; doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te blijven staan, en omkijkende te vragen: "Mogen wij nog eens terugkomen als wij een ander voorstel hebben?"
"Neen!"
"Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?"
"Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord staan; maar slechts een oogenblik."
"Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?"
"Ja, mits hij mij niet beleedige."
"Wij zullen het hem zeggen."
Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd, daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.
Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben; maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.
Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden, maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: "_Good day sir!_ Gij hebt gewenscht mij te spreken."
"Dat is meer dan ik weet," antwoordde de Westman. "Ik heb eenvoudig gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u; en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel niet hadt laten zien."
"Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!"
"Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt niet dien toon aan te slaan."
Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: "Ik verbeeld mij, dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben."
"Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover den overwinnaar--vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?"
"Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het in onze macht de rollen om te keeren."
"Doe dat dan maar!" zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.
Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: "wij behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!"
"Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?"
"Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen wij, waren zij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons bestand geweest."
"Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt," antwoordde hij. "Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft."
"Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk, waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af te snijden, dan was u onze gevangene geworden."
"Zoo, zoudt ge dat denken?"
"Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt."
"Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben."
"Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te stellen, het leven van onze gevangenen te redden."
"Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van die menschen is volstrekt niet in gevaar."
"Niet?" hernam de kornel met een spottend grijnslachje. "Dan vergist gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt, worden zij zonder genade opgeknoopt."
"Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen wordt--allen, tot den laatsten man."
"Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?"
"O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik daartegenover kan stellen?"
"Ja, dat weet ik precies."
"_Pshaw!_ Gij hebt ons niet kunnen tellen."
"Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier meegebracht hebt."
Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: "Tel uw dooden en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebt gij mijn Indianen gezien, en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.
"De andere blanken?" lachte de tramp. "Er zijn geen anderen geweest dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen, zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken."
Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze haalde minachtend de schouders op, en zei: "Wij zullen er verder geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden, landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt."
Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg; want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een, totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op, wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: "Nu, wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven."
"Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander."
"Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft."
"Mijn antwoord hebt gij al."
"Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk van het bezetten van de boerderij afzien."
"O, dat is zeer vriendelijk van u, niets anders?"
"Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug; daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft gij ons de noodige runderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk betaalt gij twintig duizend dollars losgeld--zooveel zal er wel op de boerderij aanwezig zijn."
"Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons daarvoor?"
"Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd."
Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden glimlach: "Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin, dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel door den kop!"
"Wat? Is dat...."
"Marsch! Oogenblikkelijk!" viel de jager hem met stemverheffing in de rede, meteen op hem aanleggende: "Een.... twee...."