De schat in het Zilvermeer

Chapter 11

Chapter 113,972 wordsPublic domain

Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was; maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die zeker is van zijn zaak: "Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament; het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?"

Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: "Ja, ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet zulk een klein ding: een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit, een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (_Celtis occidentalis L._). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven; bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?"

"Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen woord heb verstaan, veel minder begrepen," antwoordde de kornel allesbehalve gepolijst. "Ik zou wel eens iemand willen zien, met een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis, want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben."

"Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven, als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is, zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken."

"Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten," merkte Fred aan. "Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met het mes in de kuiten, aan de eene zijde er in en aan de andere zijde er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens nog te zien zijn."

Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: "_Well_, beste boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den persoon vergist." Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En meteen sprong de kornel overeind.

"_Good bye_, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken," riep hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte over op het geboomte aan.

Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht, dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle vergelijking onmogelijk was.

Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo, dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het werk van een paar seconden.

"Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!" riep hij, en wendde zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer, en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.

Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan, onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen zou hebben.

De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen "nachtjapon" aangehad had, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers achternazette.

"Staan blijven, Droll!" riep hij dezen daarbij toe.

Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door, in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de duisternis, die onder het geboomte heerschte.

"Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!" schreeuwde Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog slechts vier passen van hem af.

"Moet hem hebben, moet hem hebben!" antwoordde hijgend de in een staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem, en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.

Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.

"He, komt gij alleen terug?" riep de oude Missouriër reeds van verre Old Firehand toe.

"Dat ziet gij," antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.

"Was hij dan niet te pakken te krijgen?"

"Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp."

"Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is."

"Nu, oude Blenter! ik geloof niet dat _gij_ de man zijt, die het recht heeft om het hardst daarover te klagen."

"Hoe zoo dat?"

"Wel omdat het eigenlijk gezegd _uw_ schuld is."

"_Mijn_ schuld?" vroeg de oude verwonderd. "Dat vat ik niet. Gij moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom gij dat aan mij wijt?"

"O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend geworden is?"

"Dat heb _ik_, natuurlijk."

"En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?"

"Ook dat heb _ik_."

"Maar zijn mes hebt gij hem laten houden."

"Hij had in het geheel geen mes."

"O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen losgesneden, waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar hem tevens het mes gegeven."

"Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?" vroeg Blenter verlegen.

"Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers."

Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij, dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als waanzinnig uit: "Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd, dat hij degene was, waarvoor ik hem hield."

"Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden; want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene niet hier tegenwoordig is."

Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den terugtocht aangenomen.

Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat, en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: "Maar hebt gij dan niet gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te blijven staan?"

"Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord," was het antwoord.

"En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?"

"Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten."

"En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?"

"Wat had ik dan moeten doen? Had hij _mij_ misschien moeten naloopen?"

"Neen, dat niet," hernam Old Firehand lachende. "Maar om iemand in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt, worden de voetstappen van anderen onhoorbaar--begrepen?"

"Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven staan?"

"Juist."

"Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!"

"Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden, dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij te laten loopen."

"Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom moeten zijn om langer alleen te loopen."

"En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een heksenmeester, dat weet ik reeds."

"Dat wil ik gelooven," antwoordde Droll, door die lofspraak gestreeld. "Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen, dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?"

"Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij hem inhalen."

Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude Missouriër verklaarde: "Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas sedert kort aan het werk."

"Dat doet mij plezier," zei Old Firehand. "Ik heb onderweg reeds besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop, wel zult aannemen."

"En wat is dat?"

"Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen, maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis."

"Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?"

"Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden, en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te gaan nemen."

"_Zounds!_ Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap, en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij wegkomen."

"Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen, om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit het vuur meenemen."

De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was, verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen, en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen, liep hij met zijn handen vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden, zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.

Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis, bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.

"Nu hebben wij er ten minste reeds een," zei een dier mannen, "en die zal boeten voor al de anderen."

De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen: "Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!"

Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei: "Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden."

"Dat hadden ze ook," hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind kwam; "maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd."

"Wij hielden u voor een rafter."

"Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen, dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee, ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven."

"Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeft _mij_ hier gebracht. Ik zou graag dit blokhuis in brand steken--dan zijn zij hun logies kwijt."

"Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken, of daar niets van onze gading te vinden is."

"Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden."

"Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben ze niet uitgeplunderd."

"Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?"

"Ja, alles!"

"En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen vallen?"

"Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan, toen u overslag kwam."

"Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen, om weer naar hier te komen."

"Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat wij weg waren?"

"Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben."

Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan, en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.

Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van den wind door de toppen der boomen.

"Zij komen nog niet," zei Woodward. "Wat nu?"

"Maken dat wij wegkomen, natuurlijk," antwoordde de kornel.

"Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend."

"Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten."

"Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water."

"Welnu, dan zullen wij varen!"

"Waarmee? Waarin?"

"In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed, dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats."

"Waar dat is weten wij niet."

"Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen."

Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis, en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.

Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in de verte het geschreeuw van drie stemmen--dat waren die van den ouden Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren naar het blokhuis.

"Zij zijn op de komst," zei de kornel. "Laat ons maar gauw maken, dat wij een boot vinden."

Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden, lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano's, ieder met plaats voor vier personen.

"Hangt de twee andere achteraan," gebood de roodbaard. "Wij moeten die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die kapot slaan."

Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot; ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.

"Dat's verkeerd!" zei de aanvoerder tegen hem. "Wij moeten voor stroom af."

"Maar wij moeten immers verder Kansas in," antwoordde de man, "naar de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps)."

"Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen; die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts, om hem van ons spoor af te brengen."

"Dan maken wij een ijselijken omweg!"

"Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het spoor te komen."

De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers, en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis bereikten.

Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. "Het is juist zooals ik gedacht heb," zeide hij; "ik begreep, dat de kornel zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden."

"Hoe dat?" vroeg de Missouriër.

"Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is."

De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.

"Eer ik begin messieurs!" sprak de jager, "moet ik u verzoeken mij uw woord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen, aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt, op wier woord ik mij verlaten kan."

Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij: "Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte, dat men het Zilvermeer noemt?"

"Ik wel," antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. "Ieder onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze gentlemen opmaken mag."