De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 19
Maar het meesterke heeft de handen gevouwen, en staart door de kleine ruiten naar buiten, naar het nachtelijk landschap en is vol hope.
* * * * *
Ik zal er me niet aan wagen, om het tooneel te schetsen, dat in den schemerenden morgen van den tweeden dag van het nieuwe jaar in den verlaten woning plaats greep, toen Frits Jansen, opblikkend uit zijn onmacht, in de oogen staarde van zijn vader.
Het meesterke verliet stil het vertrek, want in dit plechtig en heilig oogenblik voelde hij er zich te veel.
Hij ging naar buiten, en dronk met volle teugen de frissche morgenkoelte.
En Reinard Jansen en zijn zoon waren alleen.
Neen, alleen wel niet.
Licht hebben eenige engelen het roerende tooneel aanschouwd. Zij verblijden zich immers, als een zondaar zich bekeert, en zouden zij dan onverschillig zijn, als een vader zich verzoent met zijn kind, en de verbroken doch door God gewilde band vast en innig opnieuw wordt geknoopt?
* * * * *
Doch dit is heden morgen geschiedt, en thans is het namiddag.
Frits Jansen zit, het hoofd in doeken, zoo wel als het in de gegeven omstandigheden maar wezen kan, in een wonderlijk gevaarte, door Eliëzer met vaardige hand in elkander gehamerd, en met den wijdschen naam van »ziekestoel" betiteld.
En Reinard Jansen zit naast hem, de handen van zijn jongen in de zijne. En het meesterke heeft zijn zakbijbeltje genomen en leest een kapittel voor uit het evangelie van Johannes, doch Eliëzer is een soort ordonnans geworden, en brengt tijdingen aan van den stand van het gevecht.
Want nog altijd knettert het geweervuur en ratelt het Maxim en dondert het Engelsche kanon. En zeer zeker zou Reinard Jansen hier niet zitten, had zijn Kommandant hem niet de stellige verzekering laten brengen, dat hij thans van wege de beduidende versterkingen, die de Boeren in den loop van dezen dag hadden ontvangen, kon worden gemist.
Doch plotseling mengt zich van een geheel andere zijde nieuw geschutvuur in de wilde oorlogsmuziek.
Reinard Jansen spitst de ooren.
»Dat zijn _onze_ kanonnen, Frits!" roept hij met stralenden blik.
Daar volgt een tweede uitbarsting, zwaarder nog dan zoo even--driftig en dreigend!
»Onze kanonnen spreken een duidelijke taal," zegt Frits, terwijl een lichte blos zijn bleeke wangen kleurt.
»Ze zeggen: Geef je over of ik vermorzel je!" roept Reinard Jansen, terwijl de oude strijdlust uit zijn grijze oogen schittert.
En nu verstomt plotseling de wilde oorlogsmuziek, en het gewoel van den slag bedaart.
»Gauw, Eliëzer, gauw!" beveelt Reinard Jansen; »neem den bruine, en breng ons spoedig goede tijding! Ze zoeken misschien hun heil in de vlucht--onze Boeren moeten hen keeren--o Frits, ik had er bij moeten zijn!"
»Ze moeten het dezen keer dan maar zonder u klaren," schertst het meesterke.
Het duurt lang, heel lang, voordat Eliëzer terugkomt.
Reinard Jansen begint al te trappen van ongeduld.
Doch eindelijk ziet hij door de kleine ruiten den bruinen klepper aankomen. Eliëzer echter is niet alleen--een groep Boeren vergezelt hem--zij rennen zoo hard, alsof zij van plan zijn, om de oude woning onder den voet te rijden.
De oude Kloppers is de eerste die de woning binnentreedt. Achter hem aan komen Reinard Jansen's zonen en zijn eigen zoon Jan.
Jan's gelaat staat dubbel blijde, want hij heeft daar straks van een renbode, door de bezorgde Geertrui afgezonden, de goede tijding ontvangen, dat het gevaar bij zijn ziek kind geweken is.
Reinard Jansen echter is opgestaan; ook het meesterke.
Slechts Frits blijft door zijn zwakte, gevolg van het bloedverlies, aan den ziekenstoel gekluisterd.
»Wat brengt ge?" vraagt Reinard Jansen, doch hij behoeft het niet te vragen.
In de schitterende oogen der binnenkomenden ligt alreeds het antwoord.
»God de Heere gaf ons een volledige zegepraal," zegt de grijze Kloppers.
»En niemand is ontkomen--_niemand_!" roepen de anderen.
Daar ontbloot Reinard Jansen het hoofd, wuift met den hoed en roept met machtige stem: »Zoo moge het al de vijanden van ons volk vergaan!--Hoera!--Leve onze Republiek!"
En al de aanwezigen stemmen in met dien kreet; zelfs Reinard Jansen's heldenzoon kan het niet uithouden in zijn ruststoel, en de oude ruiten rammelen in hun sponningen: »Hoera!--Leve de Zuid-Afrikaansche Republiek!"
HOOFDSTUK XXXIX.
Toen den Engelschen de donder van het Transvaalsche geschut in de ooren klonk, gaven zij 't op. De schrik sloeg hen om het hart, en in den doodelijken angst, die hen vervulde, grepen zij--de vuile, witte voorschoot van eene oude Kaffermeid, en bonden de voorschoot als een bewijs van overgave aan de spits van een bajonet.
Doch die voorschoot was nog niet voldoende; zij namen handdoeken, lakens en wat zij maar grijpen of vangen konden, om aan dien moorddadigen kogelregen toch maar een snel einde te maken.
Toen kommandant-generaal Joubert eenige dagen later de woning binnentrad, waar die oude Kaffermeid woonde, kwam zij met de volgende klacht: »Mijnheer, de Engelschen hebben mijn voorschoten en handdoeken en lakens gevat, zonder mij daarvoor iets te betalen, en op wien moet ik het nu verhalen?"
De generaal lachte smakelijk en gaf haar een halve kroon.
Het ambtelijk rapport van kommandant Cronjé over het laatste bedrijf van het Jameson-treurspel luidt als volgt:
»Toen ik met den uitersten spoed door den drift bij den eigenlijken Doornkop was doorgesneld, en het klipkopje voornoemd bereikte, zag ik de witte vlaggen reeds omhoog gestoken. Ik zond toen dadelijk een ordonnans om te vragen, wat Jameson's plannen waren, en gaf den burgers orders, om niet meer te schieten. Het antwoord was, dat hij onmiddelijk zou terugkeeren, indien wij zijn leven en dat zijner manschappen spaarden. Mijn antwoord daarop was, dat het nu te laat was, om terug te keeren, doch dat zij onmiddelijk vlag en wapens moesten afgeven, en dat ik hen daar zou brengen, waar ik meende, dat zij behoorden te zijn. Verder zeide ik, dat ik op voorwaarde, dat zij alle schade, der Regeering aangedaan, betaalden, hun leven zou sparen, zoolang zij onder mijn bevel stonden, en dat er binnen dertig minuten op deze eischen bescheid moest worden gegeven. Deed Jameson dit niet, dan moest hij zich gereed maken, om opnieuw te vechten.
Ik liet toen al de posities in de nabijheid door de burgers innemen, en gaf kennis, dat ik op zekere hoogte zou staan, om, indien de vijand hardnekkig bleef weigeren, aan mijn eischen te voldoen, de roode vlag te hijschen als sein, om opnieuw den vijand aan te vallen, en hem tot den laatsten man neer te schieten.
Drie en twintig minuten later kwam het antwoord: »Wij geven ons geheel en al met alles in uwe handen over op voorwaarde, dat gij voor ons leven instaat."
Ik sprong toen te paard met ongeveer 500 burgers en vertrok naar den vijand. Bij het oude woonhuis gekomen, vroeg ik naar den bevelhebber, waarop vier officieren verschenen. Ik was verbaasd te zien, hoe ellendig en vuil zij er uit zagen. Een der officieren lag te sterven. Om hem heen stonden verscheidene manschappen, die hem beweenden, inzonderheid scheen Majoor Willoughby zeer verslagen en weende bitterlijk.
Jameson zelf beefde als een riet, maar weende niet, schoon hij niet bij machte was, een woord uit te brengen.
Ik zeide tot hem: »Ik zal mijne burgers aan de ééne zijde van den weg vóór hunne paarden stellen met geladen geweren, en ik verwacht, dat gij uwe mannen zult gelasten, aan de andere zijde van het pad de wapens neer te leggen, zoodanig dat de kolf of romp van het geweer aan onzen kant moet liggen.""
En zoo geschiedde het.
En terwijl Jameson met zijn hoofdofficieren naar Pretoria werden vervoerd, en de overige manschappen elders werden gevangen gezet, namen de dappere Boeren onder luid gejuich bezit van de Engelsche kanonnen en maxims.
* * * * *
Twee dagen na Jameson's overgave, Zaterdag 4 Januari, kwam Sir Hercules Robinson, de gouverneur der Engelsche Kaapkolonie[22], te Pretoria, en Maandag 6 Januari had het eerste onderhoud plaats met de Transvaalsche Regeering.
[22] »Transvaalsche Herinneringen" door Dr. E. J. P. Jorissen.
Een jaar te voren had Sir Hercules de Transvaalsche spoorwegfeesten meegevierd. Toen was zijn houding fier, bijna hooghartig, en in spijt van zijn zeventig jaren bewoog hij zich tusschen de feestgenooten recht als een kaars, met veerkrachtigen tred.
Thans trad hij gebogen, leunend op een stok, de raadzaal binnen onder den indruk der pijnlijke taak, die hem wachtte.
Hij kwam ongeroepen, en zijn aanbod, om te komen, was twee dagen lang onbeantwoord ter zijde gelegd. En in het bescheid, dat hem toen gewerd, was als reden de veelzeggende zinsnede ingelascht: »om verder bloedvergieten te voorkomen." Immers al zat Jameson met zijn gezellen achter de ijzeren grendels, het revolutionaire Johannesburg moest nog gemuilband worden.
Doch eere wien eere toekomt! Sir Hercules heeft getoond, een eerlijk, rechtschapen man te zijn, vrij van alle Jingoïsme, en dat hij Jameson's inval hoogelijk afkeurde, was oprecht gemeend.
Dit neemt niet weg, dat hij een moeielijke positie had, en toen hij in de loop van het eerste onderhoud over hervormingen begon te spreken, was hij op een punt gekomen, waar Paul Kruger niet willens was hem te volgen.
»Er kan over niets anders worden gesproken dan over maatregelen, om verder bloedvergieten te voorkomen," zei de President, terwijl hij den stevigen kop schudde; »Johannesburg moet de wapens nederleggen--"
»Ja, doch op welke voorwaarden?" vraagde Sir Hercules.
»Zonder voorwaarden--onvoorwaardelijk!" was het besliste antwoord.
»Dan vrees ik, dat de Johannesburgers de wapens niet zullen nederleggen," meende Sir Hercules aarzelend.
»Dan ga ik ze halen," zeide de President, en met een ijzige kalmte liet hij er op volgen: »Ik geef aan Johannesburg vier en twintig uren tijd, om aan mijn eisch te voldoen."
Paul Kruger bezat de macht, om aan dien eisch klem bij te zetten, want twaalfduizend Boeren, die zich in de nabijheid van Johannesburg hadden gelegerd, verlangden naar het oogenblik, om met de Johannesburgers af te rekenen.
Doch zoover kwam het niet.
Johannesburg boog het trotsche hoofd, leverde de wapens uit, 10 Januari vaardigde Paul Kruger de volgende Proklamatie uit, een meesterstuk van staatsmanswijsheid:
»Aan alle Ingezetenen van Johannesburg!
Ik Stephanus Johannes Paul Kruger, Staatspresident der Zuid-Afrikaansche Republiek, met advies en consent van den Uitvoerenden Raad, blijkens artikel 6 zijner notulen dato 10 Januari 1896, maak aan alle ingezetenen van Johannesburg en omstreken bekend, dat ik met onuitsprekelijken dank aan God vervuld ben, dat door de kloekmoedigheid en dapperheid mijner burgers de verachtelijke en verradelijke inval in mijn land is teruggeslagen, en de onafhankelijkheid der Republiek is gered.
De personen, die schuldig aan dit misdrijf zijn, moeten natuurlijk volgens de wet worden gestraft, dat wil zeggen, terechtstaan voor het Hoog Gerechtshof en eene Jurie. Maar er zijn duizenden, die misleid en bedrogen zijn geworden, en het is mij duidelijk gebleken, dat zelfs onder de zoogenaamde leiders der beweging velen zijn, die men heeft bedrogen.
Een klein aantal listige mannen binnen en buiten het land hebben de arme ingezetenen van Johannesburg en omgeving kunstmatig opgestookt; onder den schijn van voor politieke rechten te strijden dag aan dag als het ware opgehitst; en toen zij in hun waanzin meenden, dat het oogenblik gekomen was, hebben zij een Dr. Jameson de grenzen der Republiek doen overtrekken.
Hebben zij zich zelven ooit afgevraagd, waaraan zij u blootstelden?
Ik huiver als ik er aan denk, wat bloedbad er zou zijn aangericht, indien niet een genadige Voorzienigheid u en mijne burgers had gered.
Ik spreek niet van de geldelijk aangerichte schade.
Nu wend ik mij met vol vertrouwen op u, sterkt nu de handen der Regeering, en werkt met haar samen, om deze Republiek te maken tot een land, waar alle nationaliteiten als het ware broederlijk samenwonen.
Maanden en maanden lang heb ik beraamd, welke veranderingen en verbeteringen in het Staatsbestuur, wenschelijk zouden kunnen worden geacht, maar de gruwelijke opstokerij, vooral van de pers, hebben mij terug gehouden. Dezelfde mannen, die nu in het openbaar zijn opgetreden als leiders, hebben van mij verbeteringen geëischt op een toon en op een wijs, die zij in hun eigen vaderland uit vrees voor de strafwet niet zouden gewaagd hebben aan te slaan of te volgen. Daardoor werd het mij en mijne burgers, de stichters dezer Republiek, onmogelijk gemaakt, hunne ruwe voorstellen in overweging te nemen.
Het is mijn plan, om in de eerste gewone zitting van den Volksraad een voorstel van wet te doen, waarbij een stadsraad met een burgemeester aan het hoofd van Johannesburg wordt benoemd, waaraan het geheele (gemeentelijke) beheer der stad zal worden toevertrouwd.
Naar alle constitutioneele beginselen zou zulk een stadsraad door rechtstreeksche keuze der ingezetenen moeten worden benoemd.
Ik vraag u echter met ernst, legt de hand op het hart en beantwoordt mij deze vraag: Kan en mag ik, na het gebeurde, dit aan de volksvertegenwoordiging voorstellen?
Wat ik zelf op die vraag antwoord, is dit: Ik weet, dat er duizenden in Johannesburg en omgeving zijn, aan wie ik met vertrouwen die rechtstreeksche keuze kan toevertrouwen.
Ingezetenen van Johannesburg! Maakt het nu aan de Regeering mogelijk, om voor den Volksraad op te treden met de leuze: Vergeven en vergeten!
God behoede Land en Volk."
* * * * *
Op dienzelfden Maandag, 6 Januari, waarop het onderhoud met Sir Hercules Robinson had plaats gehad, begon des namiddags om vier uur eene andere beraadslaging, die eene der aangrijpendste momenten uit die dagen genoemd mag worden.
De Regeering was na rijp beraad tot het merkwaardig besluit gekomen, om Jameson en zijn soldaten aan de Engelsche regeering ter bestraffing over te leveren, en nu kwam het er op aan, de kommandanten, die als de tolken van het volk beschouwd konden worden, voor dit plan te winnen.
Met verwonderlijke welsprekendheid ontwikkelde Paul Kruger de redenen, die de Regeering hadden geleid tot dit besluit, doch met strakke en stalen gezichten staarden de wakkere voormannen des volks hem aan. En hoe krachtiger hij aandrong, des te heftiger en hartstochtelijker werd het verzet.
»Er moet een afschrikwekkend voorbeeld worden gesteld,[23]" riepen zij, »en Jameson met zijn hoofdofficieren zijn aan het zwaard der gerechtigheid vervallen!"
[23] Volgens den correspondent der »Sunday Special", Londen.
Vele uren lang kon men het schouwspel waarnemen, hoe een krachtig man kampte en worstelde, om onwilligen over te halen. Zes, zeven maal rees Paul Kruger op en bezwoer in bewoordingen van steeds klimmende aandoening »zijne broeders, zijne vrienden," toch op het doorzicht der Regeering te vertrouwen.
De beraadslaging liep uit op een heftige woordenwisseling, en den volgenden morgen te vier uur was het lot van Jameson nog niet beslist.
Kruger was zichzelven bijna niet meer meester. Hij dreigde, hij _smeekte_--alles te vergeefs!
De kommandanten stonden daar als de vertegenwoordigers van het volk, en het Afrikaansche bloed, dat van toorn en verontwaardiging over den even schandelijken als schaamteloozen inval aan 't koken was geraakt, eischte zijn rechtvaardige offers.
Toen stond Piet Joubert op, de Kommandant-generaal, die den President steunde.
»Vrienden," zeide hij, »veronderstelt, ik heb een hoeve, en de honden van mijn buurman komen en plagen en dooden mijn schapen. Zal ik die honden nu dooden? Of zal ik ze niet liever vangen, ze terugbrengen aan den eigenaar en tot hem zeggen: »Hier zijn uwe honden; straf ze en vergoed mij de schade, die ze hebben aangericht?""
Niemand antwoordde, en na een oogenblik pauze vervolgde Joubert: »Wij hebben de honden gevangen. Zou het nu niet het verstandigste zijn, hen aan de Engelsche regeering terug te zenden, om hen te doen straffen, schadevergoeding te eischen?"
De gelijkenis pakte; men kon het zien op de gebaarde gezichten der kommandanten.
Twee afgevaardigden der zusterrepubliek Oranje-Vrijstaat sloten zich in een treffende rede, die in ademlooze stilte werd aangehoord, bij het voorstel van Paul Kruger aan, en eindelijk--eindelijk kenterde het getij.
Schalk Burger stond op en zeide: »Broeders, ik ben het nog niet eens met het voorstel der Regeering, doch ik begrijp, dat wij moeten buigen voor de grootere wijsheid van onzen President. Ik acht het onzen plicht, ons overtuigd te houden, dat hij grooter doorzicht en kennis heeft in politieke zaken dan wij. Daarom stel ik u voor, met algemeene stemmen het besluit te nemen om de Jameson-kwestie te laten in handen van den President en den Uitvoerenden Raad, en hun beslissing te verdedigen bij het volk."
De kommandanten legden zich bij dit voorstel neer, en Paul Kruger had gezegevierd.
Doch de Engelsche Jingo's waren al weer niet tevreden. Zij waren van meening, dat Paul Kruger's edelmoedigheid ten slotte niets anders was dan een doortrapt slimme streek, om de hoogst moeielijke taak van het straffen der Engelsche regeering op den hals te schuiven.
Wij willen daarop slechts dit antwoorden, dat de daad van Paul Kruger evenzeer het uitvloeisel was van Christelijke edelmoedigheid als van hooge staatsmanswijsheid, en door Jameson met zijn gezellen aan de Engelsche regeering ter bestraffing over te leveren, heeft hij zich het hart van het beschaafde Europa stormenderhand veroverd.
HOOFDSTUK XXXX.
Het gaat tegen den avond.
De twaalfduizend Boeren, die in groote lagers rondom Johannesburg zijn bijeengetrokken, zullen morgen hun ossenwagens inspannen, hun tenten oprollen en hun paarden zadelen, om terug te keeren naar hun woningen.
Slechts een paar sterke wachten zullen voorloopig achterblijven als een ernstige waarschuwing aan de stad des oproers, om geen dwaasheden uit te halen.
Trouwens, de Johannesburgers hebben die Boeren der wildernis gezien, en weten nu, dat er niet met hen te gekscheeren valt.
Verleden week heeft een leger van twee duizend Boerenruiters een tocht gemaakt door de stad, om de Johannesburgers en klein bewijs te geven van de kracht der Republiek.
Zij reden, in sterke afdeelingen gesplitst, op hun vlugge, taaie paarden in volmaakte orde, het geweer op de heup, kalm en waardig door de voornaamste straten.
Hier en daar vormde zich wel een kluwen malcontenten, die bij de nadering der Boeren begonnen te sissen en te fluiten, doch een krachtige slag met den notenhouten geweerkolf was voldoende, om hen te doen verstuiven als kaf voor den stormwind.
Zoo kwam een dezer afdeelingen, enkel uit jonge Boeren bestaande, voorbij het kantoor, waarvan Charles Marling de chef was, en met een luid en krachtig hoera begroetten de ruiters de Transvaalsche Vierkleur, die van de pui van het prachtig gebouw vroolijk wapperde in de wind.
De jonge, slanke veldkornet liet halt houden, sprong van het paard en stapte het huis binnen.
Het was dezelfde officier, dien wij op het slagveld van Krugersdorp hebben ontmoet in gesprek met Reinard Jansen: Arie, Lena's broeder.
Er verliepen slechts weinige oogenblikken, toen hij, tusschen Marling en Lena in, die den kleinen Albert op haar arm droeg, op de hooge blauwzerken stoep verscheen. En hij riep met zijn vroolijke, heldere stem: »Kameraden, deze mijnheer hier naast mij is een Engelschman maar 't is een deksels goeïe kerel, en hij en zijn vrouw beschouwen jullie op dit oogenblik als hun gasten, en bieden u den eerewijn aan!"
En vlugge Kafferbedienden kwamen aanloopen, en schonken de ruiters in, en de ruiters zwaaiden met hun glazen en riepen: »Hoera, die Engelschman zal leven, al is 't een Roodbaatje!"
En de veldkornet nam den kleinen Albert, en zette hem op zijn valen hengst en zeide: »Albert, we hopen van jou nog eens een flinken Afrikaanschen ruiter te maken!"
En de kleine kerel had groot plezier, en streek met de kleine handen door de lange manen van het paard, en toen de eerewijn was rondgedeeld, verzocht Charles Marling, dat het Transvaalsche volkslied zou worden gezongen, en uit tweehonderd frissche keelen klonk het mannelijke, kloeke Afrikaansche Vlaggelied:
»Di vierkleur van ons dierbaar land, Die waai weer o'er Transvaal, En wee di Godvergeten hand, Wat dit weer neer wil haal! Waai hoog nou in ons helder lug, Transvaalsche vrjjheidsvlag! Ons vijande is weg gevlug, Nou blink 'n blijer dag!
Veul storme het jij deur gestaan, Maar ons was jou getrou; En nou die storm is o'er gegaan, Wijk ons nooit meer van jou, Bestormd door Kaffer, Leeuw en Brit, Waai jij steeds o'er hul kop; En tot hul spijt anskou hul dit, Ons hijs jou hooger op!"
En de paarden begonnen te trappelen onder hun berijders, vol moed en ongeduld, en ze sloegen de vonken uit de keïen, en de Jingo's, die op den hoek der breede straat stonden te kijken, schuimbekten van machtelooze woede, en de Boeren juichten.
Doch Lena's oogen verhelderden zich, want zij gedacht den dag, nog zoo kort geleden, toen de Vierkleur in deze zèlfde straat was gehoond, en de Afrikaansche mannen, die zij had opgeroepen in haren toorn, om dien hoon te wreken--zij waren gekomen!
Maar dit is verleden week geschied, en het gaat thans tegen den avond.
Wij bevinden ons midden in een groote Boerenvergadering, en wij zien er verscheidene bekende gezichten. Bijna de geheele familie Jansen is aanwezig, zelfs tante Martje niet te vergeten; ook de Kloppersstam is flink vertegenwoordigd, en Charles en Lena ontbreken evenmin.
Charles Marling staat, na de moeilijke dagen, die de Transvaal heeft doorworsteld, bij de Boeren in blakende gunst, en zij noemen hem een Engelschman zonder bedrog.
En die grijsaard daar op die verhevenheid, die thans een afscheidswoord zal spreken--ik behoef wel niet te zeggen, wie het is, en het diepblauwe oog, dat op dien nachtelijken tocht naar Krugersdorp bliksemde van strijdlust, staat thans mild en vriendelijk.
»Mijne vrienden," zegt hij met bewogen stem, »mijne broeders! Gestreden is de strijd, en door Gods bestel is Rhodes' plan te schande gemaakt.
Als overwinnaars keeren wij huiswaarts, doch wij hebben de zegepraal in de eerste en voornaamste plaats niet te danken aan de juistheid van ons schot noch aan de vlugheid van ons paard, maar aan onzen almachtigen God, Die onze harten deed ontvlammen van leeuwenmoed, Die vleugelen bond aan de hoeven onzer paarden, en Die onze vuist maakte van staal en ijzer, zoodat zij de sterkten des vijands vermaalde!
Hebt gij dan gebeden, broeders in het begin van den strijd, vergeet nu de dankzegging niet, opdat de zegen niet verander in een vloek!
Mijne broeders, mijne kinderen! Het is wel voor den laatsten keer geweest, dat ik met u ben opgetrokken in den krijg, want ik ben een oud man, en de levenslamp zal spoedig zijn uitgebrand. Maar zooals ik u, mijn volk, heb liefgehad met eene groote liefde, zoo heb ik u nog lief tot op dezen oogenblik. En daarom geeft ik u het beste wat ik u geven kan--de vermaning: houd vast aan God en zijn waarachtig Woord, want als gij het niet doet--"
Hij zwijgt een oogenblik; op zijn gelaat staat plechtige ernst.
»Want als gij het niet doet, hebt gij geen toekomst, en uw lamp zal worden uitgebluscht in eeuwige duisternis!"
De toehoorders kunnen het den ouden Kloppers aanzien, hoe die gedachte hem aangrijpt, en zijn ziel met droefheid vervult.
Doch evenals de donkere wolk voorbijdrijft aan den blauwen, zonnigen hemel, drijft de schaduw voorbij op het eerwaardig gelaat van den grijsaard.
»Maar neen," gaat hij voort met verheffing van stem, »niet in duisternis, mijn volk, zult gij eindigen, maar het licht, dat uit Gods getuigenis straalt, zal uw pad verhelderen, en gij zult opvaren met vleugelen gelijk de arenden; ge zult loopen en niet moede worden; gij zult wandelen en niet mat worden.