De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 3
»Ik ben in de Kaapstad geweest, in de Kaapkolonie," gaat hij voort met nadruk, »en ik heb waargenomen, dat de verzoening, die ik bedoel, in de Kaapkolonie een voldongen feit zal worden. Neen, sterker nog, die verzoening zal een verbroedering worden, en de gezegende dag zal aanbreken, dat Efraïm Juda niet meer zal benijden. Vindt ge die beeldspraak ongepast? Schudt ge daarom het hoofd, Reinard Jansen? Weet ge dan niet, dat de Boeren en de Engelschen ten slotte uit denzèlfden, Germaanschen stam zijn gesproten? Zouden wij ons dan niet verblijden in de verzoening van de twee blanke rassen in dit zuidelijk wereldrond, op wier schouders de almachtige God zoo'n heerlijke en gewichtige taak heeft gelegd? Afrikaansche Boeren! Ik noem u mijne broeders, en ik hef dit glas op gevuld met den edelen Afrikaanschen wijn--laten wij klinken op den man die meer dan iemand anders het grootsche ideaal tracht te verwerkelijken: verzoening tusschen Engelschen en Afrikaanders--ik bedoel den hoogbegaafden eersten minister der Kaapkolonie--ik bedoel Cecil Rhodes!"
Het woord is er uit.
Lena verbleekt.
Nog altijd staat Marling met het opgeheven glas, doch niemand verroert zich.
Er heerscht een drukkende, benauwende stilte--de stilte, die storm en onweer voorafgaat.
En dat onweer komt reeds opzetten. Reeds zwelt de blauwe ader op langs de rechterslaap van Reinard Jansen, doch bij Charles Marling komt de Engelschman boven.
»Is er niemand?" vraagt hij met verheffing van stem, »die met mij drinken wil op Cecil Rhodes, dan zal ik het alleen doen--op Cecil Rhodes! op den grootsten man van Zuid-Afrika!" en hij drinkt het glas leeg in éénen teug.
Maar Reinard Jansen springt op, en slingert den stoel, waarop hij gezeten had, tegen den muur.
»Laat _ik_ er op antwoorden," zegt hij, doch Dirk Kloppers, die reeds was opgestaan, wenkt hem, om te zwijgen.
Aller oogen zijn nu beurtelings op Dirk Kloppers en den Engelschman gevestigd.
»Jonge man," zegt de grijsaard op bedaarden toon, en zijn blauwe oogen rusten met waardigheid op Charles Marling, »wij hebben uwe woorden gehoord, en het spijt mij meer, dan ik zeggen kan, dat gij ze hier, bij een familiefeest, hebt gesproken. 't Is een wanklank in ons feest!"
»Oom Kloppers," antwoordt de Engelschman met die christelijke bescheidenheid, die zoo weldadig aandoet, »het was niet mijne bedoeling, om een wanklank te brengen in dit feest."
»Ik weet het," zegt Dirk Kloppers, »maar gij moogt u geen oordeel aanmatigen over toestanden, waarvan gij nauwlijks een oppervlakkige kennis hebt. Gij spreekt van verzoening--zeker, wat is schooner dan verzoening? Doch als er van verzoening sprake is, dan behoort toch ook het onrecht weggenomen te worden of erkend, dat aan die verzoening in den weg staat--vindt ge niet? Wie was hier in Afrika steeds de verongelijkte en de vertrapte? Kent gij de geschiedenis van de vijf Afrikaansche Boeren, die op _Slachtersnek_ hun vonnis zouden ontvangen? Zij hadden een staatkundige dwaasheid begaan, ik erken het, een dwaasheid, maar er kleefde aan hun handen geen bloed, en zij hadden den strop niet verdiend. Toch werden zij tot den strop veroordeeld, maar de barmhartige God had erbarming met die ongelukkigen en liet de galg breken. De vrouwen en de kinderen der ongelukkigen smeekten op hun knieën om vergiffenis,--zeg, Charles Marling, toen had Engeland het groote woord van genade en vergiffenis moeten uitspreken, meent ge niet? Maar weet ge, hoe de Engelsche genade en verzoening er uitziet? Als de galg, die op dien dag ten tweeden male op Slachtersnek werd opgericht, waaraan, voor het oog van handenwringende vrouwen en snikkende kinderen, de vijf ongelukkigen ten tweede male werden opgehangen!"
De oude Kloppers is warm geworden; die rijzige gestalte schijnt nog te rijzen. Toorn, droefheid en verontwaardiging flikkeren uit die blauwe oogen. En terwijl zijn woord een machtig echo vindt in de harten der gasten, staat Charles Marling daar, beurtelings bleek en rood. Hij bijt zich op de lippen, dat het bloed te voorschijn komt, en hij heeft een gevoel, alsof al de beschuldigingen, tegen Engeland uitgesproken, op _zijne_ schouders worden neergelegd.
Hij stut zich met de hand aan de tafel, om niet te bezwijken.
»Verzoening--'t is een liefelijk woord," begint de grijze voortrekker opnieuw, »doch wie heeft de arme Emigranten-Boeren in 1835 genoodzaakt, om vreemde landen in te trekken, onder wilde beesten en nog wilder kaffers? Wie heeft Natal ingepalmd, het wettig eigendom der Boeren? Wie beroofde ons in 1877 van onze vrijheid, en gaf ze ons eerst terug, toen wij de Engelsche huurlingen van den Amajuba hadden gehaald? Wie anders dan Engeland?"
»Ge noemdet daar Cecil Rhodes," gaat hij voort op langzamer toon. »Zeker, Cecil Rhodes is een man met een ijzeren wil en groote gaven, doch als zulke menschen den verkeerden weg opgaan, dan zijn zij dubbel gevaarlijk."
Marling kijkt even op; hij schijnt een opmerking te willen maken, doch hij houdt ze in.
»Dubbel gevaarlijk," herneemt baas Kloppers, »en het oude spreekwoord heeft nog niets van zijn beteekenis verloren:
Als de vos de passie spreekt, Boer, pas op je ganzen.
Hij, Cecil Rhodes, is een sluwe vos. Reeds heeft hij onze Afrikaansche broeders in de Kaapkolonie in het slagnet gevangen, dat hij zoo listig heeft gesteld. Doch wij, Boeren van over de Vaal, die de voorhoede vormen van het Afrikaansche leger, _wij_, die in kruitdamp en oorlog zijn opgegroeid, wij, die ruim baan hebben gemaakt voor het Hollandsch-Afrikaansch element, wij kènnen de vossensluwheid van Cecil Rhodes. Aan hem hebben wij het te danken, dat Stellaland en het land Gosen, die bij onze Republiek behoorden, aan de Kaapkolonie zijn gehecht. En door ten Noorden van ons land het rijk der Matabelekaffers voor zijne Gecharterde Compagnie op te eischen, heeft hij onze Republiek in ijzeren kluisters vastgelegd en een slagboom laten vallen, dien wij niet straffeloos kunnen overschrijden.
_Wij kunnen niet meer trekken._ Wij zijn door Engeland omsingeld als het edele wild door een schaar groote honden.
Doch dit is nog niet genoeg. Luistert, vrienden, naar hetgeen ik u zeg: Cecil Rhodes is op dit oogenblik in Engeland, maar hij zal wel terugkomen, en niet tevreden zijn, alvorens hij de vrijheid van de Zuid-Afrikaansche Republiek onder zijn voeten heeft vertreden, en zijn haan koning kan kraaien op de goudvelden van den Witwaterrand."[3]
[3] In Zuidelijk Transvaal.
»En op dezen man zal ik klinken en drinken?" roept hij met dreunende stem. »Zoo waarachtig als ik leef, ik zal het _niet_ doen. Maar dezen wensch spreek ik uit, dat de almachtige God, Die het schild en het betrouwen is van alle oprechte Afrikaansche Boeren, de raadslagen van dezen Engelschen Achitofel moge verijdelen en verbrijzelen, zooals ik dit glas verbrijzel!"
Hij neemt het glas, gevuld met den edelen, Afrikaanschen wijn, met vaste hand op, en werpt het met een harden slag tegen den vloer, dat het in duizend scherven vliegt.
HOOFDSTUK IV.
Charles Marling stond op het achtererf van Vredenoord, bij de schamele, ronde kafferhutten, en staarde verstrooid naar de kleine, zwarte kroeskoppen, die luid kraaiend in het mulle, gele zand lagen te wentelen.
Geen slaap had dezen nacht zijn oogen gelooken.
Nog hoorde hij het rinkelen van het glas tegen den harden, steenen vloer.
Hij moest zich bekennen, dat hij eerst sedert gisteravond een diepen blik had geslagen in den waren aard van den Afrikaanschen Boer, en onder die kalme, effen oppervlakte sluimerde een kracht en hartstocht, die, oprijzend, alle dammen en dijken moest scheuren.
Inderdaad, hij had een slecht voorbeeld gegeven van christelijke voorzichtigheid, door over een verzoening te spreken, waarvoor de tijd nog niet rijp was, en door hulde te brengen aan een man, wiens naam te noemen reeds voldoende was, om den vonk in het kruit te slingeren.
Doch het woord was er uit en niet meer te herroepen. En in begrijpelijke spanning hoopte Marling op het oogenblik, dat hij Lena, die hij sedert gisternamiddag niet had gesproken, zou ontmoeten.
Ook Lena had in dezen nacht geen oog gesloten, doch nu wist zij, dat zij Charles Marling liefhad. Reeds gisteravond wist zij 't, toen Charles daar stond, beurtelings bleek en rood, zich de lippen tot bloed bijtend, en zich vasthoudend aan de tafel, om niet te bezwijken onder den last der beschuldigingen, die haar grootvader op _zijn_ schouders wentelde. Had Charles op dàt oogenblik zijn oog naar de zijde geslagen, waar Lena stond, dan zou hij hebben gezien, hoe die donkere wimpers waren opgeslagen en hoe uit die oogen hem een volheid van medegevoel--maar ook van liefde had tegengeblonken.
En had maagdelijke schuchterheid haar niet weerhouden, zij zou zich naast hem hebben geplaatst, en met luide stem hebben geroepen: »Afrikaansche Boeren, Charles Marling heeft een dwaasheid begaan, door van verzoening te spreken, doch ik acht hem hoog, omdat hij den moed had, die dwaasheid te begaan!"
Hij was voor zijn christelijke overtuiging uitgekomen, zonder angstig te wikken of te wegen, zonder aarzelen, een ridder zonder vrees of blaam--»mijn ridder!" zeide zij in zoet gepeins.
Zeer zeker, zij stond onverdeeld aan de zijde van haar grootvader, waar hij vol toorn en verontwaardiging de politiek van Engeland geeselde, maar dat hinderde toch niet, om het hoog en heilig beginsel te erkennen, dat Charles Marling had gedreven om te spreken.
Zij had hem lief--nu wist zij het. Niet alleen met die zusterlijke liefde, waarvan zij tot hém had gesproken, maar ook met die andere liefde, waarvan hij tot haar had gesproken; niet met het spotbeeld der liefde: die ziekelijke, overspannen hartstocht, die in dwaasheid wortelt en in dwaasheid uitbot, die met vergoding begint en met verguizing eindigt, neen, maar met die andere, gezonde, sterke, kuische liefde, die onmisbaar is in een huwelijk, waar schaduwen en zonneschijn wisselen, en waar, ach! zoo dikwijls de zonneschijn door de wolken wordt onderschept; met die liefde, die met elkanders zwakheden rekent, die goedertieren is, verstandig en bedachtzaam; die koestert en warmt; die groot is en uitblinkt in al wat edel is, groot bovenal in christelijke zelfverloochening....
Charles Marling ontroerde, toen hij Lena zag naderen--frisch als de dauw, die in de kelken der bloemen parelde, en vlug als de hinde op de bergen van Afrika....
Zij legde de hand op Marling's schouder, keek hem in de droeve oogen, in het bleek en somber gelaat, en terwijl er tranen opwelden in haar oogen, kwam er toch een heldere zonneschijn op haar gelaat, toen zij zeide: »Charles--Charlie!"
»Lena," zeide hij, »ik heb gisteravond een groote dwaasheid begaan."
»Ik ben er blij om, dat gij die dwaasheid hebt begaan," zeide zij op een eigenaardigen toon.
Hij verstond die raadselachtige woorden niet.
»Hoe zoo?" vraagde hij.
Maar zij antwoordde niet op die vraag.
»Kom," zeide ze, »we zullen Grootvader opzoeken."
»Waarom?" vraagde hij.
»Waarom--" herhaalde ze. »Moet ge dát nog vragen?"
Er ging een plotselinge lichtstraal door zijn ziel--hij greep haar hand.
»Stil," zeide ze, »Grootvader vervult voor mij de plaats van mijn vader, en ik doe niets zonder zijn toestemming."
De plotselinge lichtstraal verbleekte in Marling's ziel.
»En als uw grootvader geen toestemming geeft, Lena?"
»Dan zult gij van Vredenoord gaan met de verzekering, dat ik aan u in trouwe vriendschap zal blijven denken mijn leven lang."
»En meer niet, Lena?"
Zij schudde het hoofd.
»Meer niet," zeide zij.
»Maar het loopt misschien beter af dan gij vermoedt," liet zij er op volgen, en zij zag Charles Marling aan met een blik vol hoop en moed.
Zoo gingen zij dan te samen den grijsaard opzoeken.
Met den ouden Staten-bijbel op een tafeltje voor zich, zat baas Kloppers te lezen in het priëel.
Hij zag het paar naderen, en sloeg den bijbel bedachtzaam dicht.
Mild en vriendelijk ontving hij den Engelschman.
»Is dat nu de ijzeren Voortrekker van gisteren avond?" dacht Charles en hij verwonderde zich.
Intusschen noodigde de grijsaard Marling uit, om op de andere bank plaats te nemen.
Deze gaf aan dien wenk gevolg, doch Lena zette zich naast haar grootvader.
En nu verhaalde Marling in korte, eenvoudige woorden de zaak, waarover het ging. En de oude Kloppers stutte het breede, hooge voorhoofd met zijn rechterhand, zooals hij placht te doen, wanneer hij voor een moeilijk vraagstuk stond. Hij staarde de opening uit van het priëel, en slechts éénen keer wierp hij een vluchtigen blik op zijn kleindochter.
Nu zweeg Charles Marling, en wachtte vol innerlijke spanning het antwoord af.
Hij vreesde een uitbarsting van toorn, omdat hij, de Engelschman, het oog durfde opslaan op de kleindochter van Dirk Kloppers, maar die uitbarsting bleef weg.
Het gelaat van den grijsaard bleef mild en vriendelijk als deze zomermorgen, die vol vrede zich uitstrekte over het landschap.
Baas Kloppers wachtte eenige oogenblikken, alvorens hij antwoordde.
Toen stond hij op en zeide tot Lena: »Durft ge met dezen Engelschman de reize aan door de woestijn van het leven?"
»Ja," zeide ze, »ik durf het."
»En waarom durft gij het?" vraagde hij ernstig.
»Omdat ik hem liefheb," zeide ze.
»Maar is dat genoeg?" vraagde hij.
»Neen," zeide ze, »dat is niet genoeg, maar wij belijden hetzelfde geloof."
»'t Is een moeilijke bezwaarlijke reis, een reis door de woestijn--ze zal u niet meevallen, Lena," zeide hij nu bezorgd.
»Wij zullen hand in hand reizen, Grootvader," zeide ze, »en als de ééne moede wordt, dan zal de andere hem verkwikken, en zoo zullen wij samen reizen bergopwaarts, naar Jeruzalem, hetwelk is ons aller moeder."
De grijsaard wendde zich tot Marling, en keek hem aan met dien scherpen, vorschenden blik, die hem eigen was, wanneer hij een mensch wilde doorgronden tot in de diepte van zijn ziel.
»Hebt gij uw hart goed onderzocht, Charles," vraagde hij, »toen gij tot dit meisje van liefde spraakt?"
»Dat heb ik, oom Kloppers," antwoordde Marling met een vrijmoedigen opslag van zijn oog.
»Er is goud en er is verguld blik," zeide de grijsaard ernstig: »liefde en schijnliefde. De liefde kan tegen de beproeving, en ze wordt gelouterd in de hitte van het vuur. Doch de schijnliefde is wuft en ijdel, en verstuift bij den eersten tegenspoed als kaf voor den dwarrelwind!"
Hij maakte een korte pauze, doch Charles noch Lena zeiden een woord.
»Hier in Afrika," ging de spreker voort, »dringt alles tot een staatkundige crisis, en hoe zwaar het onweer zal zijn, dat boven onze hoofden zal losbarsten, weet God alleen. Maar dit is wel zeker, dat die storm niet ongemerkt aan uw huwelijksscheepke voorbij zal trekken. Hij zal uw scheepke schudden en slingeren--moge het voor schipbreuk bewaard blijven!"
»Hoe zwaarder het onweer is, hoe dichter wij bij elkaar zullen schuilen," meende Lena met omfloersde oogen, doch Marling stond op en zeide: »Wat God samengevoegd heeft, dat scheide de mensch niet!"
»Ja waarlijk, dat is goed gezegd!" riep de grijsaard. »Wat God samengevoegd heeft--maar zijt gij er zeker van, Charles, dat God u beiden samenvoegt?"
»Ik geloof het!" zeide Marling.
»Moge het waar zijn!" hernam Kloppers. »Maar het is een groote zaak, om Gods leidingen te verstaan. Ik ben een oud man, en heb meer ervaringen dan gij--ge zult me dat op mijn woord wel willen gelooven--maar hoe dikwijls moet ik nog vragen: Waar ligt de weg, dien ik behoor in te slaan? Hebt gij in deze zaak het aangezicht des Heeren gezocht? Hebt gij van Hem licht en wijsheid gevraagd?"
»Ik heb het gedaan," antwoordde Marling bescheiden doch vrijmoedig.
»Ik wou, dat gij een Afrikaander waart!" zuchtte de grijsaard.
»Ik kan het niet helpen, dat ik een Engelschman ben," zeide Marling.
»Ik verwijt het u ook niet," hernam Kloppers met iets als een glimlach op zijn gelaat, »maar," voegde hij er aan toe met een flikkering in zijn blauwe oogen, »waart gij een Engelschman, dien ik niet kende--gij kreegt mijn kleindochter _nooit_!"
»O Lena," zeide hij, »mijn veldbloemke! Ik had gehoopt, dat ge in het vrije veld zoudt blijven, en de wakkere huisvrouw worden van een rechtschapen Afrikaanschen Boer, maar ik laat u vrij--ge kunt zelf beslissen. Wilt ge echter waarlijk met dien Engelschman mee? Zult ge niet verkwijnen in de muffe lucht van de goudstad?"
»O neen, oom Kloppers," zeide Marling met warmte; »zij zal niet verkwijnen in de goudstad. Ik zal over uw veldbloemke de wacht houden, en het beschutten voor de hitte van den dag en de koude van den nacht. En gij komt elk jaar in Johannesburg eenige weken logeeren, en gij zult u verkwikken aan den glans van uw veldbloemke!"
Maar de oude Voortrekker schudde het hoofd.
»Langer dan een dag zou ik het in Johannesburg niet uithouden," zeide hij. »De vrije lucht van het open veld, die wil ik ademen, zoolang ik leef!"
Toen staarde hij Lena weer aan.
»Mijn veldbloemke," zeide hij, terwijl zijn oude handen liefkoozend heengingen over haar dicht, gitzwart haar, »mijn lief veldbloemke!"
Maar Lena kon zich thans niet meer goed houden.
Zij stond op, sloeg de armen om den hals van haar grootvader en kuste hem.
»Ik heb u lief, mijn kind," zeide de grijsaard met de teederheid van een vader, »en daarom ben ik zoo vol zorgen!"
»O Grootvader," snikte zij, »bid voor ons; voor mij en voor Charles!"
»Dat zal ik doen," zeide de grijsaard mild en zacht.
Toen staarde hij naar de lucht en zeide: »Er is onweer op til."
Hij wendde zich naar de woning, doch het jonge paar wandelde langzaam naar den hoogen heuvel, vanwaar men een ruim vergezicht had. Reeds was het licht der morgenzon onderschept door een groote, grillig gevormde wolk, en in het westen, boven de bergen, pakten zich nu donkere wolkgevaarten samen.
Peinzend staarde Lena het westen in.
Dacht zij bij het staren naar die onweerswolken aan de donderkoppen van dat andere onweer, waarvan grootvader Kloppers had gesproken?
Marling vermoedde het.
»Hoe zwaarder het onweer, hoe dichter wij bij elkander zullen schuilen," zeide hij teeder, haar eigen woorden van daar straks herhalend.
»Wij zullen elkander liefhebben, niet waar Charles?" zeide zij, »en op den Heere vertrouwen, opdat wij geen schipbreuk lijden?"
Doch Marling werd bedroefd, omdat zij van schipbreuk sprak.
»Liefste," zeide hij, »twijfelt gij aan mijne liefde?"
»Neen," antwoordde zij warm en innig, »gij zijt mijn Charles--mijn Charlie!"
»Maar waarom beeft uwe stem dan?" vraagde hij bezorgd, »ge staart naar de verte als een schuw vogelke, dat onheil ducht--heeft het woord van uw grootvader zoo'n indruk op u gemaakt?"
»Ik weet het niet," zeide ze, worstelend tegen de bange voorgevoelens, die haar ziel bestormden.
»O Charles," riep ze uit, »mijn liefde behoorde u gelukkig te maken, en ze begint, met uw hart week te maken!"
»'t Is slechts een schaduw," zeide hij troostend, »een wolk voor de zon, die snel voorbijdrijft, en dan zult gij mijn nachtegaal zijn en morgenster!"
»Ach ik ben een onverstandig schepseltje," zeide zij nederig, »maar _gij_ zult mijn leermeester zijn," en zij hief het lieftallig gelaat vol vertrouwen tot hem op.
Zij reikte hem de hand, en hand aan hand wandelden zij den heuvel af naar huis.
Doch zij moesten zich haasten, want reeds vielen de eerste zware regendruppelen, en een plotseling opgestoken stormwind gierde over het open veld en zweepte de reusachtige gomboomen op baas Kloppers' erf. De hemel verduisterde zich, en een machtige donderslag rolde als de heraut van het naderende onweer vol majesteit hoog boven Vredenoord heen.
Aan de huisdeur stond de oude Kloppers het paar reeds op te wachten.
»Hebt ge 't al gehoord?" riep hij; »hebt ge 't al gehoord? Cecil Rhodes is op de terugreis naar Afrika!"
HOOFDSTUK V.
»Geen ander man in de wereld zou mij hebben overgehaald, om met hem de diamantmijnen te ontginnen, doch Cecil Rhodes heeft een overwicht op de menschen, en hij bewoog mij, om bijna alles te doen, wat hij wilde. Hij palmde mij in zooals hij iedereen inpalmde. Natuurlijk, ik wil niet ontkennen, dat ik door hem goede zaken maakte, doch ik was altoos zoo gekant geweest tegen de diamantmijnen, dat ik er zelf over verbaasd stond, dat hij mijn tegenzin had kunnen overwinnen. Doch zoo is Rhodes' manier. Gij zijt onmogelijk tegen hem opgewassen, en ten slotte merkt ge, dat gij er voordeel bij hebt--zijn zin te doen."
Dat is het oordeel van den koelberekenenden millioenenkoning Barnato[4], die, menschen en zaken beoordeelend, steeds met den éénen voet op het goud stond en met den andere op de diamanten.
[4] In 1897 sprong Barnato, Rhodes' boezemvriend, op zijn terugreis naar Engeland in een plotselingen aanval van waanzin over boord, en vond zijn graf in den Atlantischen Oceaan.
Cecil Rhodes _is_ een buitengewoon man. Ge ziet het bij den eersten oogopslag aan dat breede, hooge voorhoofd, dat verstand en vernuft, aan die scherpe, doordringende oogen, die geestkracht, aan die haviksneus, die sluwheid verraadt.
't Is een stevige, sterke man in de kracht van zijn jaren: gloeiend van eerzucht, doortastend en practisch--een man, die een groot geluk of een groote ramp brengt over de menschheid een zegen--of een vloek voor Zuid-Afrika!
Bijna spelenderwijs is hij langs de staatkundige ladder opgeklommen tot eerste minister der Kaapkolonie, en een Vereenigde Statenbond van Zuid-Afrika met hem op den presidentszetel--'t was zijn droom, en is het nòg.
Eene zelfstandige Zuid-Afrikaansche Unie, even machtig zich ontwikkelend als de Amerikaansche Unie, en evenals deze met een Engelschen stempel--hij heeft dat idee gekweekt en gekoesterd.
En als er ooit een man in staat was, om dat doel te bereiken, dan was hij het, want er ligt iets in dezen man, dat de menschen betoovert en begoochelt.
Jaren lang zwierf hij als jager door Zuid-Afrika, werd een beroemd scherpschutter, raakte met de toestanden volkomen op de hoogte en werd op en top een Afrikaander.
Ten minste zoo scheen het.
Hij vestigde zich te Kimberley, waar de rijke diamantmijnen zijn. Aan die diamantmijnen heeft Kimberley het te danken, dat het van den Oranje-Vrijstaat werd afgescheurd, en aan de Engelsche Kaapkolonie werd gehecht.
Zonder die diamantmijnen zou de streek, waar thans Kimberley ligt, nog wel tot den huidigen dag tot den Oranje-Vrijstaat hebben behoord. Kimberley is den Oranje-Vrijstaat ontstolen.
Cecil Rhodes' rustelooze geest sloeg intusschen zijn slag. Hij wist de verschillende maatschappijen, die uit de mijnen van Kimberley het kostbare edelgesteente opdolven, tot ééne Maatschappij, »de Beers-Maatschappij", te versmelten, en hij werd tot levenslangen directeur benoemd.
Hier legde hij den grond voor zijn reusachtig, vele millioenen tellend vermogen, en thans begon hij zijn vleugels uit te slaan naar het groot staatkundig doel, dat hem voor oogen zweefde.
Neen, dat reusachtig kapitaal, dat hij had opgelegd, was niet het doel van zijn leven, maar slechts het instrument, de brug, die hem moest brengen in het rijk zijner idealen. Niet de _hebzucht_, maar de _eerzucht_ deed het hart van dezen geldkoning sneller kloppen, en dit veelzeggend woord is eens in een onbewaakt oogenblik over zijn lippen gekomen: »Ieder mensch is te koop, maar de prijs verschilt."
Met dit woord heeft hij echter zijn eigen vonnis geveld.
Toen hij tot lid van het Kaapsche parlement werd gekozen, wist Cecil Rhodes ter dege goed, dat het Hollandsch-Afrikaansche element in de Kaapkolonie een overwegenden invloed heeft.
Hij rekende er mede.
Hij streelde de Afrikaanders; hij lokte en vleide hen, en voor hun verbaasden blik stak hij een vuurwerk af van schitterende beloften.