De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96

Part 8

Chapter 83,922 wordsPublic domain

»En ik heb nog iets beters voor je," liet hij er op volgen; »een brief van je moeder."

Met beide handen strekte Frits Jansen zich uit naar den brief, en haastig het couvert openend, las hij, neen verslond hij de regels bij het schijnsel der grillige vlam.

Ach, dat was een brief, zooals slechts een moeder hem kan schrijven! Zoo ongekunsteld, zoo eenvoudig, en toch zoo roerend in zijn eenvoudigheid! Zoo vol liefde en erbarming!

En dan die schreiende moederkreet: »Mijn arm, verdoold kind, leg het moede hoofd neder aan het hart van uw moeder!"

Frits Jansen's oogen verduisterden zich, en zijn brandende oogen werden vochtig.

Niemand twijfelde er aan, dat hij de brandstichter was, _niemand_ dan zij, die trouwe, die liefhebbende, die éénige moeder!

Het verwonderde hem echter, dat tante Martje sprak van een vroegeren, door haar geschreven brief.

»Dit is de _eerste_ brief, dien ik van Waterfontein ontvang," zeide hij verbaasd.

»Toch is het de _tweede_, dien uw moeder aan u schrijft," zeide het meesterke; »ik heb zelf den eersten brief op de post gebracht."

»Hij is nooit in mijn bezit gekomen," zeide Frits op stelligen toon.

»Het verwondert mij eveneens," ging hij nadenkend voort, »dat Moeder met geen woord van _mijn_ brief melding maakt."

»Hebt ge dan een brief geschreven?" vraagde het meesterke verrast.

»Wis en zeker," verzekerde Frits.

»Tante Martje heeft elke week tweemaal naar het dorp gezonden, om naar brieven te vragen," zeide het meesterke, »doch nooit een brief van u ontvangen. Dat weet ik zeker."

»'t Is vreemd, heel vreemd," mompelde Frits.

»De post zal misschien nog slecht geregeld zijn," meende het meesterke.

»Ze is uitstekend geregeld," zeide Frits.

»Licht kan er een brief vermist worden," hernam het meesterke.

»Maar twee brieven--_twee_!" zeide Frits: »'t is onbegrijpelijk!"

Het meesterke haalde de schouders op; hij begreep het evenmin.

De koffie was intusschen gezet, en het kommetje ging tusschen de twee vrienden kameraadschappelijk rond.

Het meesterke verkwikte zich aan den bruinen drank. Het begon koel te worden, en de koffie maakte warm.

Frits Jansen's gedachten keerden intusschen terug tot dien noodlottigen brand.

»Heb ik bij mijn vertrek iets gezegd, dat aanleiding kon geven tot de vreeselijke verdenking?" vraagde hij.

Het meesterke knikte bevestigend.

»Zóó--ik zou wel eens willen weten, wat!" riep hij uit.

»Gij hebt gezegd: »Dat geeft een ongeluk.""

Frits Jansen sloeg zich voor het hoofd.

»Heb ik _dat_ gezegd?" vraagde hij, en het meesterke zeide: »Ja!"

Dat kwam van die heillooze, onzalige drift? Hij wist niet eens meer, wat hij had gezegd!

»Waaraan meent Eliëzer mij herkend te hebben?" vraagde hij na een pauze, maar het meesterke wist het niet.

»Eliëzer beweert, je stellig gezien te hebben even als de twee andere Kaffers; meer weet ik er niet van."

Nu werd Jakob geroepen, doch die wist het evenmin, want hij was pas eenige weken op Waterfontein.

* * * * *

Van den heuvel, waar Harreson's kamp was opgeslagen, werd de taptoe geblazen, en de signalen klonken vredig door den stillen nacht.

Jakob had op eenigen afstand een tweede vuur aangelegd, en zijn zwarte, blinkende huid stak wonderlijk af bij de grillige vlam.

Droomerig staarde hij in het vuur, en zong op gedempten toon een weemoedig, eentonig kafferlied, waarin de verdwenen glorie van zijn volk werd bezongen. En zijn klagende stem vermengde zich en smolt samen met het klagend geruisen van den nachtwind door het lange, schrale gras.

De kleine poney was gekluisterd, en had zich tusschen de twee vuren neergevleid, maar de twee boezemvrienden zaten met elkaar nog altijd te keuvelen.

»En waarom hebt gij mij toch eigentlijk opgezocht, meesterke?" vraagde Frits Jansen.

»Omdat ik je liefheb," zeide het meesterke op zijn eenvoudige, bijna kinderlijke manier, terwijl hij den jongen Boer aankeek met zijn zachte, weemoedige oogen.

Frits drukte hem de hand.

»Gij zijt een goed meesterke," zeide hij vriendelijk, »maar gij hebt in den regel geen courage genoeg."

»Ge hebt me dikwijls moeten helpen met die wilde jongens," meende het meesterke.

»Dat is waar," antwoordde Frits; »waarom sloegt ge ze niet om de ooren?"

»Ik kan het niet," zuchtte het meesterke.

»Ik geloof het," zeide de jonge Boer; »er zit geen staal in je bloed, geen merg in je gebeente, meesterke. Ik zou me toch liever dood vechten dan me op mijn kop laten zitten!"

»Ik schijn voor het lijden geboren," zeide het meesterke. »Als een verworpeling ben ik op de wereld gekomen, en uit den beker van het lijden heb ik gedronken tot op dezen oogenblik."

»Ge zijt wel ongelukkig, meesterke," zeide Frits Jansen, zijn eigen zielepijn vergetend, met hartelijk medelijden.

»Ongelukkig?" zeide het meesterke met zachten klem. »Al hebben vader en moeder mij verlaten, de Heere zal mij aannemen."

Frits wierp nieuwe brandstof op het zwakker wordende vuur.

De gloed sloeg nu hoog uit en verspreidde een liefelijke warmte. Terwijl stopte de jonge Boer de kleine, houten pijp, en stak ze aan bij een brandende tak.

»God heeft mij lief, Frits--hoe kan ik dan ongelukkig zijn?"

»Weet ge 't zeker?" vraagde Frits.

»Ja," zeide het meesterke met ongewonen nadruk. »Hij heeft mij lief."

»En waarom hebt ge dan zooveel leed op aarde, meesterke?"

»Omdat juist dit lijden mij aandrijft, om te schuilen onder Zijne eeuwige vleugelen."

Er volgde een pauze.

Cesar, die zich achter Frits Jansen had neergevleid in het gras, schuurde den ruigen kop tegen den schouder van zijn jongen baas, en de kreet van een voorbijtrekkenden nachtvogel werd gehoord.

In wonderbaren glans strekte, bij het licht der sterren, het nachtelijk landschap zich uit, en hoog aan den hemel beschreef een verschietende ster haar schitterende baan.

»God is mijn vader, en ik ben een zijner uitverkorenen," begon het meesterke opnieuw, »hoe kan ik dan ongelukkig zijn? Zie toch, hoe machtig en heerlijk Hij is! Het firmament heeft Hij gespannen, en de sterren zijn de gouden vonken van zijn kleed!"

»Gij spreekt als mijn moeder," zeide Frits vol bewondering, »maar nog geleerder."

»Is Hij _uw_ Vader ook?" vraagde het meesterke met een opslag van zijn zachte, weemoedige oogen, doch de jonge Boer gaf op deze vraag geen direct antwoord en zeide: »Hoor eens hier, meesterke, als ik uitverkoren ben, dan komt alles terecht, doch als ik niet uitverkoren ben, dan--"

Hij voleindigde den zin niet.

»Nu, als gij _niet_ uitverkoren zijt, Frits, wat dan?"

»Dan zal al mijn pogen, om de eeuwige zaligheid te verwerven, vruchteloos zijn," zeide Frits.

Het meesterke antwoordde niet dadelijk; peinzend staarde hij in het vuur.

»Gij schijnt dus te berusten in Gods raadsbesluit," zeide het meesterke na een pauze op levendiger toon, »maar ik vrees, dat gij juist tegen den _kern_ van dat raadsbesluit inhandelt."

»Hoe bedoelt ge dat?" vraagde Frits.

»Wat is de kern van Gods raadsbesluit?" zeide het meesterke; »is het niet de eer, de glorie van Gods Zoon? Reeds in het natuurlijke ziet men, dat de vader werkt voor zijn kind, voor zijn zoon; al zijn denken en streven bedoelt het welzijn van dien zoon. De vader heeft immers zijn kind lief; ièder vader; ook oom Reinard heeft zijn kind lief."

»Gehàd," zeide Frits Jansen en schudde droevig het hoofd.

»Neen, nog van daag," hernam het meesterke op den meest stelligen toon. »Doch dit is slechts een zwakke schaduw van de liefde, die God koestert voor zijn Zoon, en indien gij in dien Zoon niet gelooft, dan acht gij het bloed des Nieuwen Testaments onrein, dan verwerpt gij dien zoon als uw Heiland, en handelt gij lijnrecht in tegen den kern, de pit, het hart van Gods raadsbesluit, dat de eer van zijn Zoon beoogt."

Het meesterke was warm geworden; zijn oogen begonnen te tintelen.

»Gij kunt praten als een dominé," zeide Frits Jansen in ongekunstelde bewondering.

»Zijt ge bekeerd?" vraagde hij plotseling.

Het meesterke zweeg even. Hij stutte het hoofd in de handen, en staarde in de vlam.

»Ik zal je wat vertellen," zeide hij na een wijle met zekere plechtigheid in zijn stem. »Ik heb van God een teergevoelig hart ontvangen, dat dikwijls openscheurde aan de doornen en aan de distelen van dit leven. Ik vòelde die doornen, en ik vòelde al de bitterheid van mijn ongeluk. Hoe menigmaal verlangde ik, om te rusten onder een paar zware klipsteenen, in de koele aarde! Ik was zoo onuitsprekelijk moede, en ik wilde rusten--eeuwig rusten en slapen!

Maar er was iets dat erger was dan mijn ongeluk, namelijk mijn zonde, en ik leerde ze beseffen!"

»Werd ge toen wanhopig?" vraagde de jonge Boer.

»Neen," antwoordde het meesterke, »maar ik versmolt van droefheid, omdat ik tegen dien God, Die zoo waardig is, gediend te worden, elken dag had overtreden."

Frits Jansen schudde het hoofd.

»Ik weet niet, of het in de echte bekeering wel zoo toegaat," zeide hij aarzelend.

»De wegen zijn verschillend," meende het meesterke; »de schapen, die de schaapskooi zoeken, kunnen toch ook niet allen hetzelfde pad nemen, of zij zouden elkander vertreden."

»Ga voort," zeide Frits Jansen.

»Ik was zeer bedroefd," zeide het meesterke, »en ik deed mijn best, om God te dienen, maar ik bedierf het elken dag al meer, en ik werd al bedrukter, omdat zoo'n zware schuldenlast op mij drukte, en omdat Gods eer voortdurend door mij werd gekrenkt. Toen riep ik den Heiland aan!"

»En kwam er toen uitkomst?" vraagde Frits.

Het meesterke schudde het hoofd.

De jonge Boer wilde een opmerking maken, doch hield ze terug.

»Het was een treurige tijd, maar toch bescheen de ster der lieflijke hoop mijn pad. En zoo kwam de gedenkwaardigste Zondagnamiddag in mijn leven."

Frits Jansen borg zijn pijp weg, en staarde vol belangstelling naar den spreker.

»Ik zat in het schoollokaaltje, en las de woorden: »Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven."

Ik had dien tekst wel honderden keeren gelezen, doch nooit met dien aandrang als in dit oogenblik.

»Heere Jezus," bad ik, »ik kom, maar ik kan u niet vinden!""

»En toen, Frits," ging hij voort met gedempte stem, »toen zag ik Hem."

»Wien?" vraagde Frits Jansen twijfelend en aarzelend, en het meesterke antwoordde, terwijl zijn stem zoo zacht werd als het fluisterend ruischen van den nachtwind in het gebladerte van den wilgenboom boven hen: »Jezus!"

»Jezus!" herhaalde Frits Jansen, en een eerbiedige huivering ging door zijn leden.

Het licht der vlam speelde op het gelaat van het meesterke, en duidelijk was zijn ontroering waar te nemen.

»Ik zag Hem," ging hij voort, »met mijn geestelijke oogen even gewis, als ik u op dit oogenblik zie met mijn lichamelijke oogen. En ik wierp me tegen den grond, strekte mijn handen omhoog en riep: »Mijn Heer en mijn God!" Een zaliger oogenblik heb ik nooit beleefd."

»Ik geloof het," zeide Frits Jansen zelf geschokt.

»Maar ik zag nog veel meer," begon het meesterke op nieuw. »Ik had gemeend in mijn blindheid, dat de Heere zich verre van mij hield, en nu zag ik, dat Hij steeds dicht bij mij was geweest. Hij had bij het schreiende wicht gewaakt onder den doornstruik; Hij was stap voor stap met mij medegegaan, en Hij had over het zwakke, dolende lam de wacht gehouden met de teederheid van den trouwen Herder. Ik had getast, gezocht, gezwoegd, en zou in mijne blindheid versmacht zijn in de schaduw der eeuwige Fonteinen. Maar nu zag ik het, want de blinddoek was van mijn oogen gevallen."

* * * * *

Middernacht was al lang voorbij, en het meesterke, nu moede geworden, legde zich neder om te slapen.

Doch Frits Jansen kon niet slapen, en hij liet zijn oogen gaan over de eindelooze prairie, die zich uitstrekte als een beeld van stillen vrede.

Ook Jakob was ingeslapen; duidelijk hoorde Frits zijn diepe ademhaling.

Hij wendde den blik naar het meesterke, nam zijn ruitermantel en spreidde hem over den slapende heen.

»Moeder zegt, dat er een verborgen zegen op rust, als men Gods kinderen goed doet," fluisterde hij.

Doch plotseling scheurde de wond weer open.

»Het meesterke noemde zich een verworpeling," steunde hij, »maar de ware verworpeling en verschoppeling ben ik: weggejaagd van mijn vaders drempel als een verrader, gebrandmerkt als een brandstichter--een verworpeling en een vervloekte!"

Hij keerde zich af van het vuur, stutte het hoofd tusschen de handen, en heete tranen biggelden over zijn wangen.

* * * * *

Het eerste werk van den jongen Boer in den volgenden morgen was, om Jack Williams op te zoeken.

»Waarom hebt gij mij niet verteld, dat Waterfontein is afgebrand?" vraagde hij op scherpen toon.

»Is Waterfontein afgebrand?" vraagde Jack in groote verbazing--»Waterfontein?"

»Weet ge 't niet?" vraagde Frits Jansen vol argwaan.

»Ik weet er evenmin iets van als dat ik iets weet van den dag van mijn dood!" riep Jack met blijkbare oprechtheid.

»Wanneer zijt gij dan van huis vertrokken?"

»Denzelfden avond dat _gij_ gingt!"

»Ik meende, dat gij eenige dagen later wildet gaan."

»Ik veranderde van gedachten," zeide Jack.

»'t Is al heel vreemd!" meende Frits.

»Als je 't niet wilt gelooven, dan moet je 't laten," zeide Jack brutaal.

Frits zweeg een oogenblik.

»De brief, dien jij voor mij te Buluwayo op de post zoudt doen, is nooit terecht gekomen," begon hij opnieuw.

»Je wilt misschien zeggen, dat ik hem heb verdonkermaand," vraagde Jack.

»Dat zeg ik niet," antwoordde Frits, »maar 't lijkt er wel op."

»En als jij mijn brief heb verdonkermaand," liet hij er op volgen met klimmend wantrouwen, »dan zul je den brief van mijn moeder aan mij ook wel hebben verdonkermaand!"

»Ik heb met je praatjes niets te maken," zeide Jack Williams op beleedigenden toon, en draaide hem den rug toe, maar Frits Jansen balde toornig de vuist en riep: »Voor jouw grofheden ben ik niet bang--wees voorzichtig!"

De breuk tusschen de twee vroegere vrienden was volkomen.

HOOFDSTUK XVII.

Dàt is de stad.

Zeven jaar geleden--wij schrijven thans 1895--was hier niets te zien dan een golvende, eindelooze grasvlakte, en de stilte der wildernis werd slechts afgebroken door het gehuil van een jakhals, het gebrul van een tijger en den vleugelslag van een roofvogel.

En thans is hier een stad verrezen met paleizen en kerken; een echte wezenlijke stad met prachtige wijken en smerige achterbuurten. De slanke torens rijzen vol gratie opwaarts, en de koepels der paleizen schitteren in de blauwe, zonnige, Afrikaansche lucht.

Op den grond van een Transvaalschen Boer, daar is de stad verrezen. Toen de eerste schamele hutten in elkander werden gezet, zeide die Boer: »Ik zal deze plek noemen naar mijn zoon." En hij noemde haar Johannesburg, en dezen naam zal de goudstad wel blijven dragen zoolang de wereld bestaat.

't Is een merkwaardige stad, dit Johannesburg. Ze is opgeschoten als een wonderboom.

De groote Pompejus zeide ééns: »Met mijn voet stamp ik de Romeinsche legers uit den grond," en wat de groote Pompejus kon, dat heeft hier de kracht van het goud gedaan. Het heeft een stad van 70.000 inwoners uit den grond gestampt.

Zoo'n kracht heeft het goud.

Daar, bij Johannesburg, in de diepe schachten, 200 tot 400 voet onder den grond, waar zon noch maan met hun licht kunnen komen, daar loopen de metalen aders, en tusschen het harde erts fonkelen de goudatomen.

Dat harde erts, dat duizenden jaren heeft gesluimerd in den schoot der aarde, wordt door rappe, vlugge handen naar boven gebracht en onder den stoot van stalen reuzenstampers tot stof vermalen.

Uit dat stof weet de vindingrijkheid van den mensch het kostbare goud te verzamelen.

Dat goud heeft de menschen van Johannesburg aangetrokken. Het trekt de menschen aan als de magneet het ijzer, als de kaarsvlam den vlinder.

Uit de vier windstreken des hemels zijn de hongerige zielen te Witwatersrand[11] komen aanhollen, om zich te verzadigen aan het goud.

[11] Witwatersrand heet de goudstreek, die zich bij Johannesburg uitstrekt.

Wat doet de mensch niet voor het goud?

Hij braveert de stormen en waagt zich in den cykloon; hij gaat door water en vuur; hij waagt zijn gezondheid, zijn leven, zijn eeuwige zaligheid voor dat goud.

Om het goud worden de ijzeren kerkerdeuren getrotseerd, en hoeveel moorden de gouddorst op zijn rekening heeft--wie zal het zeggen?

Saul versloeg zijn honderden en David zijn duizenden, maar de gouddorst telt zijn gesneuvelden bij millioenen!

Zij zijn overal te vinden, die gesneuvelden, die ongelukkigen: op de hoogte der bergen, in de diepte der zeeën, in het marktgewoel der stad, in de stilte der woestijn.

Doch niet alle menschen zijn door dien gouddorst aangetast.

Ik ken er: hooge, edele geesten, die met koninklijken tred en opgericht hoofd heenschrijden over het goud; die het kunnen gebruiken zonder het te misbruiken; die het kunnen bezitten zonder er voor te zwichten; die het in de hand kunnen nemen zonder zich te branden....

Maar ach--hoe velen zijn de slaven van het goud!

Het goud echter kan het niet helpen, dat de mensch er voor knielt.

Het goud is een gave, een goède gave, en het is niet de schuld van den Gever, dat de mensch van die gave zijn god maakt.

Is het goud niet een goede en groote gave? Kunnen handel en nijverheid, kunsten en wetenschappen bloeien zonder goud, zonder geld? Heeft het geld den driemaster niet getuigd en geladen, die vol trots de zeeën doorploegt? En laat het geld den drijfriem niet suizen over het vliegwiel? Verbindt het goud niet de volken? Slaat het geen bruggen over den oceaan, en vlecht het niet om de vijf werelddeelen een sterken stevigen band?

Neen, het goud is een goede gave, en kan het niet helpen, dat de menschen er voor knielen, evenmin als de stralende zon het kan helpen, dat de inboorlingen van Midden-Afrika haar aanbidden, en evenmin als het sobere kaarslicht het kan gebeteren, dat de vlinder zijn vleugels zengt in zijn vlam.

In een der voornaamste straten van Johannesburg, waar boven de breede geopende deur met groote letters: »C. Harley & Co. limited" staat, moeten we zijn.

't Is druk op dit kassierskantoor. Onophoudelijk stroomen de menschen in en uit. Daartusschen hoort ge het geritsel van papier, en het gekletter van goud en zilver op de harde, marmeren toonbank.

Zie die menschen toch eens aan, die daar komen en gaan; het loont de moeite.

De voorste daar, die zoo juist tien gouden souvereins opstrijkt met zijn vuile handen, is een Kaffer. Ge kunt het wel zien aan den bouw van dien schedel, die zoo hard is als de gepantserde rug van een schildpad, aan dat zwart, gekroesd haar, aan dat donkerkleurig, bijna zwart gelaat en dien stompen neus.

Hij is op zijn Europeesch uitgedost. De lange panden van den jas, dien hij van een reusachtigen koetsier, in dienst bij een der goudkoningen, die hier wonen, heeft geschacherd, raken bijna den grond, en terwijl de ééne broekspijp buitensporig laag hangt, werkt de andere met succes de hoogte in. Een smerig eindje pijp steekt tusschen zijn dikke lippen, op den neus prijkt een bril met slechts één glas, en onder den arm draagt hij--van daag een totaal overbodige weelde!--een blauw geruite regenscherm.

Neen, liever dan dien opgedirkten Kaffer zie ik dan toch dien man daar achter hem, gekleed in het kunsteloos gewaad der woestijn, in den wijden, witten mantel, die los over zijn schouders golft, en het hoofd omhuld met den witten doek. Uit dat door de zon verbrand gelaat schitteren twee zwarte oogen, en de houding van dezen man verraadt iets vorstelijks--hij is immers ook een kind van Arabië, een zoon van Ismaël!

Hij zou u wat kunnen vertellen, als die gesloten, vastberaden lippen wilden spreken!

Negen keeren is hij met de karavaan door die ontzettende woestijn getrokken, die de Sahara wordt geheeten, maar met recht een gloedoven en een vallei des doods kan worden genoemd.

Dag aan dag en jaar aan jaar brandt en gloeit en zengt de zon aan den koperen hemel, en dag aan dag en jaar aan jaar kaatst het heete, brandende zand onder den voet van den bezwijkenden reiziger die gloeiende hitte terug.

Geen grasscheutje kan er groeien; geen druppel water wordt er gevonden. Wel kan het firmament plotseling worden verduisterd door zware wolken, doch het zijn geen wolken, die verkwikkenden regen geven; het zijn hoog oprijzende, door den Samum-storm opgewervelde en voortgestooten gele lawinen, stuivende zandbergen, die met de snelheid van den wind over de Sahara wentelen.

* * * * *

»Een check van zeshonderd pond op New-York!"

Onverschillig werpt de spreker, een zoon van het verre Westen, een lange knokige figuur met een echt Yankee-gezicht, een zak met goudgeld op de toonbank, en terwijl twee kassiersbedienden het geld natellen, houdt hij hen, met de handen in de wijde zakken van zijn gestreepte broek, en een Amerikaansch deuntje neuriënd, met zijn vlugge oogen in de gaten.

China en de Vereenigde Staten ontmoeten elkander hier. Of zou die man daar vóór u--hij zet zich juist neder op de bank onder het vensterraam--geen zoon zijn van het Hemelsche Rijk?

Zonder twijfel. Gij kunt het zien aan de lange haarvlecht op zijn rug, aan die scheve oogleden, aan dat sluw, geel gelaat.

* * * * *

Dàt brutaal gezicht, daar naast dien Australiër, behoort aan een Engelschen Jingo. Wis en zeker, aan een Jingo.

Met een minachtend gebaar neemt hij door het gouden lorgnet de omstanders op; met een zekere onverschilligheid hangt hij den elpenbeenen knop van zijn rotting op in het derde knoopsgat van zijn jas, van boven af geteld, en een spotlachje krult zijn lippen, als een vreemde klank zijn oor treft. Hij vindt het onzinnig, dat er nog menschen bestaan, die er een andere taal op na houden dan de zijne, de Engelsche taal, en hij zou ze af willen straffen met de rotting, die in het derde knoopsgat hangt van zijn jas.

Neem hem bedaard en goed op; het is leerzaam.

Na vele jaren, als de macht van Engeland zal zijn gebroken, als de trots van de koningin der zeeën in het slijk zal vertreden zijn, zal de weetgierige leerling vragen aan zijn onderwijzer: »Wat was de oorzaak van Engelands val?"

En de onderwijzer zal antwoorden: »De Jingo was de oorzaak van Engelands val."

En de leerling zal weder vragen: »Onderwijzer, wat verstaat gij onder den Jingo?"

En de onderwijzer zal met bedachtzaamheid antwoorden: »Onder den Jingo versta ik den man, die de Engelsche staatkunde in een verkeerde bedding heeft geleid, die met alle mogelijke middelen, zoowel geoorloofde als ongeoorloofde, het gebied van Engelands bezittingen poogde uit te breiden, en die ten slotte voor geen daden van geweld, list en verraad terug heeft gedeinsd, om dat doel te bereiken."

En de leerling zal nadenken over deze gewichtige woorden en nogmaals vragen: »In hoeverre is de Jingo de oorzaak van Engelands val?"

En de onderwijzer zal antwoorden: »De Jingo begon de Engelsche politiek te beheerschen, en zijn waan kende geen grenzen, zoodat hij met het trotsche hoofd tegen de wolken stootte. Maar de rechtvaardige God, Die alleen groot is, wilde dien trotschen waan niet langer gedoogen, en Hij liet den toorn der volken los tegen de eilanden in het noorden, en Engeland viel, en zijn val was groot!"

En de weetgierige leerling zal over die woorden peinzen, en er wijze lessen uit putten voor zijn eigen leven.

* * * * *

Dat menschenkind daarbij den muur is een Kroaat.

Hij heeft de leeren pet zoo vast op het hoofd alsof zij er op vastgemetseld is, en dat zijn roode, borstelige bakkebaarden in geen twintig jaar met een kam in aanraking zijn geweest, is een feit.

Van werken houdt hij niet, wel van boksen en vechten, en dat hij den zachtmoedigen Armeniër, die daar naast hem staat, met moedwil op de teenen trapt, is enkel te verklaren uit zijn onweerstaanbare zucht om te bakkeleien.

»En u?" vraagt de chef van het kantoor.

»Een wissel op Triëst--dertig pond!" brult de strijdlustige zoon van de Julische Alpen.

Maar de chef is aan die ruwe uitroepen gewoon. Het maakt hem koud noch heet.