De schat in het Zilvermeer

Chapter 13

Chapter 134,078 wordsPublic domain

"O neen," antwoordde de lord. "Maar hij weet, dat ik nog niet op een vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw paarden ook nog geen kennis maken."

"Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn."

"Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte Koerdische _hoezaan_ (= hengst), als gij het niet kwalijk neemt."

"He! Waar ligt dat land?"

"Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee naar huis genomen."

Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden, gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.

"Zoo gaat het goed!" zei de Bultenaar. "In de prairie moet men geen complimenten maken."

"Die maak ik ook niet," antwoordde hij. "Gij hebt gisteren uw vleesch geschoten; vandaag of morgen schiet _ik_ wat op mijn beurt natuurlijk voor u meteen."

"Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen zijn?"

"O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien dollars, of om meer, als gij wilt."

Meteen greep hij naar zijn geldtasch.

"Laat uw banknoten maar rusten," zei Humply. "Wedden doen wij niet!"

"Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren."

Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog eens op met een scherpen blik, en zei toen: "Ik ben den Arkansas komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht, dat echte prairie-mannen nergens beter te vinden zouden zijn, dan in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij met mij meegaan?"

"Waar naar toe?"

"Naar Frisco, aan gene zijde."

"Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is."

"Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een rond jaar duurt, dat doet er niets toe."

"Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren kan?"

"Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel te ondervinden."

"Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden noodig zijn, naar Frisco maken."

"Ik zal er u natuurlijk voor betalen."

"O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan te doen."

"Kunt gij schieten?" vroeg de Engelschman.

Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan, toen hij antwoordde: "Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult."

"Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden halen?"

Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven in de lucht, en antwoordde: "Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen betwijfel ik sterk."

Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.

"Schiet dan eens!" gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden van den bultenaar te ergeren.

Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden, doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel als een baksteen loodrecht neer op den grond.

"Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?" vroeg de kleine schutter.

"Niet kwaad!" luidde het leuke antwoord.

"Wat? Noemt gij dat leuk weg _niet kwaad_? Bedenk eens welk een hoogte, en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen, want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een meesterlijk schot genoemd hebben!"

"_Well_, de tweede!" knikte de lord den langen jager toe, zonder op de gemelijkheid van den kleine te letten.

Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de linkerhand op zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel, en sprak toen op pathetischen toon: "De roofgier zweeft in hooger sfeer.--En blikt van daar op de aarde neer,--En hoopt op lekker aas alweer,--Maar....'k schiet, en 't ondier leeft niet meer!"

Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.

"Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest, en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete klanken, dat wil zeggen op rijm."

"_Well!_" knikte de Engelschman. "Of zijn mond van honigzoetheid houdt, of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan hij schieten?"

De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering, de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed eind verder af.

"Hij is met geen mogelijkheid meer te raken," zei Humply. "Vindt gij dat óók niet, uncle?"

De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden uit hun graf doen verrijzen: "Door zijn vleuglen weggedragen,--Zweeft hij over berg en dal!--Ik behoef geen schot te wagen,--Daar hij toch ontkomen zal.--Wie hem nu nog wenscht te kriegen,--Dient hem achterna te vliegen!"

"Onzin!" riep de lord. "Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer te raken is?"

"Ja, sir!" antwoordde Humply. "Geen Old Firehand, geen Winnetou en geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen."

"Zoo!"

Terwijl de lord dit woordje "zoo" meer minachtend uitstiet dan duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot, alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer zitten, greep naar den reebout, om er zich nog een stuk van af te snijden, en vroeg: "Nu, was hij te raken of niet?"

Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook, want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende slakkenlijn naar beneden.

"_Wonderful!_" riep Humply vol geestdrift uit. "Als dat geen toeval is, mylord!...."

Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend, in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was toch bijna niet te gelooven.

"Maar, mylord!" vervolgde de bultenaar, "kijk toch eens even om! Gij hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!"

"Dat weet ik!" antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken, een stuk vleesch in zijn mond stekende.

"Maar gij hebt hem immers nog niet gezien."

"Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel mist nooit!"

"Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft, volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen, die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?"

De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: "Dat schot is raak geweest,--Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren..."

"Hou nu maar op met leutren!" viel de Engelschman hem in de rede. "Al die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten, en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee, en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?"

De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden toen met een bevredigend ja.

"_Well!_ En hoeveel verlangt gij?"

"Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling kan bij _scouts_ (= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen."

"_All right!_ Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur, dat wij beleven, vijftig dollars."

"Sir!" lachte Humply, "dan worden wij rijke menschen, want aan avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het niet liggen; maar voor een vreemdeling is het raadzamer, de avonturen te ontwijken, in plaats van die op te zoeken."

"Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen thans in het Westen?"

"Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen, dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal, zich met een onbekende in te laten."

"Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij aantreffen, betaal ik u honderd dollars."

"Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?"

"Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen daarmee?"

"O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt."

Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.

"Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf," zei hij. "Ik zal aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven ieders portret en zijn naam."

"Onze portretten?" vroeg de bultenaar verwonderd.

"Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij nu zit!"

Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen, dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten, en hun namen er bij.

"Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig zal worden," zeide hij nu. "Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk uitbetalen."

"Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!" merkte Humply aan. "Wij willen echter niet hopen, dat.... _Behold_, uncle! kijk onze paarden eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om te zien of ik iets ontdekken kan."

"Dan ga ik met u mee!" zei de lord.

"Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!"

"_Pshaw!_ Ik bederf niets."

Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen verscholen, en hun hoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als noodig was om rond te kunnen zien.

"Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting," prees Humply. "Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?"

"_Yes!_ Een Indiaan, schijnt het?"

"Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken."

De lord voldeed daaraan.

De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte, was dat stellig slechts een vijand.

De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat, en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind, zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag, gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider stemme: "Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn blanken vriend komen!"

De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden, zoodat hij in het golvend dal verdween.

"Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te boeken hebben," zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer neerdook.

"Zullen wij een avontuur hebben?"

"Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den uitkijk naar vijanden."

"Is het een hoofdman?"

"Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen."

"En kent gij hem?"

"Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons."

"_Well_, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders, er hoe meer hoe liever verwacht."

"Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn, dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!"

"Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?"

"In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!"

Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale houding, Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.

Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.

In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in zeer goed Engelsch: "Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten."

"Ook wij verheugen ons daarover," antwoordde Humply, "daarvan kunt gij u verzekerd houden."

De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde declameerend uit:

"Wees gegroet, gegroet, mijn waarde! Telg des hemels op deze aarde! Groote hoofdman, wees gegroet! Zet u aan mijn zij met spoed Eer uw vijand kan genaken, En .... laat u 't restantje smaken Van een reebout, dat wij nu, Vriend een broeder, bieden u!"

Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag, dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden willen zwichten.

"Stil, uncle!" riep Humply, "er is nu waarlijk geen tijd voor uw gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?"

"O ja,

Gebonden, doch ontkomen, Heeft de eedle zonder schromen De vlucht naar hier genomen!"

was declameerende het antwoord.

De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en zei tegen den Osage: "Dit bleekgezicht is een meester in het schieten, en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid van u en uw stam."

Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde: "Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven, moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den tomahawk!"

"Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?" vroeg Humply.

"Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten loopen; maar de voeten van de 'Goede Zon' zijn even vlug en tegen vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt op mijn leven."

"Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?"

"Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was ik reeds uit hun bereik."

"Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd, de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?"

"Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden."

"Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?"

"In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen, hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden, en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik worstelde mij ten minste los; en op een oogenblik, toen de bewaker zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen."

"En uw vier kameraden?" vroeg Bill.

"Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen doen om hen op te sporen?"

"O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen."

"Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben, en daar hulp te gaan halen."

Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: "Bijna onmogelijk! Van Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen uw kameraden afgemaakt worden!"

"Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het vlugste paard!" antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. "Mijn vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp zou dus nog wel bijtijds kunnen komen."

"Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden."

"Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!" riep de Indiaan op een toon van blijde verrassing.

"Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!"

"Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen, en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!"