De schat in het Zilvermeer

Chapter 16

Chapter 163,952 wordsPublic domain

"Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?"

"Ja."

"Bill en de Uncle bivakkeerden hier?"

"Zoo is het."

"En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?"

"Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?"

"Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en...."

"Sir!" viel Humply-Bill hem in de rede; "hoe weet gij, dat die mannen tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben."

"Een stuk papier heeft het mij verraden," was het antwoord. "Gij hebt die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner laten zitten."

Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het schijnsel van het vuur en las: "Een verzuim, dat men voor onmogelijk zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek, 40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen, zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebben van de rooverijen dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd, dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren toestand paal en perk worde gesteld."

De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden, bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd aan.

"Is dat waar? Is dat mogelijk?" vroeg de lord.

"Ik houd het voor waar," antwoordde Old Firehand. "Of dit bericht liegt of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden."

"Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?" vroeg de hoofdman.

"Omdat ik u voor tramps moest houden."

"Hoe zoo dat?"

"Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten, dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij."

"Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps zijn persoonlijke vijanden?"

"Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten, als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?"

Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: "Gij ziet dus, sir! dat wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden."

"Neen. Dat zal ik niet doen."

"Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps aanbinden?"

"Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt."

"Grooter? Hoe dat?"

"Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken, is het niet?"

"Ja."

"En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend zullen beginnen."

"Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag."

"Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!"

"Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?".

"Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?"

"In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat."

"Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?"

"Ja."

"Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?"

"Dat ook, ja."

"Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn, moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler zullen spoeden, om hem te waarschuwen?"

"Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf."

"Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de dag aanbreekt, te paard te stijgen."

"Wat wil mijn blanke broeder verder doen?" vroeg de Osage.

"Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op, dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen behoorlijk te kunnen ontvangen."

"Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam."

"Niet?" vroeg Firehand verwonderd.

"Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij, en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter, en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke dochter te koopen."

"Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler in Fort-Dodge denkt te blijven?"

"Eenige dagen."

"En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?"

"Eergisteren, in den voormiddag."

"Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!" riep Old Firehand, opspringende. "Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt brengen om ons te helpen?"

"Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan de boerderij zijn."

"Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend met de Sjeyennes en de Arapahoes?"

"Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven."

"Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?"

De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op.

"Rijd er naar toe," vervolgde Old Firehand, "en zeg aan de beide hoofdlieden, dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd man naar de boerderij van Butler te komen."

"Is dat de geheele boodschap?"

"Ja."

De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel.

"Messieurs!" zei hij, "wij hebben geen minuut te verliezen. Onze paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het nog uithouden. Voorwaarts!"

In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop zette de ruiterschaar zich in beweging.

Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen, van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden, ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: "Old Firehand zal toch niet verkeerd rijden?"

"O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs, dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat."

"Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?"

"Die vrouw? O, die dame is een man."

"Voor wie het gelooven wil."

"Geloof het maar op mijn woord."

"En ze noemen haar Tante!"

"Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee bezig te houden."

En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen deden--zoo goed en kwaad als het ging--hun best om hem bij te houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis, zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.

Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur, met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van voren roepen: "Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik der paarden."

Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en, in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was alles nog even donker.

"Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?" vroeg hij aan Humply-Bill.

"Aan de poort van Butler's boerderij," was het antwoord.

"Ziet _gij_ dan iets van die boerderij?"

"Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den muur voelen."

Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken, dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. "Wie belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?"

"Is master Butler al terug?" vroeg de jager.

"Neen."

"Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg haar, dat Old Firehand hier is."

"Old Firehand? _Well_, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma'am (= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd, dat gij op de komst zijt."

"Wat voor menschen zijn dat hier!" dacht de lord. "De hoofdman heeft dus nog harder, veel harder gereden dan wij!"

Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot, houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij ma'am te komen. Voor de anderen werd op de gelijkvloers-verdieping een groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld, dat de troep in aantocht was.

De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich als vanzelf zoo geschikt, dat de voornameren van het gezelschap aan een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.

Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.

Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen, dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.

Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen, ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren, met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.

Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk, en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

IN DEN STRIJD OM BUTLER'S BOERDERIJ.

Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid, als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd moest worden.

Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan, als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.

Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen van de tramps zouden vallen.

Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis, van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte, goed bebouwde maïs- en andere akkers.

"Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?" vroeg Droll.

"Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft, kunnen zij nu wel spoedig hier zijn," antwoordde Firehand.

"Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht, zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die Sjeyennes en Arapahoes."

"Ik ook niet," merkte Bill aan. "Die twee stammen zijn zeer klein, en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering kunnen voorbereiden."

"Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien," zei Old Firehand.

"Maar water," merkte Droll aan, "dat is toch een der voornaamste behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet uit de rivier gaan scheppen."

"Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron, met zeer goed drinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd door het kanaal."

"Is hier dan een kanaal?"

"Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal, dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier."

"Is het diep?"

"Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u bijna tot aan de borst."

"En is de gemeenschap met de rivier open?"

"O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten."

Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg, geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.

De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en behoorlijk in orde was.

Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de verwachte hulptroepen, en de "Groote Zon" reed te paard aan het hoofd van den troep.

Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten, dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.

Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur, op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.

Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis opleverden, almede niet gering waren te schatten. Bijzondere bevelen konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.

Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen, een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten, die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand zich verlaten kon.

Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie gestalten af, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij, niet te paard, maar te voet.