De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 4
»Het is onzin," riep hij uit, hard genoeg, dat heel Zuid-Afrika het kon hooren, »het is onzin, dat de Kaapkolonie van uit Londen, zesduizend mijlen ver, zou worden bestuurd. Het is ongehoord. Wij moeten een eigen bestuur hebben, doch een eigen bestuur is niet voldoende. Ge moet markten hebben voor uw produkten, en bij de uitbreiding uwer bevolking nieuwe boerenhoeven voor uwe zonen. Wel nu, wij zullen de grenzen der Kaapkolonie uitbreiden naar het noorden, en gij zult voortdurende markten vinden voor uwe produkten en grond voor uwe kinderen tot aan de rivier de Zambezie toe, die ver in het noorden stroomt."
Was het wonder, dat deze taal als muziek in de ooren der Kaapsche Afrikaanders klonk? Stal Rhodes niet het hart van het volk, gelijk Absalom weleer het hart der kinderen Israëls?
Hij spande den Afrikaander-bond voor zijn zegekar, en zelfs de schranderste der Kapenaren, Jan Hendrik Hofmeijer, wist zich aan den invloed van dien machtigen geest niet te onttrekken.
Rhodes voegde de daad bij het woord.
De Matabele-kaffers van Lobengula deden een strooptocht, en Rhodes gelastte den Kaffervorst, zijn onderdanen onmiddelijk terug te laten trekken.
Dit geschiedde, maar Lobengula's afgezanten werden tegen alle volkenrecht in gedood, en de terugtrekkende Kaffers konden niet zoo hard loopen als de paarden van Rhodes' soldeniers, en werden bij tien- en honderdtallen neergelegd.
Zoo veroverde Cecil Rhodes Bechuanaland, Matabeleland en Mashonaland, en sloot de Zuid-Afrikaansche Republiek volkomen in.
Hij deed meer.
Hij werd de wig, die den Afrikaanschen volksstam in tweeën spleet, het mes, dat de band, die de Afrikaanders der Kaapkolonie met de Afrikaanders van de Transvaal en van den Oranje-Vrijstaat vereenigde, doorsneed.
Hij zaaide wantrouwen, achterdocht en bitterheid, en de Afrikaanders raakten verdeeld in twee vijandelijke kampen, waarvan het ééne den rijkbegaafden, eerzuchtigen Cecil Rhodes, en het andere den niet minder begaafden, stroeven Paul Kruger als staatkundig hoofd erkende.
Als een trouwe schildwacht stond Paul Kruger op zijn post, en hij was één der weinigen, die Rhodes' spel doorzagen. Maar omdat hij de eerste man was in de zich krachtig ontwikkelende Zuid-Afrikaansche Republiek, wierp zijn stem een groot gewicht in de schaal, en al wie niet verblind was door den glans, die uitstraalde van den diamantkoning van Kimberley, schaarde zich om den geliefden Staatspresident.
Als een voorzichtig stuurman vermeed Oom Paul een botsing met den avonturier, en al was het met een bitter wee in de ziel, wijze bedachtzaamheid dwong hem, om meer dan eens toe te geven. Zoo kwam de Swazieland-conventie tot stand, die een onoverkomelijken slagboom liet vallen tusschen de Transvaal en het noorden, en zwijgend duldde Kruger het, dat Jameson in 1891 een trek van Transvaalsche Boeren over de rivier de Limpopo met geweld opkeerde.
Hij kon niet anders, want de Kaapsche Afrikaanders bewierrookten Cecil Rhodes, en een uitbarstende oorlog zou de velden van Zuid-Afrika hebben gedrenkt met broederbloed....
Slechts bleef de hoop, dat Cecil Rhodes met zijn ware bedoelingen te morgen of te avond voor den dag zou komen, en de blinddoek zou scheuren, die den Kaapschen Afrikaander voor de oogen was gebonden.
Het behoeft intusschen wel niet gezegd, dat Rhodes' pogingen, om Paul Kruger tot een tolverbond en nieuwe spoorwegtarieven over te halen, mislukten, want Rhodes had even goed kunnen probeeren, om het Drakengebergte van zijn plek te dragen.
De eenvoudige, ongeletterde Voortrekker liet zich door den geslepen vos niet beetnemen, en de voltooiing van den spoorweg, die het hart van zijn land met de Delagoa-baai zou verbinden, werd thans voor Paul Kruger een ware hartstocht.
Zijn ijzeren wilskracht kreeg er dien spoorweg ook door, en nu begon hij de sporen van Cecil Rhodes te dwarsboomen, waar hij kon. En daar de band met het grootere vaderland--Zuid-Afrika--op dit oogenblik was verbroken, waakte hij te zorgvuldiger voor de belangen van zijn enger vaderland--de Transvaal of Zuid-Afrikaansche Republiek.
HOOFDSTUK VI.
In het zuiden des lands ligt »Waterfontein", de hoeve van Reinard Jansen.
Jansen heeft acht kinderen; vijf zonen en drie dochters. Drie zijner zonen zijn reeds gehuwd, terwijl een vierde samenboert met een gehuwden zoon. Er zijn dus nog vier kinderen thuis: een zoon met drie dochters.
Frits is de oudste der nog tehuis zijnde kinderen, en telt thans negentien jaar. De drie dochters zijn jonger.
De vrouw van Jansen is ongeveer 45 jaar: eene godvreezende vrouw, die stil haar weg bewandelt.
Behalve de familie Jansen telt het huisgezin nog een onderwijzer.
Men noemt hem in de wandeling gewoonlijk het meesterke: zijn herkomst is onbekend.
Op zekeren avond laat huiswaarts keerende, hoorde Reinard Jansen, bij een tweesprong gekomen, een geschrei. Hij meende, dat het geluid afkomstig was van het één of ander roofdier, en wilde doorrijden. Doch een sterker schreien deed hem twijfelen; hij wendde het paard en steeg af. Bij het heldere maanlicht was de omtrek goed te onderscheiden en onder een doornstruik vond hij een klein, kermend wicht, in armoedige doeken gewonden.
Jansen was in den omgang een strak en streng man, van wien men niet veel meewarigheid zou verwachten, doch achter de ruwe schors klopte een _hart_. Hij nam het schreiende wicht voorzichtig op, plaatste het voor zich op het zaâl en reed snel naar huis.
Het kindje werd door moeder Jansen met liefderijke zorg opgenomen, en daar niemand anders vraagde naar den armen vondeling, bleef hij op »Waterfontein."
Het was een zwak, teer wurmpje, die vondeling. Hij groeide heel langzaam, bleef zwak en tenger, en vormde een heele tegenstelling met Jansen's forsch opgeschoten, van gezondheid blozende kinderen.
Hij was een achterblijver, en de jongens keken hem aan met een mengeling van medelijden en verachting.
Nu had hij een teergevoelig hart ontvangen, en reeds als kind dronk hij uit den beker van het lijden. Zwak en ziekelijk als hij was, kon hij niet tegen de andere jongens op, en aan hun spelen kon hij niet deelnemen, want hij was kortademig en licht vermoeid.
Daarbij kwam een nieuwe ziekte, waaruit hij wel genas, maar om voor altijd een stijf been te houden. Bittere tranen werden door het kleine ventje geschreid, want nu was de kloof tusschen hem en zijn makkers naar zijn meening niet meer te overbruggen.
Tevens werd de sluier, die over zijn verleden hing, voor hem allengs in zoover weggetrokken, dat zijn door het lijden vroeg gerijpte geest het begon te verstaan, wat het zeggen wil, als een vondeling en een verschoppeling in de wereld te komen.
Doch bij moeder Jansen vond het gewonde kinderhart steeds rust en schuiling. Meer dan eens, als hij snikkend bij haar zijn toevlucht zocht, troostte zij: »Mijn jongen, al hebben uw vader en uw moeder u verlaten, de Heere zal u niet verlaten." En dan kuste zij hem op het voorhoofd, en zeide tot hem, zoover als zijn kinderlijk begrip het vatten kon, dat God hem misschien later zou willen gebruiken, om vele tranen te droogen, daar hij zoovele tranen moest storten. En daarop gaf zij hem dan gewoonlijk den bijbel, waaruit hij voor haar het een of ander treffend hoofdstuk moest voorlezen.
Nu lezen, dat kon hij. Trouwens in 't leeren muntte hij uit. Dat was zijn gebied, zijn domein; daar versloeg het fijne, teêre ventje al zijn makkers.
»'t Is een mirakel, zooals het ventje leeren kan!" zeide Jansen meer dan eens; »hoe krijgt hij 't in zijn hersens!"
»Ik denk, dat bij onze jongens de hersenpan te dik is," meende een buurman; »de geleerdheid kan er niet door."
Intusschen was Franske (zoo noemde men het ventje, want hij moest toch een naam hebben) zestien jaar geworden, en baas Jansen verklaarde, dat hij onderwijzer moest worden, omdat hij zoo ijselijk knap was. En Franske had er niet op tegen, want leeren, onderzoeken, studeeren was zijn lust en zijn leven.
Op zekeren dag nu nam Jansen Franske mee naar de stad, kocht in den voornaamsten boekhandel de boeken, die de aanstaande onderwijzer verklaarde noodig te hebben, om zich zelve verder te ontwikkelen, en zeide, toen zij weer thuis kwamen: »Zie zoo, Neefje, nu begin je aanstaanden Maandag school te houden!"
Er was in den omtrek, waar »Waterfontein" lag, inderdaad een groote behoefte aan een onderwijzer, en het was van baas Jansen nog zoo'n domme zet niet, om den armen vondeling schoolmeester te maken.
De vorige onderwijzer, een gewezen kleermaker, die bij gebrek aan werk zijn scheepke bijtijds bij baas Jansen de veilige haven had binnengeloodst, was reeds sedert een jaar vertrokken. De stilte en de eentonigheid van het Afrikaansche veld was den onrustigen kleermaker namelijk onverdragelijk geworden, en op een goeien dag was hij met een voorbij trekkenden ossenwagen meegegaan naar Johannesburg, om in de goudmijnen zijn »geluk" te beproeven.
Nu, er was aan dien kleermaker-onderwijzer niet veel verloren, want zijn onderwijs was beneden de meest bescheiden eischen gebleven.
Franske moest nu zijn plaats innemen, en met angst en vreeze begon hij zijn taak voor een twintigtal Transvaalsche jongens en meisjes, die elken morgen uit de omringende boerenplaatsen te paard kwamen aanstuiven, om door het meesterke in nuttige wetenschappen te worden onderwezen.
Het schoollokaal bestond uit eene met ruwe planken afgetimmerde ruimte in Jansen's achterhuis, met één raam, dat uitzicht gaf op den boomgaard, terwijl eenige verweerde landkaarten en twee zwarte borden aan den muur hingen.
Voor de gladgeschaafde maar ongeverfde, zeer primitieve banken stond een half vermolmde lessenaar, en achter dezen lessenaar was de gewone standplaats van het meesterke.
De jongens waren in het eerst verbaasd, doch vonden het ten slotte koddig en grappig, door zoo'n teer, bleek ventje te worden onderwezen, en het lijden van den armen vondeling kreeg thans, bij deze veelbeteekenende wending in zijn leven, een nieuwen vorm.
Natuurlijk, onderwijzen was zijn lust, maar zijn aangeboren schuchterheid en schroomvalligheid beletten hem, om onder die wilde levenslustige republikeinen het noodig ontzag en respect te handhaven. Zij meenden het wel niet zoo kwaad met het meesterke, maar het jeugdige bloed, gedrenkt en bedauwd met de frissche Afrikaansche berglucht, prikkelde hen, en de onderwijzer werd dikwijls de dupe van hun grappen.
Natuurlijk werden die voorvallen door de aanvallige jeugd uitgegierd van pret, maar het meesterke stond het schreien nader dan het lachen.
Er waren er misschien twee of drie, die goed leerden, omdat zij het wilden, doch de andere jongens keken met souvereine minachting neer op de wetenschap, en beschouwden paardrijden, jagen en schieten de hoofdpunten van het Afrikaansche leven.
De tranen kwamen het meesterke meer dan eens in de oogen, doch in dezen nood kwam er plotseling redding van een zijde, waarvan hij het niet had verwacht.
Frits namelijk, Jansen's jongste zoon, een jaar ouder dan het meesterke, had iets van het verdriet van het meesterke begrepen, en een edele trek in zijn karakter spoorde hem aan, om voor den zwakke partij te trekken. Drie keeren, telkens als de school in een Poolschen landdag dreigde te ontaarden, kwam hij plotseling tusschenbeide, pakte de ergste belhamels met zijn gespierde vuisten aan, en gaf hun een geduchte aframmeling.
Dat hielp; nu kwam er orde.
Frits bracht er den schrik in, en daar de jongens nooit wisten, of de nieuwbakken schoolopziener niet op den loer lag, verging hen de lust, om rumoer te maken.
»Kijk meesterke," zeide Frits, »ge moet die rakkers maar eens goed op de huid komen, dan worden ze wel handelbaar!"
* * * * *
De Zaterdagen en Zondagen had het meesterke vrij, en die dagen waren oasen in zijn leven.
Des Zaterdags placht hij bij mooi weer, met een boek in den zak, naar het bosch te wandelen, dat drie kwartier van Jansen's woning was verwijderd, doch tot Jansen's woning behoorde.
Midden in het bosch stoeide een driftig beekje over rotsen en klippen zijn water naar de diepte, en op een der bekoorlijkste plekjes bij die beek had Frits voor het meesterke een houten bank getimmerd, en hier, in de vredige en plechtige stilte van het woud, was het meesterke gewoon zich neer te zetten en te lezen. En had hij geen lust meer om te lezen, dan strekte hij zich languit neder op het gras, staarde met zijn zachte, weemoedige oogen naar de toppen der boomen, die langzaam werden bewogen door den wind, en naar het diepblauwe firmament, dat zich majestueus boven de hoogste boomen heenwelfde, of blikte in het kristalheldere water van het beekje, dat zonder ophouden, rusteloos voorbijstroomde, rusteloos als ons leven, dat geen stilstand kent....
En meer dan eens was het gebeurd, dat een dorstig hert, het water zoekend, met zijn schoonen kop nieuwsgierig over de schouders van het meesterke had heengegluurd, of dat een haas met snelle sprongen over hem was heengegaan.
Des Zondags echter was het meesterke niet in het bosch, want dan rustte op hem de eervolle taak, in het ruime woonvertrek voor de familie Jansen een preek van den een of anderen geliefden, ouden schrijver voor te lezen, want de kerk was veraf, en slechts bij bizonder plechtige gelegenheden, vier of vijf maal per jaar, haalde Jansen den stevigen wagen uit den schuur, spande er acht juk sterke ossen voor en ging met de familie naar de kerk. In den regel was er met zoo'n reis, heen en terug, een week gemoeid, en daarom was er geen denken aan, de kerk geregeld te bezoeken.
De familie Jansen had intusschen in het meesterke een uitstekenden voorlezer, want hij las natuurlijk, duidelijk en met gevoel, en tante Martje, Jansen's huisvrouw, die weinig zeide, placht, toch wel eens tot haar man te zeggen: »Dat meesterke, dat meesterke! Hij leest als een dominé!" waarop Jansen dan gewoonlijk antwoordde: »'t Is een mirakel, dat zoo'n nietig ventje zoo lezen kan!"
De heer des huizes zat bij de godsdienstoefeningen gewoonlijk in een hoek van het vertrek, de uitgedoofde pijp naast zich op de vensterbank, het stevige hoofd eerbiedig ontbloot, en nu en dan een strengen blik werpend op zijn kinderen, wanneer zij naar zijne meening niet oplettend luisterden.
Bij een pauze in de preek werd een psalmvers gezongen. Het meesterke nam dan plaats voor een harmoniumorgel, werkelijk een uitstekend Amerikaansch fabrikaat, en sloeg met zijn tengere vingers de toetsen aan.
Hij _sprak_ door die toetsen; hij _goot_ zijn ziel _uit_ in die toonen, en waar de inhoud van het vers het meebracht, kon zijn voorspel zoo roerend en aangrijpend zijn, dat men tusschen de toonen door het klagen en het lijden, het snikken en het worstelen van een arm menschenhart meende te hooren.
Was de huisgodsdienst afgeloopen, dan vleide het meesterke zich gewoonlijk neder in de schaduw van den boomgaard, of ging naar het schoolvertrek, nam den bijbel of een godsdienstig boek, en las en peinsde tot het avond werd.
Zoo leefde het meesterke met en in de familie Jansen mede, en alles ging zijn gewonen, regelmatigen gang, totdat de wonderboom, die Cecil Rhodes werd genoemd, en die van Kaapstad uit zijn schaduw wierp tot aan de rivier de Zambezie toe, zijn onheilspellende schaduw begon te spreiden over Waterfontein.
HOOFDSTUK VII.
De boerderij van Henry Williams lag slechts een half uur van Waterfontein verwijderd.
Williams was in de Kaapkolonie uit Engelsche ouders geboren, en had eenige jaren geleden, om zijne maatschappelijke positie te verbeteren, deze boerderij gekocht, die even als Waterfontein drie duizend morgen groot was.
Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat de staatkundige ideeën van Williams en van Jansen ver uiteen liepen, doch overigens was Williams een rechtschapen man en een goede buur. Waar Jansen en Williams elkander konden bijstaan, daar deden zij 't. Viel een paard van Williams in den sloot, dan haalde Jansen, was hij in de nabijheid, het er uit, en bleef Jansen's ossenwagen in een der driften[5] steken, dan was Williams steeds gereed, om met tien span ossen dien wagen op den oever te trekken.
[5] Ondiepe overgangen of veeren der rivier.
Frits Jansen en Jack Williams, een van Henry Williams' zonen, waren kameraden.
Had Frits dien Jack nooit ontmoet, dan zou hij zich en zijn ouders waarschijnlijk veel bitter harteleed hebben bespaard, doch zulke dingen ziet men gewoonlijk eerst van achteren. Trouwens oppervlakkig bekeken, pasten zij wel bij elkander. Ze waren van denzelfden leeftijd, gezond, gespierd, en beiden voortreffelijke scherpschutters en uitstekende ruiters.
Ook bij een andere vluchtige kennismaking viel die Jack nog niet tegen. Hij had iets innemends, plooibaars, vleiënds over zich; hij wist zich te schikken naar de omstandigheden. Frits was ronder, meer open, doch beliep daardoor juist de kans, om bij een eerste kennismaking minder aangenaam te zijn.
Zoo kreeg het wel den schijn, alsof Jack meer gevoel, meer ridderlijkheid bezat dan Frits, en toch was niets minder waar dan dat.
Onder dat schoone masker was wreedheid verborgen en valschheid. Reeds als jongen had hij er behagen in geschept om kleine dieren te plagen, en de Kaffers kon hij met de lange, buffelleeren zweep slaan, dat de bloedige striemen duidelijk zichtbaar werden op hun naakte ruggen.
Een beleediging vergat hij nooit, en hij had een wraakzuchtig karakter.
Ook was hij eerzuchtig. Hij kon het eigenlijk moeielijk verkroppen, als Frits bij een schietwedstrijd met den hoogsten prijs ging strijken, en hij beet zich van jaloerschheid het bloed uit de lippen, toen het hem bleek, dat de hengst van Frits sneller kon loopen dan zijn rijpaard.
Doch zulke gewaarwordingen liet hij zoo min mogelijk uit; zijn bedekte natuur schuwde de openbaarheid. Evenmin kende men zijn staatkundige gevoelens. Zijn vader en zijn broers staken het onder geen stoelen of banken, dat de Engelsche taal verdiende de wereldtaal te worden, en dat nergens welvaart kon gedijen, waar de roode Engelsche vlag niet wapperde. Jack was het daar zeer zeker mede eens, doch hij liet het niet merken; daarvoor was hij te voorzichtig. Frits had er geen flauw besef van, met welk een verachting Jack eigentlijk neerzag op die »domme" Transvaalsche Boeren in hun pilowsche broeken, en juist daarom was hij niet op zijn hoede. Hij hield van Jack; hij bewonderde zijn »vriendelijk" karakter, en zou voor hem door het vuur zijn gegaan.
Het ontbrak Frits Jansen nog aan ervaring en menschenkennis, en niets deed hij liever dan met Jack dagenlang over de jachtvelden te zwerven, achter den buffel en den vluggen reebok, en het was een lust, die twee ruiters over de golvende grasvlakte te zien heensuizen, snel als de wind der prairiën.
Want al kon de bruine van Jack het paard van Frits niet bijhouden, het was toch een uitstekende renner, een edel, prachtig dier.
Maar welk paard kon het ook uithouden tegen den koolzwarten hengst van Frits!
Als veulen had Reinard Jansen het dier voor zwaar geld gekocht, en het aan Frits op zijn verjaardag gegeven. En Frits had het veulen met teedere zorg opgekweekt, en zoo veel hield hij van het paard, dat hij niet slapen kon, als het dier iets mankeerde. Hij had het Cesar genoemd, en het allerlei vaardigheden geleerd. Maar hij was voor zijne zorg ook beloond geworden, want het dier hing aan zijn jongen meester met de trouw van een waakhond.
Cesar kende zijn meester aan den klank van zijn stem, aan den stap van zijn voet, en kwam Frits in den stal, dan spitste hij zijn ooren, en legde Frits den arm om zijn hals, dan schuurde het edele dier den ruigen kop tegen zijn borst, sloeg de slanke voorpooten uit en hinnikte.
Neen, zijns gelijke was niet te vinden, op honderd mijlen afstands niet.
* * * * *
Intusschen trok Frits zich het diep ingrijpend staatkundig verschil, dat tusschen de familie Jansen en de familie Williams bestond, niet bijzonder aan. Integendeel nam dat verschil in zijn oog al geringer afmetingen aan, ja hij waande de kloof reeds overbrugd. Hij begon te lachen om dat verschil; hij begon het te beschouwen voor een even dwaas als nietig misverstand. Door den omgang met de familie Williams dronk hij de staatkundige lucht der Kaapkolonie in, en ademde den wierook, die opsteeg voor den grooten Napoleon van Kaapstad--Cecil Rhodes.
In deze gevoelens was Frits Jansen slechts versterkt geworden, sinds hij verleden jaar met Jack Williams een reis had gemaakt naar de Kaapstad. Hij had bij die gelegenheid met Jack ook den eersten minister der Kaapkolonie bezocht op diens buitenplaats »de groote Schuur", vroeger de woning van den gouverneur van der Stelt, toen de Kaapkolonie nog bij Nederland behoorde.
Met die betooverende hartelijkheid, die hij ten toon kon spreiden, had Cecil Rhodes de jonge Boeren ontvangen, had hun zijn kostbaar Zuid-Afrikaansch Museum laten zien, en bij het vertrek had hij Frits vertrouwelijk op den schouder geklopt en tot hem gezegd: »Niet waar, neef? Wij blanken hebben wel iets beters te doen dan ons onderling te verteeren in een onvruchtbare rassenstrijd?"
»Dat is een man!" had Frits Jansen bewonderend uitgeroepen tot Jack, toen zij de »Groote Schuur" achter den rug hadden.
Het woord klonk hem nog van daag in de ooren!
Waarvoor die haat, die onvruchtbare rassenstrijd?
Hadden de blanken niet iets beters te doen?
Wis en zeker!
HOOFDSTUK VIII.
Baas Jansen stond in de schaduw, buiten de schuur, den ossenwagen te repareeren.
Met gespierde hand hanteerde hij den zwaren, ijzeren hamer, en met krachtige slagen dreef hij den spijker in de loslatende schotten.
Frits kwam juist van Williams, naderde zijn vader en zeide: »Morgen komt er een koopman, of liever een agent, om uw plaats »Elandsvallei" te koopen."
»Zoo," zeide zijn vader, den arbeid ijverig voortzettende.
Hij keek niet eens op van zijn arbeid.
»Ge kunt er veel geld voor maken," zeide Frits.
»Van wien weet ge 't?" vraagde Jansen bedachtzaam.
»Meester Williams heeft het mij zoo even verteld," zeide Frits.
Jansen fronste even zijn zware wenkbrauwen.
»Voor wien komt de agent?" vraagde hij plotseling.
»Voor een Engelsche Maatschappij," antwoordde Frits.
De plooi tusschen Jansen's wenkbrauwen werd dieper.
»Nu ja, een Engelsche maatschappij--is dat zoo erg?" vraagde Frits.
»Ik verkoop aan geen Engelschman mijn land," zeide de oude Jansen kortaf.
Hij wierp den hamer weg en nam de nijptang, om een verbogen draadnagel uit de plank te halen.
»En waarom aan geen Engelschman?" vraagde Frits.
»Omdat wij Transvaalsche Boeren eigenaren moeten blijven van den grond," zeide Jansen met nadruk.
Hij had er den draadnagel uitgetrokken, en nam opnieuw den hamer.
»'t Zou me wat kunnen schelen, als ik goed werd betaald!" riep Frits luchthartig, doch 't ware beter geweest, zoo hij deze woorden had ingehouden.
Boer Jansen liet den hamer vallen en wierp een toornigen blik op zijn zoon.
»Is het zoover met je gekomen," zeide hij langzaam, »dat het je koud laat, of ons land aan een Transvaalschen Boer of aan den Engelschman toekomt? Die reis van verleden jaar naar Kaapstad heeft je geen goed gedaan--waarlijk niet!"
»Zijn de Engelschen dan onze vijanden?" wierp Frits in het midden.
»Zouden dat onze vrienden zijn, die er op loeren, om onze duurgekochte vrijheid te morgen of te avond te vernietigen?" was de verontwaardigde wedervraag.
Frits antwoordde niet.
»Die drukke omgang met de familie Williams doet je kwaad; je zuigt er het Engelsche vergif in."
»We kunnen nog genoeg van de Engelschen leeren," meende Frits.
»Dat geloof ik ook," zeide Jansen met een schamperen lach; »bij voorbeeld, om door list en bedrog zwakke volken onder de knie te krijgen!"
»Maar ik waarschuw je," liet hij er dreigend op volgen--»wees op je hoede!"
En zijn zoon den rug toekeerend, nam hij opnieuw den zwaren ijzeren hamer.
Ontstemd verwijderde zich Frits.
Neen, het ging niet goed tusschen vader en zoon. Tante Martje, de stille goeie ziel, had het reeds sedert verleden jaar zien aankomen; het had haar al tranen en zuchten gekost.