De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96

Part 7

Chapter 73,938 wordsPublic domain

Elken keer dat de post aankwam, hield hij intusschen vol om naar een brief te vragen.

Hij hield het tien weken vol.

Toen gaf hij het op.

»Jack," zeide hij diep bedroefd, »mijn moeite is te vergeefs geweest."

»Ik heb het wel gedacht," lachte Jack; »je ouwe heeft een harden kop. Hij zou liever den nek breken dan jou terugzien--kom ga mee!"

»Waarheen?" vraagde Frits.

»Naar de kroeg van Tom--jenever is goed, om het verdriet te verzetten."

»Gij zegt daar zoo wat," meende Frits in plotselinge, onnatuurlijke luidruchtigheid, en hij volgde Jack Williams naar de kroeg, waaruit de afschuwelijke geur van jenever en tabakswalm hem reeds tegen kwam.

»Mij een borrel whiskey!"[10] riep Jack tot den kroeghouder, een grooten Kaffer, die achter de toonbank allerlei grimassen stond te maken.

[10] Sterke jenever.

»Ik geloof, dat het luie schepsel leelijk aangeschoten is," meende Jack, den borrel aannemend, en voor zich op een ruw tafeltje nederzettend.

»U ook een borrel, sergeant?" vraagde de kroeghouder.

»Een borrel? Neen, een bierglas vol en gauw wat!" beval Frits, »een groot bierglas--tot den rand gevuld!"

Jack keek zijn kameraad, die altijd zeer matig was, toch verwonderd aan.

»Je behoeft me niet zoo aan te kijken," zeide Frits met een wilden lach; »wat helpt een borrel? Ik moet een bierglas vol hebben! We willen vroolijk zijn, Jack, en drinken en ons verdriet verdrinken!"

Zoo had Arthur Bremer ook gesproken, die uit Kaapstad was gekomen, en als vrijwilliger had dienst genomen.

Wat er eigenlijk aan hem haperde, wist niemand, maar dat hij dronk, om zijn verdriet te verzetten, dat was zeker.

En John Harvee, van wien men fluisterde, dat hij een moord op zijn geweten had, en die eveneens als vrijwilliger in dienst was gegaan, had ook zoo gesproken. En als die Harvee dan in lange teugen den whiskey dronk, begon dat strak en menschenschuw gelaat, waarop het Kainsteeken zichtbaar was, te ontdooien, en hij had dol pleizier tot hij stomdronken was, en als een meelzak tegen den grond sloeg.

»Een glas whiskey, een groot glas, en gauw wat!" riep Frits, terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg.

Tom, de dronken Kaffer, zocht een groot glas, doch kon het niet vinden. Maar ginds in die oude kast, die tegen den muur hing, had hij nog een paar blikken bekers liggen.

Hij zocht naar een sleutel, want de kast was op slot.

»Zul je voortmaken, Kaffer?" bulderde Frits.

»Geduld, baassie, geduld!" zeide de kroeghouder met dubbel slaande tong, »en pas maar op, dat je niet van je stoel valt, baassie! want jij zit te draaien met je stoel, en de tafel draait, en de kroeg draait en de heele ratteplan begint te draaien!"

Jack Williams schaterde het uit, en Frits lachte mede. De jenever, dien hij nog niet had geproefd, scheen al te werken.

De Kaffer had echter den sleutel eindelijk gevonden en zeide: »Nu zal ik je helpen, baassie, maar nu moet je nog even geduld hebben, want de ouwe kast draait ook. Kijk, nu zal ik den sleutel zoo lang voor het slot houden, totdat het sleutelgat vlak voor den sleutel gedraaid is, en dan steekt Tom er den sleutel dekselsgauw in."

Hij had den sleutel eindelijk in het slot, grinnekte van pleizier, en haalde uit de ontsloten kast een blikken beker, dien hij met whiskey vulde en voor Frits Jansen neerzette.

»Nu, op je gezondheid," riep hij, de dikke, vuile lippen aan zijn eigen glaasje zettend, »op je gezondheid, baassie!"

Frits nam den beker en deed een teug.

Hij moest al weer aan dien ongelukkigen Arthur Bremer denken, die ook jenever dronk, om het verdriet te verzetten. Maar het gelukte Arthur Bremer niet, want al dronk hij veel, hij kon toch de pijn van binnen niet meester worden, en op zekeren keer, midden in het gevecht, sprong hij vooruit met de armen omhoog tegen den vijand in, en drie kafferspeeren maakten een einde aan het kloppen van dat onrustig kloppend hart.

Maar John Harvee had er toch beter slag van, om zijn hart tot rust te brengen. Hij zorgde er voor, dat hij niet nuchter werd, en hij stierf in delirium tremens.

Frits had hem zien sterven--nu twee maanden geleden.

Hij had daar gelegen in zijn krib met gebalde vuisten, woest rollende oogen en schuimbekkenden mond--neen, 't was geen sterven! Hij was _dood gegaan_ als een wild beest!

En Frits nam den beker op, en slingerde hem met zijn afschuwelijk mengsel ver van zich, in den hoek van het vertrek.

»Wat doe je nu?" vraagde Jack verbaasd.

»Kan ik het vuur, dat hier binnen brandt, blusschen met vuur?" was de wedervraag van Frits Jansen.

Hij wierp den dronken Kaffer een geldstuk toe, en zeide tot zijn kameraad, die zijn gedrag onbegrijpelijk vond: »Blijf!" En de eenzaamheid opzoekend, zette hij zich midden in het open veld neder op een harde klip, en snikte, dat het een steen zou roeren.

* * * * *

Op den brief aan zijn ouders heeft Frits Jansen nooit een antwoord ontvangen.

Het kon ook niet.

Toen Jack met den brief van Frits te Buluwayo was aangekomen, had hij den brief niet in de bus gestopt, maar--in de kachel. In dezèlfde kachel, waarin hij eenige weken vroeger een brief van tante Martje, aan Frits geadresseerd, doch door Jack aan het postkantoor afgehaald, had laten verdwijnen.

En toen hij den tweeden brief aan het vuur had prijsgegeven, had hij bij zich zelve gezegd: »De vromen zouden het wel een bijzondere bestiering noemen, dat beide brieven in mijne handen terecht moest komen," en hij had geschaterlacht.

HOOFDSTUK XIII.

Cesar aan den teugel, kwam Frits de officierstent voorbij.

Er stonden een groep militairen: officieren, onderofficieren en gewone vrijwilligers. Natuurlijk ontbraken de Kafferbedienden niet.

Luitenant Harreson hield een jongen, bruinen hengst bij den kop. De kranigste ruiters hadden hun rijkunst op den hengst geprobeerd, maar hadden hem niet klaar kunnen krijgen. Luitenant Harreson evenmin als de anderen.

Frits ging zwijgend voorbij. Trouwens de opgewektheid van den vroolijken boerenzoon van Waterfontein was al lang verdwenen.

»Probeer _jij_ dat beest eens," riep Jack Williams.

Jack was ook tot een zandruiter gemaakt, en gunde aan Frits van harte dezelfde nederlaag.

Doch Frits schudde het hoofd en ging door.

Wat raakte hem dat paard?

»Hij durft niet!" sarde Jack, luid genoeg, dat al de omstanders het konden hooren.

»Niet durven?" vraagde Frits.

Die spot prikkelde hem toch.

Hij wenkte een Kaffer.

»Breng Cesar naar den stal," kommandeerde hij.

Nu wendde hij zich tot luitenant Harreson.

»Mag ik het paard eens probeeren, luitenant?"

»Ga je gang," zeide de luitenant, »maar pas op--het beest heeft leelijke nukken."

Frits zat reeds in het zaâl, doch nauwelijks had de hengst den druk op zijn rug gevoeld, of hij wierp zich van achter wild omhoog, boog den nek, en de jonge Boer buitelde over den kop van het paard tegen den grond.

»Daar gaan de Transvaalsche Boeren!" spotte Jack Williams, en er klonk een luid en algemeen gelach.

Frits had zich weinig bezeerd, behalve dat hij met het voorhoofd op een scherpen, harden steen was gevallen.

Hij had een kleine, diepe wond opgeloopen; hij voelde die wond echter niet eens, maar _wel_ voelde hij het spottend woord van zijn kameraad, en een hem geheel vreemd, maar machtig en onweerstaanbaar gevoel greep hem aan en joeg het bloed door zijn aderen.

Toch, al was hij het zich nooit bewust geweest, dit gevoel had altijd gesluimerd in zijn borst. En de spot van Jack Williams had slechts teweeggebracht, wat de stormwind teweegbrengt, als het vuur, smeulende onder de asch, aanblaast tot lichtelaaie.

Hij keek Jack even aan met een flikkering in de oogen.

»Ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen; ook door jóu niet," zeide hij met harde stem.

Vervolgens wendde hij zich tot luitenant Harreson.

»Luitenant, ik zal het nog eens probeeren!"

»Laat het maar," zeide de officier op welwillenden toon; »het beest _is_ niet te regeeren. Trouwens, Jansen, ge bloedt; ga naar de ambulance en laat je verbinden!"

»'t Is slechts een schram van de huid," meende Frits, wien het bloed over de wang sijpelde.

»Nu," zeide de officier, »à la bonne heure--zooals ge wilt!"

»Ik behoef hem toch niet te ontzien, luitenant?"

»Ga je gang maar--'t is een duivel!"

Frits zeide tot één der in de nabijheid staande Kaffers: »Ontdoe hem van zaâl en stijgbeugels!"

't Ging niet gemakkelijk, maar ten slotte gelukte het toch.

De hengst stond nu met snuivende, wijdgeopende neusgaten, de kleine ooren plat tegen den nek.

De zware, stalen gebitstang knarste tusschen zijn sterke tanden.

Frits klopte hem vriendelijk op den hals, en keek hem in de schuwe met bloed doorloopen wild fonkelende oogen.

»Koest bruine," zeide hij met rustige maar vaste stem: »sta!"

Doch de hengst wierp den kop weerbarstig omhoog, steigerde en scheen den jongen Boer, die hem vasthield aan den teugel, van zich af te willen schudden.

Doch Frits begon thans warm te worden, en met een harden ruk trok hij het paard omlaag.

»Zooals ge wilt," zeide hij tusschen de tanden door--»jij of ik!"

De kleine blauwe ader aan zijn rechterslaap zette op; hij geleek in dit oogenblik weer sprekend op zijn vader, die wel breken maar niet buigen kon.

»Ik zou 't maar opgeven," meende luitenant Harreson.

»Opgeven?" riep Frits Jansen, »opgeven?"

Met éénen sprong zat hij op den rug van het woeste beest.

»Uw karwats, als ik vragen mag!" zeide hij.

De luitenant wilde ze hem aanreiken, doch er was geen kans, want het dier scheen thans wel dol geworden. Drie keeren wierp het den kop omlaag, de achterpooten hoog in de lucht. Doch het miste zijn doel. De vermetele ruiter scheen vastgeklonken op zijn rug. Toen steigerde het op zijn achterpooten recht omhoog--het was een ijzingwekkend gezicht--de Kaffers stoven als kaf op zij.

»Daar komt een ongeluk van," riep Harreson; »de hengst slaat achterover!"

Inderdaad verloor het paard zijn evenwicht, en ros en ruiter sloegen tegen den grond.

Frits was ongedeerd; snel was hij overeind, maar de hengst sloeg met vreeselijke kracht zijn sterke achterpooten uit. Hij was blijkbaar van plan, om zijn tegenstander dood te slaan, en het scheelde weinig, of hij had hem geraakt.

Luitenant Harreson reikte aan Frits Jansen zijn karwats, eene uit zwaar buffelleer gevlochten, harde roede, en Frits sprong weer op den rug van het ontembare dier.

Een ritmeester naderde de toeschouwers.

»Wie is die jonge man?" vraagde hij belangstellend.

»De zoon van een Transvaalschen Boer," antwoordde Harreson.

»Er zit staal in dien kerel," zeide de ritmeester.

»Ik begrijp niet, dat hij 't niet opgeeft," zeide een tweede luitenantje, een klein, pieperig ventje met een magere snor.

»De Transvaalsche dikkoppen zijn stijfkoppen," meende een militaire arts.

»Binnen drie minuten heeft hij den nek gebroken," beweerde een eerste luitenant, een groote kerel met een rooden baard, die zich bij de groep voegde.

»Dat zit nog," zeide Harreson droogjes.

»Wedden?" vraagde de roodgebaarde; »vijftig pond tegen dertig, dat de Boer het binnen drie minuten _moet_ opgeven!"

Luitenant Harreson antwoordde niet; het spannend tooneel daar voor hem trok te zeer zijn aandacht.

Nogmaals trachtte de hengst zijn ruiter af te werpen, doch bij de eerste poging kwam de buffelleeren karwats met onbarmhartige kracht langs zijn zijden neer.

Het paard staakte zijn pogingen.

»Voorwaarts!" kommandeerde de ruiter.

De hengst bleef op de plek staan.

»Voorwaarts!" riep de ruiter nog eens, en terwijl zijn karwats door de lucht gierde, drukte hij de sporen diep in de zijden van het dier, dat het bloed te voorschijn kwam.

Daar deed de hengst een sprong--en nog een sprong--en daar suisde hij, met zijn onverbiddelijken ruiter op den rug, als een pijl uit den boog de vlakte op.

Gillend stoven de Kaffers op zij.

De hoed waaide den vermetelen ruiter van het hoofd--wat gaf die hoed?

Vol verbazing staarden de toeschouwers ros en ruiter na, totdat zij niets meer zagen dan een kleine stip.

Frits Jansen had het woeste dier thans volkomen in bedwang; het had zijn meester gevonden.

Hij trok aan den teugel, en liet het paard omkeeren, en toen hij weer bij de officierstent was gekomen, liet hij den hengst een grooten kring beschrijven: eerst langzaam, stapvoets; vervolgens in een matigen draf, en ten slotte in galop. Doch midden in den snelsten galop pareerde hij het paard vlak voor de groep officieren, en het gehoorzaamde met de stiptheid van een gedresseerd paard.

Maar het schuim spatte van zijn flanken, en het trilde over al zijn leden.

En terwijl officieren en omstanders vol bewondering losbarstten in een luid hoera, sprong de kranige ruiter van het paard.

Het golvende haar zat vastgekleefd aan zijn voorhoofd door het bloed, dat drupte uit de wond, en zijn wangen waren bleek. Maar zijn blauwe oogen schitterden, en met de hand salueerend, zeide hij met zijn heldere stem: »Mijne Heeren, ik dank u voor uwe vriendelijkheid, en," voegde hij er bij, den vinger uitstrekkend naar Jack Williams, op dreigenden toon: »ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen door laffe spotters!"

Toen ging hij tusschen de omstanders door, die eerbiedig ruimte maakten, en hij verliet het terrein als een koning.

HOOFDSTUK XIV.

Van de school van het meesterke, de afgetimmerde ruimte in Jansen's achterhuis, was natuurlijk niets overgeschoten dan asch en gruis.

Ook de boeken en kaarten waren bijna allen verbrand.

Het meesterke was dus een kapitein geworden zonder schip, en de gedwongen werkeloosheid deed bij den anders zoo versaagden jongeling een stoute en moedige onderneming rijpen.

Moeder Jansen was bezig aan haar huiselijk werk, en zat in de schaduw van de gespannen tent, die tot tijdelijke woning dienst deed, toen het meesterke haar naderde met het verrassende plan: »Tante Martje, ik ga naar Rhodesia."

»Naar Rhodesia?" vraagde moeder Jansen verwonderd.

»Ja," zeide hij, »ik heb in het dorp het adres ontvangen van een Afrikaanschen Boer, die zich in Rhodesia heeft gevestigd en voor zijn kinderen een onderwijzer zoekt. Ik zal me daarvoor aanmelden en tevens Frits opzoeken."

»Meesterke!" riep moeder Jansen in blijde verbazing, »durft gij die reis aan?"

»Ja," zeide hij, »ik durf het, als Oom Reinard mij Jakob tot gids meegeeft."

Jakob was een Kaffer, sedert eenige weken bij Jansen in dienst en afkomstig uit Rhodesia.

»Mijn man zal op mijn verzoek Jakob wel afstaan," meende tante Martje, »maar ik verwonder me, dat ge die reis aandurft."

Het meesterke sloeg de zachte weemoedige oogen op tot de vrouw des huizes.

»Ik doe het uit dankbaarheid en liefde," zeide hij eenvoudig.

Zij drukte het meesterke de hand, en de heldere tranen kwamen in haar oogen.

Ach, het waren de eersten niet!

Er was geen dag voorbijgegaan, dat zij niet had geschreid, en dat zij niet in de eenzaamheid met roepen en smeeken zich had gewend tot God om haar kind!

Doch ge zoudt Reinard Jansen onrecht doen, wanneer ge meendet, dat hij het verlies van zijn kind minder gevoelde dan tante Martje. Hij had het in der daad nog moeielijker dan zijn vrouw, want geen traan bedauwde zijn brandende oogen en verlichtte zijn pijn. En als hij alleen was op het open veld, door niemand bespied, dan gebeurde het meer dan eens, dat hij het vest openscheurde boven zijn breede borst, om lucht te krijgen.

Nooit kwam de naam van Frits meer over zijn lippen, doch die naam brandde in zijn ziel: arbeidend of rustend, wakend of droomend, dag en nacht....

* * * * *

Intusschen zou het meesterke twee dagen nadat hij het plan had gemaakt, de reis aanvaarden.

De kleine, muisvale poney stond reeds gepakt en gezadeld, en Jakob zou dienen tot gids.

Reinard Jansen had het meesterke de reis niet aangeraden en niet afgeraden. Het scheen hem totaal onverschillig te zijn.

Hij was juist bezig in de wagenschuur, die door het vuur was gespaard gebleven, een loslatenden ijzeren tand te bevestigen in de zware egge, toen het meesterke kwam afscheid nemen.

»Het ga je goed," zeide Jansen en reikte hem de hand.

Aarzelend bleef het meesterke staan en legde de hand op de egge.

»Hebt ge nog iets?" vraagde baas Jansen op zijn korte manier.

»Hebt _gij_ nog iets?" was de moedige wedervraag.

»Neen," zeide baas Jansen kortaf.

»Geen woord voor Frits?"

»Geen woord!"

»Het is uw kind!" smeekte het meesterke.

»Geweest!" riep Jansen met harde stem.

Bedroefd ging het meesterke heen, maar toen hij was vertrokken, ging de Boer naar buiten, tuurde hem na, totdat de kop van de kleine poney, waarop het meesterke reed, verdween achter de eerste heuvelkam, en sloot zich toen op in de wagenschuur, en at noch dronk den ganschen dag.

Ja, die Jansen was een stugge, onverzettelijke natuur, met een hart, dat breken maar niet buigen kon, en als God het niet verhoedde, dan zóu het breken om het wee over zijn eigen kind!

HOOFDSTUK XV.

Het meesterke was met Jakob, zijn gids, al eenige dagen onderweg. Hij had de Transvaalsche grens reeds lang achter den rug, en was zoo gelukkig geweest, elken nacht een onderkomen te vinden onder het gastvrije dak van een Afrikaanschen Boer.

De hoop echter, dat hij nog heden avond de plaats van zijn bestemming zou bereiken, zou niet worden vervuld. Immers hij was volgens Jakob's verzekering, die het weten kon, nog verscheidene mijlen van het doel zijner reis verwijderd, en de avond begon reeds te vallen.

Er schoot dus niets anders over dan hier langs den grooten weg halt te houden en onder den blooten hemel te kampeeren.

Nu, voor den Afrikaanschen Boer is dat niet erg. Of het rieten dak van een boerenhuis of de schitterende sterrenhemel van Afrika zich welft boven zijn hoofd--hij maalt er niet om.

Doch het meesterke had een vreesachtige natuur, en het gehuil van een roofdier in de verte vervulde zijn hart met angst.

Hij maakte zich echter voorbarige zorgen, want juist de persoon, om wien hij bovenal dezen tocht had ondernomen, was in de onmiddelijke nabijheid.

* * * * *

Juist was de poney afgezadeld, toen de klank der trompet weerklonk, en een troep ruiters kwam aanrijden.

Het was een sterke patrouille van Rhodes' cavalerie, die onder aanvoering van luitenant Harreson een militaire tocht door het binnenland maakte.

Zoowel Frits Jansen als Jack Williams behoorden tot de patrouille, en heftig en luide klopte het hart van Frits, toen hij den kleinen, muisvalen poney zag grazen, en in het harde, spichtige gras, tegen den stam van een eenzamen wilgeboom, het meesterke gewaar werd.

Doch ook het meesterke had, in spijt van diens militaire kleeding, den zoon van baas Jansen herkend.

Onmiddellijk wendde Frits Jansen den teugel, en reed naar den bevelvoerder.

»Luitenant," zeide hij, »ik zie daar een mijner kennissen; mag ik hem spreken?"

»Dat bleeke ventje daar?" lachte de Luitenant. »Ga je gang! Daar ginds op die heuvelen zullen wij ons kamp opslaan, en gij krijgt tot morgen vroeg verlof!"

Frits liet zich dit geen twee keeren zeggen, en haastte zich, om bij het meesterke te komen.

Het was een recht hartelijk, roerend wederzien, en de jonge Boer, die den weerbarstigen hengst zoo onbarmhartig had gestriemd, had al zijn zelfbeheersching noodig om meester te blijven van zijn gevoel.

»En hoe maakt het Vader?" was zijn eerste vraag.

»Hij is gezond," antwoordde het meesterke.

»Heeft hij nog een boodschap voor mij meegegeven?" vraagde Frits aarzelend, maar vol spanning.

Het meesterke echter werd bij deze vraag bedroefd en schudde het hoofd.

Er volgde een korte, pijnlijke pauze, doch het meesterke legde zijn zwakke hand op Frits Jansen's breeden schouder, en terwijl hij hem aankeek met zijn zachte oogen, hernam hij: »Verzoen u met uw vader!"

»Dat _wil_ ik!" riep Frits op hartstochtelijken toon.

»En vraag hem vergiffenis voor uw optreden op dien noodlottigen namiddag, toen gij van Waterfontein gingt!" zeide het meesterke.

»Ik wàs te heftig," zeide Frits; »Ik vergat den eerbied, dien ik aan mijn vader ben verschuldigd, en het doet mij meer leed dan ik zeggen kan."

»En al kunt ge Waterfontein niet meer uit zijn asch te voorschijn roepen--" zeide het meesterke.

»Wat bedoelt ge?" vraagde Frits Jansen met groote oogen.

»Ik bedoel die brandstichting," zeide het meesterke schoorvoetend.

»Wèlke brandstichting?" riep Frits in klimmende verbazing.

»Wèlke brandstichting?" zeide het meesterke met zijn zachte stem, maar er lag een stil en klagend verwijt in zijn woorden: »Frits, hoe kunt ge dat vragen! Ik bedoel dat gij uw daad, de brandstichting op Waterfontein niet ongedaan kunt maken, doch gij kunt uw vader om vergiffenis vragen."

Maar het gelaat van den jongen Boer was bij deze woorden zoo wit geworden als de witte kelk der veldbloemen aan zijn voeten.

»Ligt Waterfontein in de asch? En ben ik de dader? _Ik?_"

Hij sprak deze woorden niet uit,--hij _schreeuwde_ ze uit.

Het meesterke sloeg de oogen neer, en Jakob, die op eenigen afstand wat hout bijeensprokkelde, om een vuur aan te leggen, keek verwonderd op.

Doch Frits kwam allengs tot eenige kalmte.

»Wie heeft het gezien?" vraagde hij langzaam.

»Hector," antwoordde het meesterke.

»Zóó--die leugenaar!" riep Frits met bittere verachting; »en die wordt geloofd!"

»Schaap heeft het ook gezien," zeide het meesterke.

»Zóó--een tweede exemplaar van hetzelfde soort!" barstte Frits Jansen los met een wilden lach.

»En Eliëzer heeft het gezien," zeide het meesterke.

»Eliëzer?" vraagde Frits met schrik: »Eliëzer?"

»Ja," bevestigde het meesterke.

Toen bestierf de wilde lach op Frits Jansen's gelaat, en zijn brandende oogen staarden verbijsterd naar de verte.

Plotseling bleef hij, met gekruiste armen, voor het meesterke staan.

»Gelooft ge, dat er een God bestaat?" vraagde hij met heesche stem.

»Ja, dat geloof ik," zeide het meesterke vol eerbied.

»En dat Hij almachtig is en rechtvaardig?"

»Ja," zeide het meesterke: »almachtig, rechtvaardig en genadig!"

»En als ik nu die monsterachtige daad _niet_ heb begaan, zal Hij dan mijn onschuld aan den dag brengen?"

»Ja," zeide het meesterke met ernst en volle overtuiging, »dat zal Hij doen vroeg of laat, op _Zijn_ tijd!"

»Ik geloof het ook," zeide Frits met een bedaardheid, die wonderlijk afstak bij zijn hartstochtelijkheid van zoo even; »ik geloof het ook, en als ik het niet geloofde, dan nam ik den loop van dit geweer in mijn mond, en maakte aan de foltering een snel einde!"

»Dus gij zijt onschuldig aan den brand?" vraagde nu het meesterke, op _zijn_ beurt verbaasd, doch deze vraag drong den ongelukkige als een pijl in het hart.

»Moet ge _dat_ nog vragen?" zeide hij, nu niet wild, maar met een eindelooze smart in zijn stem: »meesterke, moet _gij_ dat nog vragen?"

Deze uitroep echter ontroerde de ziel van het meesterke, en gevolg gevend aan een plotselinge ingeving, zeide hij: »Frits, mijn vriend, ga mee!"

Hij nam den ongelukkige bij de hand en leidde hem naar een kreupelbosch in de nabijheid. En het meesterke knielde neer, en ook Frits Jansen knielde neer. En het meesterke, dat kind der smarte, goot zijn ziel uit voor God en bad voor Frits Jansen. En dit zacht gesproken gebed was als balsem op de brandende wonde, en als olie op de hooggaande golven in Frits Jansen's gemoed.

HOOFDSTUK XVI.

Het was nu donker geworden, en de sterren tintelden aan het firmament.

Jakob had zich geweerd; een lustig brandend vuur vlamde de komenden tegemoet, en uit het verre kamp op de heuvelen klonk vroolijk trompetgeschal.

»Cesar, kom!" riep Frits Jansen, en het trouwe paard, dat liep te grazen, naderde zijn jongen meester.

Frits ontlastte het van den teugel, gebit, zadel en bagage. Het paard had nu zelfs geen helster aan. Waarom ook? Het gehoorzaamde zijn baas met de trouw van een hond.

Uit de bagage zocht de jonge Boer nu een ijzeren drievoeter, een kruik, een keteltje, een bus en een kommetje.

Hij plaatste den drievoeter boven het vuur, vulde het keteltje met water uit de kruik, en toen het water kookte, schudde hij er koffie in uit de bus.

»Nu zullen we koffie drinken," zeide hij, »doch de melk is op."

»Die heb ik," zeide het meesterke, innig verheugd, dat zijn vriend wat kalmer was geworden.