Chapter 15
"Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen zal zijn."
"Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen."
"Zijt gij bang?" vroeg de roodharige spottend.
"Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer van die soort van menschen."
"Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken"? Bedenk toch, dat wij hier over de vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche familie niet in hun schulp zouden kruipen.'
"Gaan die allen mee naar Butler's boerderij?"
"Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?"
"Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?"
"Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden."
Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden, en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de hoofdman viel hem in de rede, en zei: "Ik heb mijn blanke broeders enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen, maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij eerst dan helpen, als ik bemerkt word."
"Wat gaat hij nu doen?" vroeg de Engelschman zacht.
"Een meesterstuk," antwoordde Bill. "Wees zoo goed en ga weer liggen, en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar onze paarden te loopen."
De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers, die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een, een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste geluid of geritsel deed hooren.
Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. "Is het klaar?" vroeg Bill. "Ja," antwoordde de Roodhuid.
"Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?" fluisterde de lord hem toe.
"Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te gaan, waar ook die van ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen."
"Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?" waarschuwde Bill.
"Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de plaats, waar wij afgestegen zijn. _Howgh!_"
Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven, dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen, die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens waren zij weg, als verzonken in den grond.
"_Wonderful!_" fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde toe. "Precies zooals men dat in romans leest."
"Hum!" antwoordde de kleine "Gij zult bij ons nog menigen roman beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken."
"Moeten wij nu weg?"
"Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje."
Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van Indianen kwamen--en toen een snuiven en stampen, en hinniken en dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.
De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel: "De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen...."
Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend: "Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?"
"Indianen, Indianen!" werd er op dat oogenblik geroepen van den kant, waar de paarden gestaan hadden.
"Te wapen! naar de paarden!" brulde de kornel. "Wij zijn overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!"
Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken; en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen, bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet, en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbij hadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.
Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten sprak de kornel: "Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken."
"Waarom?" werd er gevraagd.
"Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij."
"En denkt gij dat zij dat verraden zullen?"
"Natuurlijk!"
"Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?"
"Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden."
"Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!"
"Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen, en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben."
"Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door den nacht overvallen en verdwaald zijn--of zij hebben, om niet verdoold te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen, want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan."
Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte.
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN PARFORCE-RIT IN DEN DONKER.
Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als de duisternis toeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel.
Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk weten te vinden, als was het klaarlichten dag geweest.
"Die tramps zijn blind en doof geweest," zei hij. "Wij konden er verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der Osagen te bedienen."
"Wilt ge u dan wreken?" vroeg Bill.
"Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert."
"In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?"
"Naar het Westen heen."
"Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?"
"Ja."
"En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?"
"De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt."
"Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij van Butler te redden."
"Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?"
"Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen."
"Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen, dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen."
Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht op de streek aan, in welke Butler's boerderij lag, die de Osage had willen bezoeken.
In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat, om in die Rolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill, die naast hem reed, antwoordde deze: "Ja, sir! dat gij ook niet van vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger voor onmogelijk gehouden zoudt hebben."
"Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?"
"Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil."
"Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?"
"O neen! Zulk een Roodhuid _ruikt_ de richting en den weg, dien hij gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg; en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden halt zullen laten houden voor de poort van Butler's boerderij."
"Zoo! He!" riep de Engelschman verheugd. "Wilt gij dat wedden? Dat is heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde; en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer, ik ben dadelijk uw man!"
"Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt."
"Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en vijftig voor de bevrijde Osagen."
"En er zal spoedig nog meer bijkomen."
"Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost."
"Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet; maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen te zien krijgt?"
"Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?"
"O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of overmorgen Old Firehand zullen aantreffen."
"Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?"
"Ja; want hij wil ook naar Butler's boerderij komen." De vooraan rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg: "Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?"
"Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps."
"Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien, of met hem gesproken misschien?"
Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts ging, wat hij gehoord had.
"Oef!" riep de hoofdman, "Dan is de boerderij gered, want het hoofd van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!"
"Kent gij hem al?"
"Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet (= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed, want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons spoor niet meer kunnen zien."
Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder spraakzaam.
Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan, zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht te snuiven.
"Oef!" zei de Roodhuid fluisterend. "Er zijn stellig menschen voor ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren, en de lucht goed door den neus inademen!"
Men hield halt.
"Een vuur!" fluisterde de hoofdman.
"Er is niets van te zien," zei Bill.
"Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt."
De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond.
"Hebt gij hem beet?" vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch.
"Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan geven," was het eveneens zacht gefluisterde antwoord.
"Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te doen hebben. Of is hij u te zwaar?"
"Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg, die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te lande een bochel noemen! Het zal toch niet...."
"Wat?"
"Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?"
"Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten op de terugkomst van deze twee."
Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand--want die was het--nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten.
Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk, uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering.
"Wat drommel!" riep Old Firehand. "Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen."
"Sapperloot!" klonk de uitroep van Droll. "Het is warendig Bill zelf, Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid, dat ik _u_ bij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach, heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind, beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar, zoo ver als ik dacht dat noodig was."
De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik, den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche stem: "Is het mogelijk? Tante Droll!"
"De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!" antwoordde de gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. "Natuurlijk ben _ik_ het. Waarom mij niet dadelijk gezegd, dat _gij_ het zijt?"
"Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!"
Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug om zich te bewegen. De druk van Firehand's vuisten was veel sterker geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd, met de oogen dicht, roerloos op den grond.
"Is hij dood?" vroeg Bill.
"Neen," antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. "Hij ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom, Bill! Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman van de Osagen?"
"Ik ken hem reeds sedert jaren."
"Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den Hoofdman?"
"Ja, vier man."
"Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?"
"O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons--dien kent gij stellig wel--en dan nog een Engelsche lord."
"Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben van ons niets te vreezen, en wij niet van hen."
Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand afgelegd, of hij riep vroolijk: "Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar."
De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op, en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: "Welkom, mylord! Gij zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?"
"Hoe weet gij dat, sir?" vroeg de Engelschman.
"Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van den _bouton d'Alep_ (= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen, ofschoon...."
Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen, diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand, waarin hij het mes hield, zakken, en riep: "Old Firehand! Hebt _gij_ mij gegrepen?"
"Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen kon."
"Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil naar de boerderij van Butler?"
"Ja. Hoe weet gij dat?"
"Bleekgezichten zeiden dat."
"Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis de Osage-nook."
"Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?"
"Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen, allen tramps."
"Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij, want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen."
"Hoe weet gij dat?"
"Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet, die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode broeders te bevrijden."