De schat in het Zilvermeer

Chapter 17

Chapter 174,020 wordsPublic domain

"Aha! ze zenden verspieders vooruit," zei Old Firehand. "Die hebben misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier binnen mogen komen."

"Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik," merkte de lord aan.

"Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het dak zien."

De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen, moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk zoogoed als onbewaakt was.

Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam, werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat men verlangde.

"Is de landbouwer thuis?" vroeg een stem.

"Neen, die is op reis," antwoordde hij.

"Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?"

"Neen."

"Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen wij niet een oogenblik binnenkomen?"

Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger heeft, eenig voedsel weigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen, een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.

Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik, waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: "Wij zijn arme geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen."

Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was, want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk eten voorgezet.

Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.

De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst van de tramps spoedig verwachtten.

Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken, zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.

Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden, naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.

"Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?" vroeg Old Firehand hem met een barsche stem.

De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde: "Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen gaan."

"Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier, naar de menschen, die zich daar bevinden."

"Welke menschen bedoelt gij, sir?" vroeg de man met een goed gehuichelde onnoozelheid. "Ik heb daar niemand gezien."

"Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind geweest."

"Welke ruiters? Ik heb er geen gezien."

"Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen uitgezonden als spionnen."

Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: "Wij? Wij tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u hier te komen overvallen, en dat _wij_ daartoe behoorden, met welk doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn, dat ons zeer slecht bekomen kon?"

"Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij blijven zitten."

"Wat?" viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in zijn zak.

Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei dreigend: "Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn wij klaar, dus opgerukt, marsch!"

Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was, begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden: "Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!"

"En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten gelooven!" riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken sein, waarop de tot nu toe achter het huis verscholen verdedigers te voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den vijand het oog te kunnen houden.

De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt, en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven hun paarden althans met dat doel er in.

"Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening, zooals ik u gezegd heb", sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten Tom. "En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle noodeloos verbruik van ammunitie."

"Goed zoo!" antwoordde Humply-Bill. "Ik zal stipt die volgorde in acht nemen."

En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn manier: "Zij worden, als ze uit water komen,--Door één schot onder mik genomen--Op rij af, en gaan een voor een,--Gezwinden pas naar Satan heen!"

Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen; want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden zonder berijder op den oever rond.

Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever terug te keeren.

"Afgeslagen!" zei de oude Blenter. "Ik ben benieuwd wat zij nu zullen probeeren."

"Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen," antwoordde Old Firehand. "Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten het bereik van onze kogels ligt."

"En dan?"

"Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen."

"En wat noemt gij slim?"

"Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken, dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan, want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen, dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen."

"Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt tegenover hen staan."

"_Pshaw!_ Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is, en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij schijnen te beraadslagen."

De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten, was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden, totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren, vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand met luider stemme: "Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij willen de poort bestormen!"

"Maar die kunnen zij toch niet openloopen!" merkte Blenter aan.

"Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze ons hier op het erf letterlijk dooddrukken."

"Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!"

"Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo's uit de geweren met dubbelen loop, midden in den troep!"

De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over den muur heen konden schieten.

Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te vuren. Twee salvo's knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand's verwachting. Het was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw tegengehouden werden. Zij vormden een onbeschrijfelijken warklomp, die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in salvo, maar _ad libitum_, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden, om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd, aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.

Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.

"Zouden zij aftrekken?" vroeg Humply-Bill. "Ze hebben een duchtige les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen."

"Daar hebben zij volstrekt geen idee op," antwoordde Tante Droll. "Als zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven, op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando van hem vernemen zullen."

"Een commando?"

"Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen."

Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon; maar Old Firehand had hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van boven af roepen: "Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten."

In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld, waarop hier en daar een plokje boschgroei.

Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens de daarbij gestelde gewapende bewakers.

Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen zouden worden, met het bloote oog te zien.

De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.

Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven, zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop, en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon, zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid, waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe, blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten, en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit; er vielen verscheiden dooden, nog veel meer gekwetsten, niet alleen onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden, zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.

"Nu vuren!" commandeerde hij. "Maar schiet enkel op de kerels, niet op de paarden!"

Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn; zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.

"Voort! voort!" brulde een stem uit hun midden. "Wij zijn omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!"

Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in, die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen een zegevierend geschreeuw aanhieven.

"Daar rukken zij uit!" lachte de oude Blenter. "Die komen niet terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?"

"Natuurlijk," antwoordde Zwarte Tom. "De stem kent men eens voor al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet achternazetten, sir?"

Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde: "Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden, om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus zoo gauw mogelijk terug."

"En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden gebeuren?"

"Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd meer verliezen, gauw naar onze paarden!"

De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat, terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak van het huis, om overal eens goed rond te zien.

Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk verijdeld was.

"Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?" vroeg zij, terwijl zij een diepen zucht loosde. "Nu die tramps zulke zware verliezen geleden hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden voort te zetten, vergaan zal zijn."

"Misschien," antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.

"Hoe? Misschien maar?"

"Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden."