Chapter 12
"_Well!_ Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten, en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen."
"Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!" riep de oude Missouriër, geheel in verrukking gebracht. "Dat Old Firehand goed en eerlijk betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik, ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet: ik moet eerst den kornel hebben."
"En ik ook," zei Droll, "ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet, want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen."
Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje, terwijl hij antwoordde: "Ik hoor daar van u beiden een verlangen, dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen, in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden; en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleen uit een gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening, er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?"
De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig, met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd, lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen en den kornel verraden had.
"Nu," richtte Old Firehand het woord tot hem, "gij ziet, dat ik niet ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap, en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet ge eigenlijk?"
"Ik heet Nolley, sir!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met tranen in de oogen de hand gaf. "Ik wil u niet lastig vallen met mijn levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen; maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen."
"En die zijn?"
"Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij, morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden worden door de visschen."
"Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen; draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?"
"Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting, die binnenkort gehouden zal worden."
"_Heigh-day_ (= Ei ei)!" riep Droll nu. "Dan ben ik toch zoo kwaad niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?"
"Ja," antwoordde Nolley. "Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk achter Harper, en de naam is Osage-nook."
"He! Dien _nook_ (= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?"
"Ja," knikte de oude. "Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir Firehand kunnen blijven."
"Wel," hernam de jager, "ik zie volstrekt niet in, waarom wij van elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?"
"O ja," antwoordde de bekeerde tramp. "Na afloop van de meeting wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen, en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn."
"Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail."
"En mocht hij ook daar ontsnappen," hernam Nolley, "dan kunt gij hem later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer."
Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg: "Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?"
"Daar wil hij een schat gaan halen."
"Een schat? Zal die daar te vinden zijn?"
"Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige plattegrond-teekening waar men die zoeken moet."
"Hebt gij die teekening gezien?"
"Neen, die wil hij aan niemand laten zien."
"Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een teekening geleek."
"Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar begraven heeft."
Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller zweeg, riep Fred: "Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft aan mijn vader toebehoord!"
Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan, door te zeggen: "Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan, dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta."
"Ik ook!" verklaarde de oude Missouriër op een toon vol geestdrift. "Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld, en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch allen ook mee, kameraden?"
"Ja, ja, natuurlijk ja," klonk het uit den mond van al de rafters.
"_Well!_" zei Old Firehand, "dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren, daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!"
VIJFDE HOOFDSTUK.
INDIAANSCH MEESTERSTUK.
De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets, zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine boot verdwalen zal in volle zee.
In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn, die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte, niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun, maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking, zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.
De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn gezicht--ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaam van "vadermoorder" placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag, verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.
Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer, van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen, was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder, en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken, waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.
Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak, een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.
De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken, dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.
Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem--van waar eigenlijk kon hij niet zien--deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren: "Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?"
De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht, nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren: "Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!"
De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen met de hand achter zich, en antwoordde: "Daar vandaan!"
"Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!"
"Dien weg," antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor zich uit.
"Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!" lachte de nog altijd onzichtbare vrager. "Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder draaierij: Waar komt gij vandaan?"
"Van het kasteel Castlepool," antwoordde de man, op den toon van een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den schoolmeester.
"Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?"
"Op de landkaart van Schotland," hernam de ruiter, terwijl zijn gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.
"God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En waar is de reis naar toe?"
"Naar Calcutta."
"Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?"
"In Voor-Indië."
"_Lack-a-day!_ Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?"
"Ja, maar niet geheel en al."
"O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt waarschijnlijk een Engelschman?"
"_Yes._"
"Wat is uw beroep?"
"Lord."
"Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom, _uncle_ (= oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meter _spleen_ (= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal."
Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed, geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug, en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel--oude, zeer lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor beiden te wezen; want terwijl de lange nog geen woord gesproken had, vervolgde hij nu: "Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander."
"Willen wij eens wedden?" vroeg de Engelschman nu.
"Wat wedden?"
"Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij."
"Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?"
"Denkt gij dat? _Well_, laat ons dan wedden om honderd dollars!"
Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren, maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.
"Master!" riep de kleine, "ik begin te gelooven, dat het werkelijk meenens bij u is!"
"Wat zou het anders zijn?" vroeg de Engelschman verwonderd. "Wedden is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij elke gelegenheid."
"En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!"
"Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?"
"Wij hebben geen geld."
"Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij betalen kunt."
Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: "Ons leenen ... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?"
"O ja, dat weet ik zeker."
"Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen."
"Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb."
"_Uncle_ (= oom)!" zeide de kleine hoofdschuddend tegen den lange. "Zulk een _boy_ heb ik van mijn leven nog niet gezien of gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te bekijken."
Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de bultenaar: "Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben, het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet, wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis, hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!"
Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers, en op een korten strengen toon riep deze: "Hand weg of ik schiet!"
De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.
"Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!"
De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.
"Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd ben?" vervolgde hij. "En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u geantwoord. Maar nu verlang _ik_ te weten wie ik vóór mij heb. Hoe heet gij, en wat zijt gij?"
Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen: "Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco [1] als eerlijke jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte, om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen aan te sluiten."
"_Well!_ En uw namen!"
"Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle, omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten; en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen, zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten."
De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende antwoordde hij: "Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien."
De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond; toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: "Werkelijk een lord, lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw leven..."
"_Pshaw!_" viel de lord hem in de rede. "Wat ik zoek? Ik wil de prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb."
"Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel, waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten."
"Volg mij dan!"
Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen, die men veilig met de gemeenzame benaming van "oude knollen" had kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.
"Wat een venijnig kreng!" zei Humply-Bill. "Schijnt zeer ongezellig te zijn."