De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96

Part 6

Chapter 63,929 wordsPublic domain

»Is dat je laatste woord?" vraagde de oude Jansen.

»Ja," zeide hij met harde stem.

»Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat de Heere, uw God, u geven zal!" zeide tante Martje met plechtige stem, doch haar woord verwaaide in den storm der hartstochten als het woord in de wijde wildernis, waar het geen echo vindt.

»Dan er uit," riep Jansen, »en kom niet meer onder mijn oogen!"

Reeds strekte hij de hand uit naar zijn zoon, maar deze wendde zich haastig om, en terwijl hij luide riep: »Dat geeft een ongeluk!" verliet hij Waterfontein in hittigheid des toorns.

Jack wilde hem na, doch Reinard Jansen keerde hem op.

»Ik wil je nog even zeggen," zeide hij op gedempten toon, tusschen de tanden door, »dat ik jouw spotlach wel heb opgemerkt, en het hindert me vreeselijk, dat Frits meer ontzag heeft voor jouw spot, dan voor mijn vaderlijk woord. Jij, _jij_ bent zijn ongeluk, zijn Judas--zijn duivel! Jij hebt mij een kind armer gemaakt--_jij huichelaar_!"

Jack, door deze uitdrukkingen in zijn hoogmoed diep beleedigd, antwoordde op onbeschoften toon:

»Ik heb met jouw praatjes niks te maken; laat me door!"

»Kijk," zei baas Jansen met snijdenden hoon, »zoo hoor ik je liever dan met die vriendelijke woordjes, die je toch niet meent. Maar gij zijt tienmaal slechter dan Frits, ja tien- en twintigmaal slechter, want _gij_ hebt hem verleid. En jij verdiende met de ossenzweep afgeranseld te worden, zooals jij je Kaffers afranselt, maar ik zal mijn handen niet aan je vuil maken. Hier--maak dat je weg komt! En kom nooit meer over mijn drempel!"

Hij greep Jack bij den schouder, en slingerde hem, onder de oogen van eenige Kaffers, die in den boomgaard bezig waren met vruchten te plukken naar buiten.

»Nooit weer over mijn drempel!" riep Jansen nog eens.

»Neen," zeide Jack Williams met een grimmigen vloek, »over dien drempel zal ik nooit meer komen--dat zweer ik!"

* * * * *

Er zat geen vroolijk gezelschap aan het avondeten.

Tante Martje had roodgekreten oogen, en op het gelaat van baas Jansen lag een diepe plooi van smart en verontwaardiging.

De twee oudste dochters bedienden zwijgend, nu en dan tersluiks een bezorgden blik werpend op hun ouders, de tafel, en de kleine Cornelia vermaakte zich met den grooten Sultan, dien zij nu en dan een stuk brood in den breeden muil wierp.

Toen het avondeten was geëindigd, zette het meesterke zich aan het orgel, om zooals gewoonlijk een psalmvers te spelen, doch niemand zong mee.

De tafel was spoedig afgeruimd. Baas Jansen ging nog even naar buiten, keek om het huis, of alles in orde was, en schoof den zwaren grendel voor de huisdeur.

Reeds vroegtijdig ging men ter ruste.

Het was, alsof er een doode was uitgedragen....

De schaduw van Cecil Rhodes viel op Waterfontein....

HOOFDSTUK X.

Er was misschien een uur verloopen--Jansen noch zijn vrouw hadden nog een oog gesloten--toen luid en angstig het geroep van »brand, brand!" over het erf weerklonk.

Onmiddelijk rees Jansen overeind, schoot eenige kleedingstukken aan en liep naar buiten.

Reeds in den gang merkte hij walm en rook.

Nu was hij buiten.

In de nabijheid stonden een paar Kaffers, hieven de handen weeklagend omhoog en riepen: »O baas, nu brandt Waterfontein af."

Het rieten dak stond in brand, en hulde het huis als in een reuzenmantel van vuur.

Uit het achterhuis sloegen de vlammen reeds hoog uit.

»Haalt de ossenwagens uit de schuren, en rijdt ze op het open veld!" beval Jansen aan de Kaffers, terwijl hij hen voorbijsnelde, terug naar het voorhuis.

Zijn vrouw kwam hem reeds tegen, met eenig huisraad in haar handen.

»Zijn onze kinderen in veiligheid?" vraagde Jansen.

Tante Martje knikte bevestigend.

»En het meesterke?"

»Ja," zeide zij.

Toen ijlde Jansen in groote sprongen naar de stal, vanwaar het angstig gehinnik der paarden hem tegenklonk.

De staldeur was van binnen gesloten. Met één voettred had hij ze ingetrapt. Hij sprong naar binnen, op den voet gevolgd door Eliëzer, zijn meest vertrouwden Kaffer.

De paarden gingen vreeselijk te keer; zij sloegen met de pooten, rukten wild aan hun helsters, en de rook en de neervallende vuurvonken maakten hen razend van angst.

Met levensgevaar drongen baas Jansen en zijn knecht tusschen de paarden in, sneden de helsters met hun zakmessen door en joegen de woest geworden dieren naar buiten.

Met buitengewone snelheid greep het vuur intusschen om zich heen. Het had in geen weken geregend, en het gebouw was kurkdroog. Een regen van vonken daalde neder en maakte den naasten omtrek onveilig. De vlammen sprongen over op twee kleinere schuren en bedreigden het wagenhuis, terwijl de met stroo gedekte, achter op het erf staande Kafferhutten bij een gering draaien van den wind een prooi moesten worden van het vernielende element.

Er heerschte op het erf, verlicht door den rossigen gloed der stijgende vlammen, een onbeschrijfelijk tooneel.

De uit de kralen[8] losgelaten beesten joegen, loeiend en bulkend, schuimbekkend van angst, voorbij, in hun loop gestuit door wild geworden paarden, die met wijd opgesperde neusgaten en rillende flanken telkens tegen het vuur indrongen. Daartusschen klonk het geblaat van schapen, het gegil van kleine Kafferkinderen, het luid geschreeuw der Kaffers en de knal der lange ossenzweep.

[8] Veestallen, van boven open.

Baas Jansen had intusschen geen oogenblik zijn koelbloedigheid verloren, en boven het geschreeuw der Kaffers en het knetteren der vlammen klonk zijn geweldige stem.

Daar naderden een achttal Transvaalsche boerenzonen. Zij waren op den terugweg van een schietwedstrijd, en hadden in de verte den brand bemerkt.

Ofschoon hun weg niet langs Waterfontein liep, hadden zij toch onmiddelijk den teugel gewend, en waren dwars over het open veld in den snelsten draf op het vuur aangereden. Aan de windvrije zijde van de brand hadden zij op behoorlijken afstand hun paarden vastgebonden, en kwamen nu, om baas Jansen in zijn nood bij te staan.

Dat was gewenschte hulp, en helder straalde het oog van baas Jansen, toen hij die wakkere jongens in het gezicht staarde.

»Ziet de schuur te houden!" zeide hij, op het wagenhuis wijzend.

Reeds had ze vuur gevat.

Twee man klauterden het dak op, en de anderen droegen het water aan uit den nabij gelegen vijver.

Een zee van vonken daalde neder op de moedige Boeren, maar zij gaven het niet op, doofden het vuurvattende riet met water, of sloegen de beginnende vlam uit met lange stokken, en kropen, toen hun kleeren begonnen te smeulen, als waterratten in den vijver.

»Zoo gaat het goed--uitstekend!" riep baas Jansen moed scheppend, doch plotseling pakte hem de angst.

»Waar is mijn vrouw?" vraagde hij aan een in de nabijheid staanden Kaffer.

»Ik wilde u juist zeggen," antwoordde deze, »dat zij zoo pas het voorhuis is ingegaan en nog niet is teruggekomen."

Op dit oogenblik kwam Kasper, een der jonge Boeren, aanloopen.

»Oom," zeide hij, terwijl hij zich het zweet van het gezicht veegde, »het wagenhuis kunnen we houden, en er zijn nu manschappen genoeg--hebt ge nog iets voor mij te doen?"

Doch baas Jansen hoorde het niet.

Juist rende Eliëzer voorbij.

»Eliëzer, hebt gij mijn vrouw niet gezien?" vraagde hij in klimmende ongerustheid.

»Is ze nog niet terug uit het voorhuis?" vraagde de knecht.

»Ik kan ze niet vinden," zeide Jansen.

Ook zijn kinderen wisten niet, waar zij was.

»Dan zal ik ze halen," zei Jansen vastberaden; »zij moet in het voorhuis zijn."

Reeds lekten de vlammen aan de deurposten.

Op dit oogenblik trad Kasper den Boer in den weg.

»Laat mij uw vrouw zoeken," smeekte de dappere jongen, doch Jansen schudde het hoofd.

»Ik ken uw huis evengoed als gij," zeide Kasper.

Baas Jansen keek hem aan en zeide met bewogen stem: »Neen, mijn jongen, dat moogt ge niet doen. Ik zal het doen."

Tegelijkertijd ijlde hij reeds den gang in, die vol rook was. Doch die rook hinderde hem nog niet zooveel, daar deze de eigenschap heeft, omhoog te stijgen, en de Boer kruipende zijn weg zocht.

Op den tast vond hij de trap naar het slaapkamertje, waaronder de kelder was.

»Martje," riep hij, »Martje!" doch hij kreeg geen antwoord.

Hij zocht het kamertje al tastende af, want zien was onmogelijk.

Daar greep hij een bundel kleeren, en daarnaast--de kleeren in den arm--lag zijn bewustelooze vrouw.

Baas Jansen had wel een juichkreet kunnen slaken, want hij voelde het kloppen van haar hart.

Snel nam hij haar op, om van deze gevaarlijke plek te komen. Reeds vielen stukken vuur op hen neer; slechts met moeite kon hij de vuurvattende kleeren dooven.

Nu was hij weer in de gang.

Nog eenige stappen en--hij was gered.

Daar hoorde hij boven het geruisch der vlammen uit een vreeselijken angstkreet, en de waggelende voormuur stortte voor zijn verbijsterden blik tegen den grond.

Waar anders de deur was, gloeide en vlamde nu een zee van vuur. Hij moest terug, om de gangdeur van het woonvertrek te vinden, daar het raam van het woonvertrek gelegenheid bood om naar buiten te komen.

Hij bereikte de gangdeur en opende ze. Doch hij had zich in de deur vergist, en staarde in het achterhuis, van waar de vlammen hem in het gezicht sloegen.

Hij sloeg de deur dicht en verbrandde zich de handen aan het reeds smeulende hout.

Doch ook in dit vreeselijke oogenblik behield hij zijn tegenwoordigheid van geest. Kruipend tastte hij met de vrije hand langs den muur--rechts--de rook dreigde hem thans te verstikken--maar hij bereikte de gewenschte deur.

Zij was op de klink en gauw geopend.

En dáár was het reddende raam!

Maar zijn gedachten begonnen zich thans te verwarren; hij begon te duizelen.

»Almachtige God, help mij!" kwam het steunend uit zijn breede borst.

De dichte rook dreigde hem het bewustzijn te ontnemen; hij voelde zijn krachten verlammen, doch twee sterke handen grepen thans van buiten in de houten spijlen van het raam, en rukten hen uit hun sponningen.

In het volgende oogenblik hadden die handen baas Jansen en zijn kostbaren schat gegrepen, en Jansen en zijn vrouw waren gered.

De ijzersterke natuur van den Boer was door de buitenlucht weer onmiddellijk op haar verhaal, en hij staarde zijn redder in het gelaat.

»Kasper," zeide hij bewogen, »God zal het je loonen, ja, dat zal hij!" en hij reikte hem de hand.

Nu bracht de Boer zijn vrouw in veiligheid, die spoedig haar bewustzijn terug had. Hij wierp een blik op de kleeren, die hij bij haar had gevonden--het waren de kleeren van haar zoon Frits, waarvoor zij haar leven had gewaagd.

Jansen riep zijn vertrouwden knecht.

»Eliëzer," zeide hij bedaard, »ik denk, dat binnen vijf minuten het buskruit in het achterhuis vuur zal vatten. Het is wel gedekt met zware ossenhuiden, doch die huiden zullen niet langer weerstand kunnen bieden."

»Ik heb er daar straks nog vier ossenhuiden over heen gesjord," antwoordde de Kaffer.

»Laat me je handen eens zien," zeide baas Jansen.

Eliëzer liet ze zien--ze waren bedekt met brandwonden.

Zelfs zijn haar was verschroeid.

Toen strekte baas Jansen zijn eigen verschroeide handen omhoog en riep: »Zoo waarachtig als ik leef, Eliëzer, ik zal dezen nacht en jouw trouw niet vergeten!"

Nu gaf hij bevel, dat alle man zich van het erf terug zou trekken.

»Als het dak instort," zeide Jansen, »dan gaat het buskruit ook!"

Men verzamelde zich achter in den boomgaard; moeder Jansen rustte op een snel in gereedheid gebracht bed in een ossenwagen, door haar dochters opgepast.

Zwijgend gingen eenige minuten voorbij.

Daar stortte het dak van Waterfontein in....

Er volgden twintig seconden van ademlooze spanning, en daar--daar kwam een slag, alsof de aarde zou barsten en de hemel zou scheuren--tien duizend vlammende vuurgarven schoten omhoog--de gansche omtrek baadde zich in een zee van licht--Waterfontein was herschapen in een vuurfontein--en luid donderend antwoordde de echo der bergen!

HOOFDSTUK XI.

Reeds is de morgenster verbleekt en de zon gaat op boven de verwoesting.

Een twintigtal mannelijke Kaffers--arbeiders en knechten op Waterfontein--staan bij de gehavende doch door het vuur gespaarde wagenschuur.

Baas Jansen heeft hen bij die schuur bescheiden, en hij zal gericht houden over zijn volk.

Langzaam nadert hij de groep.

Zijn gelaat is een tint bleeker dan gewoonlijk; zijn rosachtige baard is gezengd, en het grijzende hoofdhaar geschroeid.

Beide handen zijn met doeken omwonden.

»Jullie hebt den brand gezien, die Waterfontein heeft verwoest," zegt hij; »wie kan mij de oorzaak aanwijzen van den brand?"

Niemand zegt een woord.

»De brand is niet van binnen in het huis aangekomen," gaat hij nadrukkelijk voort, terwijl zijn blikken vorschend gaan over den groep daar voor hem.

»De brand is van buiten ontstaan," zegt hij met groote zekerheid; »bij het achterhuis. Er is een--misdaad in het spel!"

Hij wacht even.

Twee, drie Kaffers staan met elkander te fluisteren.

»Zeg jij het," zegt de ander.

»Doe jij het," zegt de ander.

Doch terwijl Eliëzer zich omkeert, en hen aankijkt met zijn zwarte oogen, verstommen de fluisteraars.

Aan Jansen's scherp gehoor is dat gefluister echter niet ontgaan.

»Hector en Schaap, komt eens hier," beveelt hij op strengen toon.

Zij naderen hem, doch voor zijn flikkerenden blik slaan zij de oogen neer.

»Wie heeft den brand veroorzaakt?" vraagt hij, en Hector antwoordt: »De jonge baas heeft het gedaan."

»Frits?" vraagt de Boer, en Hector en Schaap antwoorden beiden: »Ja."

Jansen houdt zich vast aan den stam van den kastanjeboom naast zich, die zijn verbrande en verkoolde takken spookachtig omhoog steekt.

Hij is van binnen als die boom--verbrand, verkoold, vernietigd.... en met ontzetting denkt hij aan het woord van Frits van gisteravond: »Dat geeft een ongeluk."

Maar het _kan_ niet waar zijn.

»Kaffers, ge liegt het," roept hij met ruwe stem, »ge zijt leugenaars!"

Inderdaad staan Hector en Schaap voor leugenaars bekend, doch Hector zegt: »Ouwe baas vraag het aan Eliëzer!"

Jansen wenkt den genoemde.

Met loome schreden nadert Eliëzer zijn heer, en op zijn donker gelaat ligt een groote droefheid.

»Eliëzer," zegt Jansen, »vertel mij, wat gij er van weet!"

»Baas," zegt de Kaffer, »als een voerman een jong, schichtig paard heeft, behoort hij dan niet naar zijn paard te kijken?"

»Ga voort," zegt Jansen.

»En als hij niet naar dat jonge, edele paard kijkt, maar hij kijkt een anderen weg uit, en het jonge paard slaat aan 't hollen, en de wagen stoot tegen de klippen stuk--wiens schuld is dat dan baas?"

»Ben _ik_ die voerman?" vraagt Jansen.

Vol droefheid knikt de Kaffer.

»Dan behoef ik niet te vragen, wie het _paard_ is," steunt de Boer, en hij bedekt zijn gelaat.

Maar de Kaffers mogen zijn ontroering niet zien, en koel en strak richt hij zich op.

Met een gebiedend handgebaar heet hij de Kaffers heen te gaan, en slechts Eliëzer, Hector en Schaap laat hij blijven.

»Hoe laat was het, Eliëzer, dat Frits kwam?"

»Ik weet het niet precies, baas; reeds lang hadden de sterren getinteld aan het firmament. Het was misschien een uur of anderhalf nadat gij de rondte hadt gedaan over het erf. Ik bespeelde op den drempel van mijn hut mijn snareninstrument--gij kent het, baas."

Jansen knikt.

»En Hector en Schaap zaten gehurkt in de nabijheid te luisteren. Ik had juist geëindigd en wilde naar binnen gaan, toen Hector fluisterde: »Ouwe Kaffer, daar heb je den jongen baas." Ik verwonderde me, want ik wist--"

Eliëzer aarzelt om voort te gaan.

»Spreek door," gebiedt Reinard Jansen.

»Ik wist, wat er gebeurd was tusschen den ouden baas en den jongen baas."

»Van welken kant kwam Frits?" werpt Jansen er tusschen in.

»Ik weet het niet," zegt Eliëzer.

»Van den linker kant," meent Hector.

»Van den rechter kant," meent Schaap.

»Laat dat maar," zegt Jansen, »het geeft ook niet. Ga voort, Eliëzer!"

»De jonge baas schrapte eenige vuurhoutjes[9] aan,--ik zag duidelijk, dat de houtjes vuur vatten--greep snel een bos tarwestroo in de nabijheid, stak de garf in brand en slingerde de brandende schoof op het lage dak."

[9] Lucifers.

»Bleef Frits toen staan?" vorschte de Boer.

»Hij liep zoo gauw mogelijk weg," zegt Hector.

»Gingt gij hem niet na?" vraagt Reinard Jansen.

»Eliëzer beval ons om eerst den brand te blusschen," zegt Schaap.

»Het was ook het verstandigste," zucht de Boer.

»Maar het vuur liep zoo snel over het dak als de reebok over de vlakte," zegt Eliëzer, »en er was geen denken aan blusschen."

»Waaraan hebt gij den jongen baas herkend?" vraagt Jansen opnieuw.

»Aan zijn slappen, lichtbruinen hoed met de haneveer er op, en aan zijn witten jas."

»Kunt ge dat onderscheiden op dien afstand?" vraagt Jansen.

»Baas," zegt Eliëzer, »het is een heldere nacht geweest, en de maan was nog niet onder. Het was bijna zoo licht als over dag."

Baas Jansen vraagt nu niets meer, en hij gelast de Kaffers bedaard, om aan hun werk te gaan.

De Kaffers gaan heen; slechts Eliëzer blijft staan.

Eliëzer mag meer doen dan de andere Kaffers. Hij is vijf jaar ouder dan Reinard Jansen, en heeft reeds bij Jansen's vader gediend: bij den ouden strakken Lodewijk Jansen.

Hoe menigmaal heeft hij Reinard Jansen, toen deze nog een kleine jongen was, op zijn sterke schouders genomen, en met hem zoo snel over het veld gerend, dat de jongen het uitgierde van pret.

Maar ach, dat is lang geleden....

Hij staart zijn meester aan met zijn trouwe, zwarte oogen.

»Vloek uw zoon niet!" zegt hij, en hij heft zijn handen smeekend omhoog.

»Ik zal hem niet vloeken," zegt baas Jansen op een eigen toon, »maar hij is een verrader geworden van zijn vaderland, en het huis van zijn ouders steekt hij in brand, terwijl zij zich te slapen hebben gelegd--ik ken hem niet meer; hij is voor mij voortaan een bastaard."

Hij schijnt kalm en bedaard, terwijl hij dit zegt.

Het is een vreeselijke kalmte.

Hij rilt, alsof hij de koorts heeft, en hij voelt de koude tot in het merg van zijn gebeente.

HOOFDSTUK XII.

Frits Jansen en Jack Williams waren al maanden in Rhodesia, dat ten noorden der Zuid-Afrikaansche Republiek zich uitstrekt, ingedeeld bij de vrijwillige ruiterij, die feitelijk den wil van Cecil Rhodes had uit te voeren.

Het was een gemakkelijk, doch ook een tamelijk vervelend leven, dat beide jonge mannen hier leidden, en de eentoonigheid werd slechts afgebroken door plotselinge, kleine kafferopstanden, die uitsloegen als het vuur uit een smeulenden puinhoop.

Maar de arme Kaffers, die de dwaasheid hadden, om te rebelleeren tegen Rhodes' ijzeren vuist, hadden het zwaar te verantwoorden. Met hun eenvoudige speeren konden zij niet op tegen de goed gedresseerde, vlugge ruiters, die tevens scherpschutters waren, en met zijn snelvurende Maximkanonnen was Rhodes in staat, om binnen vijftien minuten een heelen kafferstam uit te roeien.

Het gevecht was dan ook in den regel maar een menschenjacht, en de zwarte, naakte ruggen der vluchtelingen boden een uitnemende schijf voor den scherpschutter.

Het was dan ook geen bluf, dat Jack Williams beweerde, dat zijn kogel reeds vijfentwintig zwarten had neergelegd, doch Frits Jansen was niet begeerig naar dien roem. Hij vond het wreed en onmenschelijk, om op die schepsels, die als afgejaagde herten over de vlakten renden, jacht te maken, en het vloekte met zijn rechtsbewustzijn, om menschen te dooden, als het niet was in wettige zelfverdediging.

Overigens was Frits een der kranigste cavaleristen, die luitenant Harreson, de zoon van een hooggeplaatst ambtenaar uit Schotland, onder zijn bevelen had, en door zijn open en rondborstig karakter stond hij zoowel bij zijn kameraden als bij den luitenant goed aangeschreven.

Het moest Jack wel hinderen, dat Frits Jansen zóó in de gunst stond, en inwendig kookte hij van jaloezie, toen Frits de streepen kreeg en tot onderofficier werd benoemd. En al was het een balsem op de wond, dat hij weinige weken later eveneens de strepen kreeg, het ergerde den eerzuchtige toch, dat Frits hem was voorgegaan.

In spijt van zijn bevordering viel het Frits echter niet mee in Rhodesia. De glorie, die het hoofd van Cecil Rhodes had omschitterd, verbleekte, en de hand van dezen geweldige had niet den zegen gebracht, waarvan Frits had gedroomd. Hij bevond, dat het voor wreed uitgekreten bestuur der Transvaalsche Boeren zacht was als een vaderhand tegenover het harde juk, dat Rhodes de zwarten op de schouders drukte, en hij begon te vreezen, dat de verbroedering der twee blanke rassen, indien Cecil Rhodes ze moest bewerken, zou uitloopen op een groote Engelsche leugen.

Toch gaf hij de hoop op die verbroedering, dien schoonen en heerlijken droom, nog niet op, en al was Cecil Rhodes voor zijn oog van zijn glanzend voetstuk gevallen, het woord door hem tot Frits Jansen in de »Groote Schuur" bij Kaapstad gesproken, behield toch zijn waarde.

* * * * *

Gelukkig was Frits Jansen niet.

De teleurstelling, die Rhodesia bracht, was nog het ergste niet. Er knaagde nog iets anders aan zijn hart--een worm, die hem pijn deed.

Met vlammende letteren stond het afscheid van Waterfontein hem voor den geest, en al luider kwam het verlangen en een schreiende zielekreet om verzoening met zijn vader bij hem op.

Hij kon het ten slotte niet meer uithouden, en op een der militaire tochten in het binnenland begon hij, terwijl zijn kameraden reeds sliepen, bij het sobere licht van een waskaars aan zijn ouders een brief te schrijven. En hoe langer hij schreef, hoe warmer het werd in zijn hart. Hij stortte dat hart uit in zijn brief, en hij kon niet eindigen met schrijven, alvorens de laatste, de achtste bladzijde, vol was.

Middernacht was lang voorbij, toen de brief gereed was, en Frits haastte zich naar de volgende tent, de tent van Jack Williams.

Hij wekte den slaper.

»Gij gaat morgen naar Buluwayo?" vraagde Frits.

»Waarom?" vraagde Jack, wiens voorzichtige en achterdochtige natuur hem de onhebbelijke gewoonte had aangeleerd, bij elke vraag, zelfs bij de nietigste zaken, bij beuzelingen, naar de reden der vraag te vorschen, alvorens hij bescheid gaf.

»Ik heb hier een brief aan mijn ouders," zeide Frits, »en ik wilde je verzoeken, dien brief te Buluwayo voor mij op de post te doen."

»Begint het zoontje naar Moeders pappot te verlangen?" zeide Jack geeuwend.

Frits voelde zich door deze uitdrukking, bovenal door den toon, waarop zij werd geuit, in zijn teederste gevoelens beleedigd, doch hij beheerschte zich en zeide schijnbaar bedaard: »Ik wil mij met mijn vader verzoenen, Jack!"

»Geef den brief maar," zeide Jack iets vriendelijker, »ik ga heel vroeg naar Buluwayo."

* * * * *

Ging alles voorspoedig en viel de brief naar zijn vurigen wensch in goede aarde, dan hoopte Frits binnen een achttal dagen een brief terug te hebben, en het trof wel bijzonder mooi, dat hij met eenige andere kameraden tegen dien tijd naar Buluwayo werd verplaatst. Hij zag er een beschikking des Hemels in, en met een kloppend hart ging hij naar het postkantoor.

Er was geen brief.

Nu, het kon nog moeilijk, en hij troostte zich, steeds hopende op de volgende post.

Doch er kwam geen brief.

Hij sprak er over met Jack.

»Gij zijt veel te heet gebakerd," zeide Jack schouderophalend; »zijt gij dan vergeten, dat Waterfontein bijna een halve dagreis van het naaste postkantoor afligt, en dat er soms weken overheen gaan, voordat uw vader naar brieven laat informeeren op het postkantoor?"

Frits was weer eenigzins gerustgesteld.

»Gij denkt toch om alles," zeide hij hartelijk.

Een week later was er werkelijk een brief.

Het hart van Frits bonsde van inspanning, doch toen hij de hand zag van het adres, was hij diep teleurgesteld.

Het was een schrijven van een zijner kennissen uit de Kaapkolonie, die om eenige inlichtingen vroeg omtrent de vooruitzichten als vrijwilliger in Rhodesia.

»Ik hoor," schreef hij in den brief, »dat jullie zoo'n lui en lekker leven hebt in Rhodesia, en zoo iets lijkt mij."

Frits nam het papier en scheurde het in duizend stukken. Zijn hart versmachtte hier in Rhodesia en dat heette »een lui en lekker leven."