De schat in het Zilvermeer

Chapter 10

Chapter 103,994 wordsPublic domain

Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen, en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen, toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp, van den ouden Missouriër.

"Zij vermoorden hem!" zeide Old Firehand nog altijd fluisterend. "Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade voor wien zich verweert!"

Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.

Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn macht, om hun schrik te verhoogen.

Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen, zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen, wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte, veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps, was er geen volle minuut verloopen.

"Hen achterna!" riep Old Firehand. "Ik blijf hier. Laat hen niet aan de paarden komen."

Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps, die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder het bosch in.

Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op, op de terugkomst van hun twee verspieders--den Missouriër en den Tonkawa-hoofdman--gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis, en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.

"Gauw komen, gauw!" riep hij. "Old Firehand daar zijn, en op de tramps schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!"

Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven, om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder gehaast. Menig hunner liep tegen een boom, en liep zoodoende een kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.

VIERDE HOOFDSTUK.

AAN DE VERGELDING ONTKOMEN.

Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.

"Verduiveld!" riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. "Wij dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham's schoot."

"Ben ook in levensgevaar geweest," antwoordde de oude; "op het punt geweest om overgekolfd te worden in Abraham's schoot, namelijk door de kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd, toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt nog iets van hen kunnen leeren, _boys_ (= jongens)!"

"En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?"

"Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen, maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt gij u iets kranigers voorstellen?"

Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij tegen hen zeide: "Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps te doen kreegt."

"De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik verdien," antwoordde de Oude Beer bescheiden. "De tramps hebben maken een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?'

"Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij."

Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: "Als hij niet gestorven van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen zijn bloed!"

"Halt!" riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. "Die kerel behoort niet aan u, hij is mijn!"

De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen, en vroeg toen: "Gij ook verlangen wraak tegen hem?"

"Ja, en welke!"

"Bloed?"

"Bloed en leven!"

"Sedert wanneer?"

"Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten doodranselen."

"Gij u niet vergissen?" vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der prairie verplicht was.

"Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten."

"Gij hem dus dooden?"

"Ja, zonder genade of medelijden."

"Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed, en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf; ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?"

"Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?"

"Dan Tonkawa hem doodschieten terstond."

"Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer, die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid te betrachten."

"Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?" vroeg de Indiaan, daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: "Nu, dan ooren mijn, en ik die nemen terstond."

Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: "Wat gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan, dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?"

"Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks spreken," antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.

"En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk laten zien," voegde Old Firehand er bij. "Wij hebben uw zakken nog niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit."

Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de brieventasch van den kornel.

Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.

"Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!" lachte Old Firehand. "Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt."

De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.

"Ziezoo!" zei hij. "Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden."

"Nu?" vroeg Old Firehand. "Wilt gij niet met mij rijden, niet althans nog dezen nacht bij ons blijven?"

"Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!"

Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.

"Waar hebben zij hun paarden?" vroeg Old Firehand.

"Hooger op, bij ons blokhuis," antwoordde de Missouriër. "Natuurlijk gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel."

"Maak u daarover volstrekt niet ongerust," zei de jager. "Zij kennen den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft, zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?"

"De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te duchten hebben."

"O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn, eenige wachten uitzetten."

De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn; doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner drie metgezellen halen, en toen kon het "Savannen-gerecht" beginnen.

Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild gevoerd hadden werden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt. Vannacht zouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.

Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde, en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: "Hij is het, hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!"

Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: "Vergist gij u niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn."

"O ja, hij is het, hij is het stellig!" hield de jongeling vol. "Zie maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu alle hoop kan opgeven."

"Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot herkend hebben."

"Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten, dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen."

"Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar, en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is."

De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel: "Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders."

"Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden."

"Dat wel niet," mengde de oude Missouriër zich in het gesprek; "maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode pruik opzetten."

"Och kom? zou dat hier....?" vroeg Droll, zonder zijn volzin te voltooien.

"Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is, dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik."

"Onmogelijk!" zei Droll. "Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het hoofd afgetrokken zijn!"

"_Pshaw!_ Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen."

De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen hij onverschillig. Al zijn aandacht was op de woorden van de beide sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos, als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop, zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding, vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar hield vast; het was werkelijk eigen haar.

"_All devils_, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!" riep hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht, dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de toestand zoo hoog ernstig geweest.

Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach, en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: "Nu, leugenaar en lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!"

De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en zei radeloos tegen laatstgenoemde: "Zeg mij nu toch, sir! wat gij daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar; maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen kunnen mij onmogelijk bedriegen."

"En toch zoudt gij u kunnen vergissen," antwoordde de jager. "Naar het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht."

"Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen."

"Doe ze dan beter open!" snauwde de kornel hoonend. "De duivel mag mij halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!"

"Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!"

"Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongen _boy_ niet, en...."

Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk herstellende, vervolgde hij: "....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende, veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel."

Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen; hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk, waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt, die niemand bevreemden kon, daar het door het gaan-opzitten van den roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem, en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man nu--dat zoogenaamde lijk--was volstrekt niet dood; hij was niet eens gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam, zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes, en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel bevond, en sleepte hem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.

Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee, zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw, en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte, opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor, en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: "Waar _ik_ iets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!"

"Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen verven?!"

"O, dat is zoo onmogelijk niet," gaf de jager op veelbeteekenenden toon ten bescheid.

"Misschien met _ruddle_ (= roodsteen)?" vroeg de kornel met een half spottenden lach. "Dat zou immers erg afgeven!"

"Lach maar zoo hard als gij wilt," hernam Old Firehand ernstig; "lang zult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen draaien, mij evenwel niet!"

Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: "Zoodra men u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat, en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen."

Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus, en vroeg hem: "Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die bij u?"