Chapter 14
"_Pshaw!_ gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben, om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen, ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegt _gij_ daarvan, oude uncle?"
De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:
"Ik ben één van de vier! En ik zeg 't zonder snoeven, Ik rij mee met plezier Naar het bivak der boeven; En wij halen als buit, De vier broeders er uit!"
"Mooi zoo! en gij, mylord?"
De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch, en antwoordde: "Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?"
"Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!"
"Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben."
"Hum ja!" hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd aanzag. "Maar waar moeten wij dat vandaan halen--weet _gij_ dat?"
"Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem waarschijnlijk dicht op de hielen zitten."
"Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof, dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?"
"Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking, om ons zóó te posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen, geheel door ons omsingeld zullen zijn."
De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik, en zei:
"Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft, sir! Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?"
"O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel, waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels, dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders te zien krijgen, dan den rook uit de geweren."
"Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk, is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?"
"Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken."
"_Well!_ Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons eens, uncle!"
De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm, en antwoordde:
"Ja, ja, zij worden ingesloten, En tot den laatste doodgeschoten!"
"Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links, en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden, al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich gedragen."
"Dood maken niet!" opperde de lord.
"Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen eigenlijk geen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik geloof, dat wij niet langer mogen talmen."
Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek, waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had, in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn kijker meegenomen.
Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de wacht hield, den luiden roep hooren: "Opgepast! ze zijn in aantocht."
"Stil!" waarschuwde de gebochelde iets minder luid.
"_Pshaw!"_ antwoordde de Engelschman. "Ze kunnen het onmogelijk hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af."
"Welken kant uit?"
"Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien, die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden."
"Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!"
Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: "_Stop_, messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!"
Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand, daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde: "Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!"
"Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen," klonk het van boven.
"Wij zijn ook jagers!" was het antwoord. "Zijt gij een eerlijk man, laat u dan zien!"
De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den kleine: "Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier hebt gij mij!"
Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden; maar hij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.
"_Zounds_!" riep een hunner. "Als ik mij niet vergis, is het Humply-Bill!"
"Ja, zoo word ik genoemd."
"Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn altijd bij elkander."
"Kent gij ons dan?"
"Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u te schillen!"
"Maar ik ken u niet!"
"Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien ... _Boys!_ die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens daar van boven naar beneden blazen!"
Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.
"_Heigh-day_, dat was goed gemikt!" jubelde de man. "Nu nog de Gun-stick-Un...."
Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De lijken der tramps werden onderzocht.
"Goed gewerkt!" sprak Bill. "Geen een schot heeft gemist! Ze zijn alle vijf ineens morsdood geweest!"
De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: "Het geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan."
"Dat geloof ik ook," knikte de Engelschman. "Ik heb die twee geweren extra voor de prairie besteld."
"Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd bevervellen voor."
"Het is niet te koop."
"Dan geef ik er hem honderd en vijftig."
"Dan ook nog niet."
"Voor tweehonderd ook niet?"
"Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden."
"Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden: ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil."
Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was, nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord schudde zijn hoofd, en antwoordde: "Lord Castlepool ruilt nooit en verkoopt ook nooit. Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers op zijn minst even voortreffelijk als het uwe."
"Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen, zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij zich, dan ik noodig heb."
Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken onderzocht, zei Bill: "Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken, en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen, die wij willen gaan bevrijden."
"Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?" vroeg de Engelschman.
"Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen, dat achter hen ligt."
"En deze lijken?"
"Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!"
Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd; maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid; in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven, om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven, en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander, steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan, doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.
De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een donkere streep, en de Osage verklaarde: "Dat is de achterzijde van het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts, en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de graven van onze omgebrachte broeders."
"Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien hoek bereikt?" vroeg de lord.
"Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier gaans, om aan het bivak der tramps te komen," verklaarde de Roodhuid.
Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman steeg nu insgelijks af, doch zei: "Mij dunkt, dat wij geen oogenblik te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier met de handen in den schoot gaan zitten?"
"Dat is geen goed doordachte vraag, sir!" antwoordde de bultenaar. "Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden, als wij ons dood laten schieten?"
"Dood laten schieten? Hoe dat?"
"Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?"
"Dat nu zoozeer niet....."
"Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?"
"_Well_," knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. "Ik had niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn."
"Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen dollar te ontvangen."
"Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?"
"Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben."
"Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur."
"Ook weer voor vijftig dollars?"
"Yes!" knikte de lord.
"Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken," zei Bill lachende. "Als gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult weten waar het vandaan te halen."
De lord glimlachte eens, en antwoordde: "Er zal wel genoeg zijn. Ik zal wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?"
"Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden, zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij den neef van mijn uncle geen denken aan!"
De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster liet zich zien.
Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het, achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.
De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord, die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen, niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen der boomen.
Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde hem toe: "Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij, zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten."
Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan, en fluisterde: "Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen der tramps vernomen."
Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand, dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.
"Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom," zei de Osage.
Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.
"Wel?" vroeg Bill. "Wat nieuws brengt gij ons?"
"Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer."
"Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen, die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er gesproken werd?"
"Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een toespraak hield."
"Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?"
"Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken, zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak."
"Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?"
"Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten nadeele van de armen, zoodat men van de rijken behoort af te nemen alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken van al het geld, dat in de staatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden, als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen."
"Wat nog meer? Vertel verder!"
"Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn."
"Waar is dat?"
"Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij, elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp, die hem bewaakte."
"Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen."
"O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter, dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem toegefluisterd, dat zij gered zullen worden."
"Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren, regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om, terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!"
De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den drie blanken toe: "Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen gebonden?"
"Ja," antwoordde de bultenaar. "De toespraak, die de kerel met het roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben."
"Dat moest mijn broeder liever niet doen!" waarschuwde de hoofdman.
"Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?"
"Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden."
"Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!"
"Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk worden, de Osagen te bevrijden!"
"Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien, die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan ons niets. Hier is mijn geweer uncle!"
Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen, en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen, en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.
In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en Humply-Bill hoorde hem zeggen: "Ik kan u dus een goeden buit beloven, want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?"
"Ja, ja, ja!" antwoordden de anderen.
"En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk of tien vrijwilligers werven?"
"Neen, neen, wij doen natuurlijk mee," zei een der drie. "Ik zie niet in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is: is het geld er al?"
"Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg, en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de schobberds, die hun aanvoerders zijn!"
"Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?"
"Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds daar is."
"Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?"