De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96

Part 2

Chapter 23,739 wordsPublic domain

Meer wist zij nog niet te zeggen, doch de oude Kloppers nam de kleine dreumes van den grond, en beurde ze met zijn gespierde handen hoog de lucht in, zoodat ze 't uitkraaide van plezier.

Dan nam hij ze op zijn arm, en de kleine sloeg de bloote, mollige armpjes om zijn stevigen nek. Zij rukte en plukte met de kleine vingers in zijn haar, en vleide de zachte, bloozende koontjes tegen het verweerde gelaat van den ouden Voortrekker.

Marling bekeek intusschen den reebok, dien de kaffers voor de huisdeur hadden neergelegd.

»'t Is een prachtige bok--hebt _gij_ hem geschoten?" vraagde Charles.

»Dat denk ik wel," antwoordde baas Kloppers; »ik schoot hem op drie honderd meter afstands."

»Gij zijt een eerste schutter," meende Marling.

»Waarom?" vraagde de grijsaard droogjes.

»Wel--omdat ge den reebok op driehonderd meter hebt geschoten," zeide de Engelschman.

»Dat is geen bewijs," hernam de oude Kloppers. »Ge moet onderzoeken, of de reebok maar één kogel heeft gehad--dat is de hoofdzaak."

Marling onderzocht den geschoten bok.

»Ik kan slechts één wond ontdekken--tusschen de oogen."

»Ge zult ook lang kunnen zoeken naar de tweede," meende de Voortrekker bedaard.

Vorschend liet hij den blik in 't ronde gaan.

»Ziet gij den roofvogel daar, in den top van dien gomboom?"

»Ik zie hem," zeide Charles.

»Hoe groot schat ge den afstand tusschen ons en dien roofvogel?"

»Den afstand--" zeide Marling, »den afstand--dat weet ik niet. Misschien honderd meter."

»Honderd meter?" zeide Kloppers; »honderd meter? 't zijn ruim honderd zestig meter, wat ik je zeg. Ge zult nooit een goed schot doen, als ge den afstand niet kunt bepalen."

Hij keek nog eens naar den roofvogel, die met afgewenden kop zat te loeren op een prooi.

De scherpschutter kwam weer boven.

Hij nam een scherpe patroon uit den bandelier, en schoof ze in den loop van het geweer.

»Kijk Charles," zeide hij onderrichtend, »naar den afstand wordt het vizier gesteld, en als gindsche roofvogel mij nog tien seconden gunt, dan haalt mijn kogel hem uit de kroon van den gomboom, of--ik kan den afstand niet meer schatten."

Hij legde aan--een kleine vuurstraal glipte uit den loop van het geweer--een korte, scherpe knal--de roofvogel spreidde de zware vleugels uit, tuimelde rond en viel dood tegen den grond.

»Die zal mijn duiven geen kwaad meer doen," zeide de Voortrekker kalmpjes.

»Dat denk ik ook niet," zeide de Engelschman, terwijl hij vol verwondering was over de vaste hand van dezen tachtiger, en hij was juist van plan, om den roofvogel te halen, toen een vreemde kaffer te paard het erf kwam oprijden.

Hij hield recht op baas Kloppers aan.

»Dat is de kafferknecht van één mijner kleinzoons, die te Buffelskloof woont," zeide de grijsaard tot Marling.

Vervolgens wendde hij zich tot den kaffer en zeide: »Zoo Februari, wat breng je voor nieuws?"

»Hier baas," zeide de kaffer, die Februari heette, en reikte een brief over.

De oude Kloppers opende het couvert, en al lezende begon zijn verweerd gelaat te stralen van blijdschap.

»Goed nieuws," zeide hij tot den Engelschman, »goed nieuws, hoor!"

»Mag ik weten, welk nieuws?" vraagde Marling.

»Raad maar eens, Charles, raad maar eens!" riep de Voortrekker op vroolijken toon.

»Misschien is er een goudmijn ontdekt op één uwer plaatsen," meende Marling.

»Een goudmijn," zeide de grijsaard met een minachtend gebaar, »een goudmijn! God schenkt mij overvloed--wat geef ik om een goudmijn?"

»Goed--dan hebt ge er zeker een achterkleinzoon bij gekregen," schertste Charles, waarop de grijsaard, den Engelschman joviaal op den schouder kloppend, lachend zeide: »Roodbaatje, ik geloof wezenlijk, dat ge zoetjes aan den Boer der Afrikaansche wildernis begint te begrijpen. Kom, wij zullen moeder de vrouw eens verrassen!"

Ze gingen samen naar binnen, en de oude Voortrekker riep met krachtvolle stem: »De Kloppersstam bloeit nog, Anneke!"

»Van wien komt de tijding?" vraagde de oude vrouw.

»Van Buffelskloof," zeide de grijsaard.

»Kom aan," zeide zij op opgewekten toon, »en hoe maakt het de moeder?"

»Uitstekend--zij heeft zelf den brief geschreven."

»Is het een jongen?"

»Een Transvaalsche Boer--ben jij daar nu blij mee, Anneke?"

»Ik wel," zeide zij vroolijk.

»Nu ge je zoo goed houdt," meende de oude Kloppers lachend, »krijg je er nog een meisje bij, want er zijn te Buffelskloof tweelingen geboren."

»Hoeveel kleinkinderen hebt ge nu al, oom Kloppers?" vraagde Marling.

»Wat denk je?" zeide Kloppers.

»Vijftig," meende Charles, die nu eens veel wilde raden.

»Een en zeventig," riep de oude Voortrekker met eenigen trots.

»'t Zijn er twee en zeventig," zeide de oude vrouw, die inmiddels de hoornen bril opzocht, om den brief te lezen.

»En hoeveel achterkleinkinderen denkt ge, dat ik heb?" vraagde de Voortrekker.

»Tachtig," zeide Marling, vast overtuigd, dat hij thans ten minste te hoog raamde.

»En achttien er bij," riep de grijsaard met klem.

»Twintig er bij," verbeterde de accurate overgrootmoeder; »ge vergeet de tweelingen van Buffelspoort."

»'t Is waar ook," zeide de Voortrekker lachend.

* * * * *

Lena zette den gieter met water, waarmede zij bezig was, de bloemen te besproeien, in het pad, en wenkte Marling.

Zij had bij het feit, dat aan grootvader Kloppers het honderdste achterkleinkind was geboren, een bijzonder plan gemaakt.

»Kijk," zeide ze, »ik wil de oude luidjes heden avond eens verrassen. Ginds in het nieuwe dorp--van den heuvel kunt ge den kerktoren zien--wil ik van middag eens vertellen, welk heuchelijk feit er heeft plaats gehad in onze familie. Ge zult zien, Charles, dan komen ze van avond allen hier, om mijn grootouders te feliciteeren."

»En wat meer?" vraagde de Engelschman.

»Wel," zeide zij, »dan moest gij heden avond eens een mooi, toepasselijk gedicht klaar hebben, om het feest op te luisteren."

»Een gedicht," riep Charles, »een mooi, toepasselijk gedicht, en dat nog wel een Afrikaansch--al kon ik er mijn leven mee redden, Lena, ik vrees, dat ik het niet klaar krijg!"

»Dat spijt mij," zeide zij teleurgesteld.

»Maar misschien begint mijn dichtader wel te vloeien, als ik van middag mee mag naar het dorp," schertste Marling.

»Goed," zeide Lena in denzelfden toon, »jij gaat mee, maar jij zorgt dan ook voor een gedicht!"

Na het eten werden de paarden gezadeld. Lena nam den goudvos, en Charles besteeg den langbeenigen »Vijftigponder," die in den stal van baas Kloppers werkelijk was opgefleurd.

Zoo reden zij samen door den stillen zomernamiddag, en na een rit van een goed uur hadden zij het doel van hun tocht bereikt, het nieuw aangelegde dorp.

Met belangstelling maakte Marling kennis met de breede, eentoonige, ongeplaveide straten, die elkander rechthoekig sneden, met de stevige, uit zware balken gemaakte schutskooi, waarin een bontgevlekte os stond te brullen, met de lage, slechts één verdieping hooge huizen, met de watervoor, die het dorp van water voorzag, met de groepen kinderen, die langs den weg in het zand lagen te ravotten, en met de kunstelooze, witgeverfde kerk, die, op een heuvel gebouwd, met haar slanken toren reeds van verre zichtbaar was.

* * * * *

Een groot aantal kennissen en vrienden zijn opgezocht, die beloofd hebben, heden avond op Vredenoord te komen, en Lena en Marling zijn nu op den terugweg.

Pratend, keuvelend en schertsend rijden zij door, en zij hebben den leêren teugel los over den nek hunner paarden geworpen, die reeds verscheidene minuten stappen.

Nu staakt het gesprek.

De zon neigt naar de westerkimme.

Het is een liefelijke avond; de drukkende hitte wordt getemperd door een frissche koelte. Als sterren blinken de bloemen op het landschap, dat twee dagen geleden door milde regenstroomen is verkwikt, en nauwlijks beweegt zich het loover der opgaande boomen langs den heirweg.

»Wat schoone avond!" zegt Charles, als uit een gepeins ontwakend.

»Schoon," zegt Lena, »wonderschoon! Welk land is schooner dan ons Afrika?"

»Ik zou, met u aan mijn zijde, heel Afrika willen doorkruisen," voegt Charles er aan toe, Lena aanziende.

Er gaat een blos over haar gelaat--komt het van den weerschijn der avondzon?

Doch snel gevat antwoordt zij: »Er zou een heele tijd mee gemoeid zijn, vooral als we, zooals op dit oogenblik, slechts stapvoets vooruit komen."

»Hoe langer het duurde, hoe liever," zegt Charles met een bijzonderen, warmen klank in zijn stem.

»Is het u niet opgevallen, dat ik reeds zooveel weken op Vredenoord vertoef? Begrijpt gij niet Lena, dat _gij_ er de oorzaak van zijt?"

Een hoogrood kleurt haar wangen--neen, dat komt niet van den weerschijn der avondzon!

»Hoe zoo?" vraagt zij, doch met één grijpt zij den toom van haar paard, en geeft het een slag met het vlak van haar hand.

De goudvos springt steigerend op, doch Marling roept dringend: »Lena, gun mij dit oogenblik--dit éénige oogenblik!"

Lena houdt den teugel in van haar paard.

»Zie Lena," zegt hij, »ik sta hier alleen in een vreemd land; aan een eigen haard zou ik willen zitten, in een eigen tehuis. Wanneer ik moegesloofd het kantoor verlaat, dan zou ik aan mijn eigen haard willen uitrusten, en mijn liefste wensch zou in vervulling gaan, indien uw vriendelijk oog mij welkom toeriep. Hand aan hand met u, Lena, zou ik door de wereld willen gaan, lief en leed, smart en vreugde met u deelend, zooals een rechtschapen man dat deelt met de vrouw zijner keuze!"

Zoo spreekt Charles Marling, en hij zegt nog veel meer, zooals het oogenblik het hem ingeeft, doch Lena schudt droevig het hoofd.

Met vochtige oogen staart zij hem aan, den eenzamen man, en zegt: »Charles, laten wij met elkander spreken als verstandige menschen. Gij hebt in de kringen, waarin gij zult moeten verkeeren, eene andere vrouw noodig dan een meisje, dat is opgegroeid in de Transvaalsche wildernis."

»O neen," herneemt hij ijverig, »in een Republiek, waar de vrouw van den machtigen Paul Kruger eene Afrikaansche Boerendochter is, daar durf ik het gerust met u te wagen. Bovendien, ik zou met u te Windsor durven verschijnen, aan het hof van koningin Victoria."

»Ja durven--dat kan waar zijn," meent Lena, »maar dat zou voor u te pijnlijker zijn, indien uw vrouw eene dwaze figuur maakte!"

»Och kom," zegt Charles half schertsend, »als dàt het grootste bezwaar is, dan loopt het nog al los."

»Er is een grooter bezwaar," zegt Lena op langzamen, ernstigen toon. »Ik ben een kind van Afrika, en hang met al de vezelen van mijn hart aan mijn volk. Gij zijt een Engelschman, Charles--neen, val me nu niet in de rede--laat mij uitspreken, want hier staat het levensgeluk van twee menschen op het spel."

Zij houdt even op.

»Ga voort," dringt Marling in groote spanning.

»Gij zijt een Engelschman," herneemt Lena, »en gij hebt uw volk lief als ik het mijne. Dat duid ik u niet ten kwade, Charles, want reeds de groote Hollandsche dichter Vondel heeft gezongen: »De liefde tot zijn land is ellek aangeboren." Doch het Engelsche en het Hollandsch-Afrikaansche ras hier in het zuiden van ons werelddeel kunnen elkander niet verdragen--we zullen nu laten rusten, wie er de schuld van is--en worstelen met elkander om den voorrang. Dat baart moeite, wrijving en strijd. Het verdeelt Zuid-Afrika in twee vijandelijke kampen, en wij beiden trekken in dien strijd partij, want ik heb Afrika lief, en úw hart klopt voor Engeland."

»Mijn hart klopt voor u, Lena," zegt Charles, »en dat is voor mij de hoofdzaak. Trouwens gij weet toch ook wel, dat meer dan één Engelschman met eene Afrikaansche is getrouwd."

Het meisje knikt bevestigend.

»En zijn dat slechte huwelijken geworden?" vraagt hij.

Zij trekt de schouders op.

»Ik weet het niet," zegt zij.

»Maar ik weet het wel," valt hij in; »het zijn gelukkige huwelijken geworden," en terwijl een glimlach als een heldere zonnestraal heenglijdt over zijn gelaat, gaat hij voort:

»Gij spreekt van een rassenstrijd, maar die rassenstrijd zal verhuizen naar het schimmenrijk, en de brandende Afrikaansche kwestie zal met één slag zijn opgelost, als Boeren en Engelschen zich verzwageren."

»Natuurlijk zoo, dat de Engelschen baas blijven," zegt Lena met een vleugje humor in den ernstigen toon, doch Charles legt haar woorden verkeerd uit en herneemt: »Wie denkt aan het baasschap, wanneer liefde het hart verwarmt en de lippen opent! Ik had gehoopt, Lena, dat mijne liefde u niet geheel onverschillig zou laten, maar gij spreekt zoo koel en nuchter, dat ik wel tot de treurige gewisheid moet komen, dat er geen vonkske liefde voor mij gloort in je hart."

Er ligt een onmiskenbare ontstemming, neen, meer dan dat: er ligt zielepijn in zijn woorden, en Lena voelt er de bitterheid van.

»O Charles," barst zij uit, »dat ge dàt kunt zeggen! Geen vonkske liefde, zegt ge? Weet ge dan niet, dat ik u liefheb?" en zij heft hare betraande oogen en haar wonderschoon gelaat op tot den Engelschman.

»Weet ge dan niet, dat ik u liefheb?" zegt ze nog eens. »Heb ik u niet lief--als een zuster den broeder?"

In ademlooze spanning hangt Marling's blik aan haar lippen, doch Lena zwijgt, en peinzend gaan haar slanke vingers door de gele manen van haar goudvos.

»O Lena," zegt hij nu met een stem, waarin hoop en vrees met elkander worstelen, »gij spreekt van eene zusterlijke liefde, doch ik bedoel nog eene andere liefde, die dieper gaat, en die ons over de afgronden van den rassenhaat zal heendragen met lichten vleugelslag!"

Nog altijd spelen Lena's vingers met de manen van haar goudvos.

»Als het maar waar was!" zucht ze.

»O het is waar!" roept hij met welsprekenden mond; »ik neem de verantwoordelijkheid op mij. En één ding vergeet ge, Lena, de hoofdzaak, dat wij leven uit hetzelfde geloof, uit hetzelfde beginsel. Uw God is mijn God, en deze geloofsgemeenschap zal ons scheepke veilig brengen door alle golven en brandingen heen die gij, verstandig schepseltje, ziet. Maar ge zult het gewaar worden, dat deze golven en brandingen slechts in uw verbeelding bestaan, en later--later zullen wij over uw schrikbeelden praten, zooals groote menschen praten over de spoken hunner kinderjaren."

Hij wordt al welsprekender. Lena zegt geen woord meer, doch staart hem in het vriendelijk gelaat, waarover thans, de lichtglans heentrekt der scheidende avondzon. En nu hij heeft uitgesproken, houdt zij haar paard stil, ziet hem bewogen in de lieve bruine oogen, reikt hem de hand en zegt: »Charles, geef mij tijd, om over deze zaak te denken!"

Dan grijpt zij den teugel van haar paard en roept: »Voske, naar huis toe!"

Het edele paard werpt den prachtigen kop omhoog, en slaat de slanke pooten uit. Slechts met moeite kan de langbeenige »Vijftigponder" hem bijhouden.

Wijd uit de verte klinkt, weemoedig en melodieus, het avondgelui van het dorpstorentje, en uit de nabijheid komt het luide geblaf der groote honden, die Kloppers' vee naar huis drijven, het geknal der zweepen, heb geloei der beesten en het geblaat der schapen, die hun lammeren roepen.

Charles noch Lena spreken een woord.

Aan hun rechterkant breekt een hert door het bosch heen, en kruist in snelle sprongen hun pad. En hoog boven hun hoofden kirt een boschduif, zich wiegend in de kroon van een gomboom.

Doch de schaduwen der boomen worden langer, en de westerkimmen gloeien als een zee van goud.

HOOFDSTUK III.

De avond was gevallen en baas Kloppers zat bij den vlammenden haard zijn vrouw het jongste nieuws voor te lezen uit »de Volksstem", toen zijn scherp gehoor het geluid van drukke stemmen en van paardegetrappel opving.

»Dat begrijp ik niet," zeide de oude Kloppers en hij ging naar buiten.

Hij zette de handen in de zijde en riep verbaasd: »Daar schijnt een heel kommando aan te komen!"

Nu waren de ruiters op het erf aangekomen, en terwijl reeds eenige Kaffers kwamen aanloopen, om de paarden in den stal te brengen, sprongen de boeren snel uit het zaâl, kwamen op baas Kloppers aanhollen, alsof zij hem omver wilden loopen, schudden zijn hand en riepen: »Oom Dirk, we komen je van avond eens gelukwenschen met de jongste tweelingen van Buffelskloof!"

Nu was de grijsaard er achter.

Met een vroolijken lach begroette hij de ruiters en zeide: »Dank je, mannen, dank je! Daar doe je nu eens goed aan! Dat is echte Afrikaansche vriendschap, die op den laten avond nog mijn hart verheugt--komt binnen!"

»Lena, waar zit jij?" riep hij. »Haal eens gauw eenige flesschen wijn!"

Met de hulp der vrienden werd met bekwamen spoed een lange tafel in orde gesteld, en men nam plaats.

Het leverde wel een eigenaardig gezicht op.

Daar hadt ge Hans Veen, den kleermaker, die vermaard was door zijn onmiskenbaar talent, om op de onmogelijkste dingen een rijm te fabriceeren, en naast hem zat--met dat leuk en effen gelaat--een zwartgebaarde boer. Eenige zetels verder werd het oog geboeid door den echten Nimrodskop van een vermetelen olifantenjager, die soms zes maanden achtereen in het hooge noorden zwierf, op de jacht van olifanten en nijlpaarden, en recht tegenover den ouden Kloppers zat Kees Lakenvelder, evenals baas Kloppers het hoofd van een groote, geachte familie. In het geheim werd gemompeld, dat er in zijn hart altijd een kleine jaloezie opkwam, wanneer men hem vertelde, dat Kloppers toch eigentlijk nog een mooieren veestapel had dan hij, doch dat daargelaten was hij een flink Afrikaander, gul en gastvrij, en de nationale zaak met hart en ziel toegedaan.

In het midden der tafel hadden Dirk Kloppers en zijne vrouw plaats genomen, beiden met een glimlach van voldoening op het gelaat, en de petroleumlamp, die reeds sedert jaren het sobere licht der vetkaars op Vredenoord had verdrongen, wierp over al die vroolijke en lachende menschen haar helder en rustig licht.

Intusschen bediende Lena met vaardige hand de gasten.

»Nu, neef Dirk en nicht Anna," zeide baas Lakenvelder, »op de gezondheid van de tweelingen!" en hij dronk het glas leeg in éénen teug.

»En ik hoop, dat ze binnen het jaar mogen loopen," meende de zwartgebaarde, terwijl hij reeds het tweede glas te pakken had.

»En dat ze wakkere Afrikaanders mogen worden en moedige jagers!" riep de zware stem van den olifantenjager.

»'t Eene is een meisje," zeide grootmoeder Kloppers terechtwijzend, welke opmerking met een algemeen, schaterend gelach werd begroet.

Het is inderdaad een gezellig, prettig avondfeest, en terwijl geen ruw woord, nog minder een vloek wordt vernomen, doet menige onschuldige kwinkslag de rondte. En juist zal de olifantenjager zijn jongste jachtavonturen mededeelen, als hij in zijn voornemen wordt gestuit door de komst van Geertrui en van Reinard Jansen, een zoon van grootmoeder Kloppers' broeder Lodewijk[1].

[1] Zie »Helden van Zuid-Afrika".

Reinard Jansen is zoo pas bij Geertrui aangekomen, wil van nacht op Vredenoord logeeren, en morgen zijn reis voortzetten naar huis.

Hij telt ruim vijftig jaren, en is, evenals de meeste Boeren een forsche, rijzige, breedgeschouderde figuur. Zij, die zijn vader Lodewijk Jansen, Dirk Kloppers' zwager, hebben gekend, zeggen, dat hij van al de kinderen het meest van zijn vader weg heeft: dat breede, krachtige, stalen voorhoofd, die zware wenkbrauwen, die strenge flikkerende oogen en die vastberaden en onverzettelijke trek om de mondhoeken. Een vreemdeling zou hem van hardheid beschuldigen, en in hoever deze beschuldiging waar is, wil ik thans niet beoordeelen, doch dit durf ik te zeggen: wat Reinard Jansen is, dat is hij geheel--geducht als vijand, trouw als vriend! Hij houdt zich met geen praatjes op; ge weet, wat ge aan hem hebt, en hij en zijns gelijken zijn de ruwe maar sterke en vertrouwbare zuilen, waarop de Zuid-Afrikaansche Republiek rust.

Met verwondering gaat zijn oog over die vroolijke, lachende gezichten, waarvan hij er verscheidene persoonlijk kent, en terwijl hij de overgrootouders gelukwenscht met de vermeerdering der familie, zet hij zich naast den olifantenjager neder.

Doch het is nu een oogenblik stil geworden, en van deze gelegenheid maakt Charles Marling gebruik, om op te staan en zijn glas op te nemen.

»Geachte vrienden!" zegt hij met zijn welluidende stem.

»Wie is dat?" vraagt Jansen aan den olifantenjager, terwijl zijn voorhoofd zich fronst, want aan het accent heeft hij onmiddellijk den Engelschman herkend.

»Een vriend van oom Dirk," antwoordt de olifantenjager.

»Zoo," zegt Reinard Jansen.

Zijn voorhoofd effent zich weder.

»Geachte vrienden! Ik reken het mij tot een eer en voorrecht, hier als gast van mijn hooggeschatten gastheer Dirk Kloppers en zijne wakkere gade aan dit feest ter herinnering aan eene heugelijke familiegebeurtenis tegenwoordig te mogen zijn."

Er gaat een goedkeurend gemompel door het ruime groote vertrek.

»Uit den grond van mijn hart verblijd ik mij in dit feest, en ik hoop, dat mijn hooggeschatte gastheer en zijne wakkere gade hun kleinkinderen en hun achterkleinkinderen nog mogen zien opgroeien tot waardige leden van de Republiek, die gij liefhebt, [goed gezegd] en die ik hoogacht. [_Luide toejuichingen._] Ik spreek dan ook den wensch uit, dat de tweelingen, die gisteren te Buffelspoort zijn geboren--"

»Buffelskloof," verbetert de accurate overgrootmoeder.

»Of beter gezegd te Buffelskloof, niet de laatste achterkleinkinderen mogen zijn, die aan onze geachte jubilarissen zijn geboren, en dat Kloppers' geslachtsboom onder des Heeren zegen moge groeien en bloeien en de takken wijd uitspreiden in de vier winden des hemels, tot in lengte van dagen!"

Met groote geestdrift worden deze woorden toegejuicht, en Charles is plotseling de held van den avond.

Zelfs Reinard Jansen voelt zich gedrongen tot de opmerking: »Dat Roodbaatje heeft banjer[2] goed gesproken."

[2] Zeer.

Doch Marling verzoekt nog eens het woord.

»Waarde vrienden," begint hij opnieuw, »ik heb nog iets op het hart. Ge weet, ik ben een Engelschman, en gij zijt Afrikaanders."

Jansen fronst opnieuw de zware wenkbrauwen.

»Ik durf nog meer te zeggen, ik heb eens tegen de boeren gevochten--bij den Langnek."

Reinard Jansen springt op van zijn stoel, de olifantenjager slaat met de harde vuist op de tafel, en zelfs de blauwe oogen van Dirk Kloppers worden onrustig.

»Doch zonder dezen man"--Marling wijst op den gastheer--»zou ik menschelijkerwijze gesproken den dag, die op het gevecht van Langnek volgde, niet hebben gehaald. Hij, een Afrikaander, redde het leven van mij, een Engelschman."

Jansen gaat weer zitten; de olifantenjager knikt bevredigd; de blauwe oogen van Dirk Kloppers staan weer rustig als altijd.

»Deze zaak heeft mij intusschen veel te denken gegeven, en ik heb me afgevraagd, of de gespannen verhouding, die tusschen het Engelsche en het Hollandsch-Afrikaansche ras helaas bestaat, eeuwig als een vloek op het zonnige Zuid-Afrika zal moeten blijven rusten. Ik heb mij afgevraagd, of er geen verzoening denkbaar is."

»Neen," roept Reinard Jansen met harde stem, »ze is niet denkbaar!" doch Dirk Kloppers zegt geen woord.

»Ik meen, dat ze wèl denkbaar is en uitvoerbaar ook," gaat Marling voort met den gloed der overtuiging.

Hij houdt even stil; zijn oog glijdt over de vergadering heen, die met aandacht, neen in spanning luistert, en aan het einde der tafel staat Lena.

Hij tracht haar blik op te vangen, doch zij staat daar, de donkere wimpers neergeslagen, vol angst en vreeze.