De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96

Part 17

Chapter 173,884 wordsPublic domain

Toen dankten zij voor de genoten vriendschap, groetten het gastvrije Waterfontein en reden snel weg.

Maar moeder Jansen staarde hen na en zeide: »Welk een dag! Welk een nieuwjaar!"

* * * * *

Ja, welk een nieuwjaar!

Zoo'n nieuwjaar had de jeugdige Zuid-Afrikaansche Republiek nog nooit beleefd.

De Kommandant-generaal had het volk in alle richtingen te wapen geroepen, en met luide kreten van geestdrift was aan die oproeping gevolg gegeven.

Geen spoor van aarzeling of weifeling was er te ontdekken.

Van alle kanten kwamen de Boeren aanzetten op hun taaie, vlugge paarden, om Pretoria, den zetel van het gouvernement, tegen een onverhoedschen aanval uit Johannesburg te dekken, de grenzen, waar nieuwe invallen dreigden, te beschermen, of om naar het Zuiden te trekken, Jameson tegemoet.

Er waren Boeren, die zich niet den tijd hadden gegund, om proviand mee te nemen op den tocht; anderen waren bij het hooren der tijding zoo van tafel te paard gesprongen; sommigen kwamen zonder zadel. Doch allen hadden een geweer, kruit en lood, een vluggen klepper onder de knieën, en een hart, dat brandde van verlangen, om den verraderlijken aanval te wreken.

Intusschen verloor Paul Kruger geen oogenblik zijn koelbloedigheid en vastberadenheid.

In den stal stond zijn gezadeld paard, en in den hoek van zijn arbeidsvertrek zijn geladen geweer.

En was aan de Engelschen de overrompeling van Pretoria gelukt, en waren zij zijn voordeur binnengestormd, om hem, den gewichtigsten man van den staat, gevangen te nemen, hij zou zijn geweer hebben genomen, den eerste den beste, die het dorst bestaan, aan hem de hand te leggen, hebben neergeschoten, en door de achterdeur zijn gevlucht. En hij zou de Boeren hebben aangevuurd in hun strijd voor vrijheid en recht, en zoo hij voor zijn volk de overwinning niet had kunnen behalen, hij zou met dat volk in eere zijn ondergegaan....

't Is waar, Cecil Rhodes had bij den beraamden inval in het Transvaalsche grondgebied gerekend op de betreurenswaardige staatkundige en kerkelijke geschillen in den boezem van het Transvaalsche volk, doch hij had buiten den waard gerekend, want toen de inval geschiedde, verdween alle twist en tweedracht als nevel voor den glans der middagzon!

Het was een eenig volk geworden, een volk van broeders, en de leuze: »Één voor allen en allen voor één!" was weer in eere hersteld.

Op het kerkplein te Pretoria ontmoetten elkander twee bejaarde Boeren die reeds lang door onderlinge partijschappen waren verdeeld. Jameson's inval had hen naar de wapens doen grijpen, en terwijl de grijskoppen elkander eenige oogenblikken vorschend in de oogen hadden gestaard, gaven zij elkander de hand, en de ééne zeide: »Wij hebben elkander in geen drie jaar gegroet van wege de kerkelijke kwestie, maar thans zijn wij weer één, broeder, want de onafhankelijkheid van ons land loopt gevaar."

Men zou honderden van die voorbeelden kunnen aanhalen; ze grepen overal plaats.

Het vuur der vaderlandsliefde verteerde allen haat en bitterheid, en schouder aan schouder trokken de Boeren op--in het gelid--! voor vrijheid en recht--!

HOOFDSTUK XXXV.

»Halt!" roept de dappre Kommandant: »Stijg af! 't Geweer ter hand! Wij strijden heden voor 't recht Van 't dierbaar Vaderland!" Gij vraagt: »Wie is die ruiterstoet?" Reeds antwoordt hun geweer! Reeds legt het wreekend Boerenlood De trotsche Britten neer!

Wel dondert het Maxim-kanon de Boeren tegemoet, Doch hun geleed'ren wanklen niet, Hij wankelt niet, hun moed! De zon ze stijgt, de zon verdwijnt, Nog altoos woedt 't gevecht, Maar toen de nieuwe morgen kwam, Toen werd de strijd beslecht!

God zelf had in der Boeren hart Een stalen moed gewekt. En hen in 't heetste van 't gevaar Als met een schild gedekt! Vernietigd was het Britsch geweld Met al zijn wapenpraal, En over 't veld der dooden woei De Vierkleur van Transvaal!

Maandag 30 December 's namiddags vijf uur ontving Kommandant Cronjé, wien wij gaarne de hulde brengen, dat hij een der wakkerste en bekwaamste bevelvoerders is der Zuid-Afrikaansche Republiek, per expresse bestelling uit Potchefstroom in zijn landelijke woning het verrassende bevel, om zich onmiddellijk gereed te maken, om Jameson's troepen te keeren.

Cronjé is een geboren strateeg, en hij vermoedde onmiddellijk, dat de Engelschman gezocht moest worden in de richting van Krugersdorp. Hij liet dus de burgerwacht opkommandeeren naar Ventersdorp, en vertrok met zijn vier zonen den volgenden morgen te vijf uur naar Ventersdorp, dat na een harden, zesurigen rit te elf uur in den voormiddag werd bereikt. Hier waren reeds 70 gewapende Boeren verzameld, en werd de rit onmiddellijk voortgezet, totdat men des namiddags drie uur Mooirivier bereikte. Om zes uur 's avonds werd de tocht opnieuw aanvaard, en terwijl den ganschen nacht werd doorgereden, bereikte Cronjé met zijn manschappen bij het krieken van den eersten dag van het nieuwe jaar, na twintig uren in het zadel te hebben gezeten, aan de spits van 250 Boeren Krugersdorp.

Het was een geduchte krachtsinspanning geweest, maar de Kommandant smaakte, nu hij den hoogsten heuvel bij het Krugersdorper spoorweg-station beklom, om den omtrek op te nemen, ook de voldoening, dat hij Jameson was voor geweest. En nu eerst gaf hij aan zijn manschappen, die er wel behoefte aan hadden, verlof om af te zadelen en uit te rusten.

Doch zelf gunde de dappere bevelvoerder zich nog geen rust. Hij telegrafeerde naar Pretoria zijn aankomst, gaf de richting op waar volgens de laatste rapporten Jameson moest zijn en verzocht om artillerie.

Om negen uur van den nieuwjaarsmorgen stelde Cronjé de slagorde op, en nam een zeer geschikte positie in op een half uur afstands ten westen van Krugersdorp, terwijl Kommandant Malan van Rustenburg, na eene rit, die voor dien van Cronjé niet onder deed, met 250 man, en Kommandant Potgieter van Krugersdorp met 100 man kwamen opdagen, en aan het kleine legertje van Cronjé een zeer welkome versterking boden. Nu kon men de lijn der verdediging uitbreiden, en terwijl de Boeren zich in groepen verdeelden, achter heuvels, in slooten, tusschen klipwallen stelling namen, waren de Engelsche troepen genaderd.

Jameson waande zich van de overwinning zeker.

Zijn laatste halteplek vóór Krugersdorp was Rietspruit, bij een winkel. De geheele voorraad eet- en drinkwaren werd opgekocht, en Jameson zeide heel bedaard tot den winkelier, die om betaling vroeg: »Stuur je rekening maar aan Dr. Jameson te Johannesburg. Daar zal ik morgen zijn na eerst een paar schermutselingen met de Boeren gehad te hebben, want ik ga den weg voor mij schoonvegen."

Vol zelfvertrouwen trokken de troepen nu op Krugersdorp los, en terwijl Jameson de burgerij liet waarschuwen, vrouwen en kinderen te verwijderen, want binnen een half uur zou hij het dorp bombardeeren, opende hij 's middags te drie uur het vuur uit zijn grof geschut.

Het eerste schot was te kort; het tweede ging veel te ver, doch de derde bom ontplofte in de gevaarlijke nabijheid van een ammunitie-wagen, waar Boeren bezig waren, zich van patronen te voorzien, doch niemand hunner werd gekwetst.

»Sommige huizen," schreef een ooggetuige, »waren liederlijk vol gaten geschoten door die bom. Hier zien wij de hand van God; de kogels gaan in de huizen, maar niet in de Boeren."

* * * * *

Frits Jansen was op het oorlogsterrein aangekomen, en wendde zich naar een vallei, waar een stoet Boerenpaarden schuilden onder de hoede van twee Boeren.

De scherpe knal van het geweer vermengde zich met den luiden knal van het kanon.

»Hoe staat het?" vraagde Frits Jansen.

»De Maxims zijn gevaarlijke dingen," zeide de jongste der twee Boeren; »onze manschappen kunnen niet dicht genoeg bij den vijand komen; wij moesten ook kanonnen hebben."

»We zullen ze ook zonder de kanonnen wel klein krijgen," zeide de oudste, die een wild geworden paard trachtte te bedaren. »Stil paardje--we hebben ze zonder kanonnen wel van den Amajuba gehaald--sta dan, bruine!"

Frits nam het geweer van den schouder, en spoedde zich naar een wal van harde klippen, waar achter zich een groep Boeren had vastgezet. Hij voegde zich bij hen, schoof den eersten scherpen patroon in den loop van het geweer, en staarde vol aandacht over het slagveld.

Het was een snikheete dag, zonder wind, en grijze kruitwolken dreven langzaam omhoog.

De Maxims waren nog in volle werking, doch plotseling verstomde het kanonvuur, en een afdeeling cavalerie ging gevolgd door een Maxim, met het blanke wapen los op een Boerenstelling, bezet door manschappen van Kommandant Malan.

Nóg was het stil achter de bruine heuvelen, maar onverhoeds werden de breedgerande Boerenhoeden zichtbaar, kleine rookwolkjes teekenden zich boven den top der hoogten, en de korte, scherpe knal van het Boerengeweer werd gehoord.

Ruiters waggelden op hun paarden of stortten voorover uit het zaâl; gewonde paarden steigerden wild omhoog, en de schitterende ruiterstoet holde, door de Boerenkogels achtervolgd, in schromelijke verwarring terug.

Het Maximkanon werd achtergelaten, doch later door de Engelschen teruggehaald. Een ongeduldige Boer had tot Cronjé, den Kommandant, gezegd: »Laat ons dat Maxim pakken," en Cronjé had bedaard geantwoord: »De springbok is reeds gekwetst; hij moet van zelf in onze handen vallen, heb maar geduld, ouwe!"

Een nieuwe afdeeling cavalerie stormde thans voorwaarts, doch in een andere richting, om den ijzeren gordel te breken, door een paar honderd Boeren gespannen. Zij trokken recht af op de verschansing, waarachter Bodenstein met zijn burgers stelling had genomen, doch deze afdeeling werd volkomen vernietigd. Niemand keerde terug. Wat niet sneuvelde, moest zich overgeven.

Hier was het, dat een Transvaalsche Boer, (genaamd Jakobs), door barmhartigheid gedreven, een gewonden Engelschman laafde met water uit zijn veldflesch, doch door dezen man werd doodgeschoten. Een andere Boer, die het zag, joeg toen in zijn verontwaardiging den Engelschman een kogel door het hoofd.

In begrijpelijke spanning was Frits Jansen deze tooneelen met zijn oogen, zoover als hij het waar kon nemen, gevolgd, en met een luid hoera bemerkte hij, dat de vijand na deze mislukte cavalerie-aanvallen was genoodzaakt, om zijn oorspronkelijke richting op te geven en naar het zuid-oosten af te deinzen.

Doch hij keerde de Boeren, die hem wilden achtervolgen, op door het vuur van vier Maxims.

De Kommandant was nu in de nabijheid gekomen van den klipwal, waar Frits Jansen zich bevond.

»Hoe jammer," zeide hij, »dat er onze kanonnen nog niet zijn; dat ééne Maxim daar links vooral hindert ons geweldig."

Frits had die woorden gehoord, en richtte zich op van achter de klip.

»Dat Maxim zal ik het slot op den mond leggen, Kommandant," zeide hij vastberaden.

De ervaren bevelhebber schudde het hoofd.

»'t Is haast niet te doen," zeide hij.

»Ik zal het wagen," meende Frits.

»De Maxims vegen het veld schoon als de bezem den dorschvloer," zeide de Kommandant.

»Niet elke kogel treft," zeide Frits bedaard.

»Ik mag zoo'n jeugdig leven niet prijsgeven aan een bijna onvermijdelijke dood," zeide de Kommandant, terwijl zijn oog vol deelneming rustte op de frissche krachtige gestalte van den jongen krijger.

»Ziet u die sloot?" vraagde Frits.

De Kommandant knikte bevestigend.

»En dien klipstapel daarginds?" vraagde Frits, de hand uitstrekkend.

»Ik begrijp u," zeide de Kommandant. »Door de sloot komt ge nog wel heen, dat geloof ik ook, maar of gij de klip kunt bereiken van uit de sloot, dat is de vraag."

»Ik zal het onderzoeken," zeide Frits.

Er lag geen zweem van grootspraak in die woorden, doch vrees evenmin.

»Nu, ge moet het zelf weten," meende de Kommandant, wien de gedachte begon te bekooren, dat het brutale Maxim tot zwijgen zou worden gebracht.

»Ik _zal_ het weten," zeide Frits met moedige stem, en over den beschermenden klipwal heenspringend, dook hij weg, plat op zijn buik, in de sloot, die als een soort loopgraaf in schuine richting naar het Maxim liep.

Als een slang sloop hij vooruit, tot hij de klip, die hem als dekking moest dienen, tot op vijf pas was genaderd.

Nu wachtte hij een oogenblik.

Een regen van kogels hagelde over het veld.

Ja, 't was een gevaarlijk stuk werk.

Langzaam, voorzichtig dook hij op uit de sloot, en met den sprong van een panter wierp hij zich achter de klip.

Hij haalde ruim adem.

Geen kogel had hem getroffen; zelfs geen schram had hij opgeloopen.

Dat meende hij ten minste. Daarom verwonderde hij zich te meer, dat hij bloed bespeurde op zijn jas.

Hij betastte zijn hoofd, zijn lichaam en stroopte zijn armen op. Een schampschot had zijn linker voorarm geraakt.

»Een veeg van het vel," dacht hij, voorzichtig over den klipstapel heenglurend naar dat moordwerktuig daar voor hem, dat Maxim wordt genoemd.

O hij kende het wel; hij was met de constructie volkomen op de hoogte.

_Dat_ is de lange, bronzen loop, en _dat_ is de pantserplaat, waarachter gedekt de artillerist zijn vreeselijk werk kan uitvoeren. Onder den vuurmond, in de kist, liggen opgevouwen banden, waarvan elke band 300 of meer scherpe patronen opneemt. Het einde van den band wordt in een sleuf van het kanon gebracht, en één druk op den dubbelen knop van den drukstang is voldoende, om het vernielende vuur te openen.

Daar achter die pantserplaat voelt de artillerist zich zoo veilig als de Boer achter zijn klipwal, maar Frits Jansen zal hem bewijzen, dat de Transvaalsche scherpschutter den doodelijken kogel door het kleine ronde kijkgat der pantserplaat weet heen te schieten.

Frits Jansen onderzoekt nog eens zijn Henri-Martini-geweer, meet op het gezicht nauwkeurig den afstand--zooveel meter--en stelt het vizier.

En nu ligt hij achter de klip in hinderlaag als de jager, die loert op het wild, en al zijn kracht schijnt zich samen te trekken in dat speurend, flikkerend oog en in dien vinger aan den trekker van het geweer, en nu en dan wordt een klein, nietig rookwolkje zichtbaar boven de klip, en tuimelt een artillerist, als door den bliksem getroffen, tegen den grond.

Vijf artilleristen liggen dood neergestrekt bij het kanon, en niemand wil de zesde zijn.

Frits Jansen heeft zijn woord gestand gedaan: hij _heeft_ het Maxim een slot op den mond gelegd, maar een der Engelsche officieren, die het Maxim nadert, wendt zich met een streng gelaat tot eenige manschappen, die plat op den buik achter den vuurmond liggen.

»Waarom vuurt ge niet?" roept hij woedend. »Merkt ge dan niet, ezels, dat de Boeren beginnen op te dringen aan dezen kant?"

»Me dunkt, luitenant," zegt één der manschappen, »dat wij ons daggeld van daag al zuur genoeg hebben verdiend. Daar achter dien grijzen klipstapel zit een scherpschutter, die onze mannen wegblaast als kaf. Reeds vijf zijn het hoekje om, en als wij het Maxim nog twintig minuten bedienen, dan is het dozijn vol."

De officier zegt geen woord, maar neemt den omtrek nauwkeurig op. Hier en daar verspreid, ziet hij groote klippen, die als borstwering dienst kunnen doen.

»Ik zal onmiddellijk eenige scherpschutters laten komen," zegt de officier, »en dan zullen wij eens zien, of het de Boer niet te heet krijgt achter die klippen."

Geen twee minuten later is hij reeds terug met drie scherpschutters.

»Kan jullie den Boer daar achter die klip niet wegknallen?" vraagt hij.

»Dat kunststuk is niet zoo groot," meenen de scherpschutters; »we zullen hem omtrekken, ieder achter een klip dekking nemen, en hem wegschieten als een vogel van zijn nest."

HOOFDSTUK XXXVI.

Het gevecht van Krugersdorp is een aaneenschakeling geweest van bloedige schermutselingen, die in een wijden kring hebben plaats gehad, en terwijl Frits achter den grijzen klipwal het Maxim in bedwang hield, waren Reinard Jansen en zijn vier andere zonen op een geheel ander terrein van het slagveld.

Juist had baas Jansen met zijn strijdmakkers een wanhopige poging der Engelschen, om hier door te breken, met kracht en succes weerstaan, en daar de vijand op dit punt wel geen nieuwen aanval zou wagen, had hij zich met een afdeeling Boeren naar eene andere plek gespoed, waar zijn hulp misschien van noode zou kunnen zijn.

Zoo ontmoette hij een groep jonge Boeren, goed gedekt achter een aarden verschansing en voegde zich bij hen.

Hij, Reinard Jansen, was in een opgewekte stemming. Zijn oogen straalden van strijdlust, en de oude pijn, die knaagde aan zijn hart, scheen begraven te worden in den kruitdamp en den kogelregen van Krugersdorp.

»Heb je ook al een roodbaatje doodgeschoten?" vraagde een heldere stem vlak naast hem.

Reinard Jansen keek den spreker aan: een aardigen, guitigen jongen van misschien twaalf jaar.

»Zoo kleine kerel," zeide Jansen verwonderd, »waar kom jij van daan?"

»Uit Krugersdorp," zeide de jongen op vroolijken toon; »ik behoef van daag eens lekker niet naar school."

De Boer kreeg pleizier in den jongen.

»Leer je goed?"

»Leeren?" antwoordde de jongen, de schouders ophalend; »mijn vader zegt dat ik er een broertje aan dood heb."

Hij haalde een stuk chocolade uit zijn zak.

»Ook een stuk, Oom? 't Is goeie, hoor! Ik heb ze zoo even dien dooden Engelschman uit den zak gehaald. Kijk, daar ligt hij, bij die struiken!"

»Ge moet van de lijken afblijven," zeide baas Jansen op strengen, berispenden toon.

»En de chocolade laten bederven?" vraagde de jongen in de grootste verbazing; »'t zou toch zonde zijn! Hier, Oom, heb je ook een stuk! Licht dat wij er dàt van hebben!"

Er kwam een heldere glimlach op Jansen's stroef gelaat.

»Jij bent een vreemde snaak," zeide hij; »waar is je geweer?"

»Hier, Oom!" zeide de jongen, een Engelschen karabijn omhoog houdend.

»Waar heb je dat gehaald?"

»Wel van dienzelfden dooden Engelschman--dat mag zeker ook niet?"

»_Dat_ mag wèl," zeide Jansen met nadruk.

»Hoe heet jij?" liet hij er op volgen.

»Pieter Kooten, Oom."

»En wat moet je worden?"

»Mijn vader is schoenmaker, Oom, en dat wil hij mij nu ook maken, maar ik besterf het, als ik dat moet worden. Dat gaat den geheelen dag maar zoo; Ssiet--ssiet," en hij maakte het gebaar van pikdraad trekken.

Jansen keek scherp over de verschansing heen. Hij meende, achter een heuvel de punten van eenige Engelsche pinhelmen waar te nemen, doch die punten verdwenen weer.

»Zoo, jongen, zoo," zeide Jansen vriendelijk, »en waar heb je eigenlijk zin in?"

»Ik wil boer worden, Oom, boer, midden in de wildernis, en niet in zoo'n eng gat, zoo'n schoenmakershok, worden opgesloten!"

»Ben je ook boer, Oom?" liet hij er op volgen, een nieuwsgierigen, vorschenden blik op zijn buurman werpend.

»Ik denk het wel," zeide Jansen in de beste luim, »en je komt mij later maar eens opzoeken, als je vader het goedkeurt, en ge vraagt dan maar naar meester Jansen op Waterfontein, en ik zal zien, of ik dan nog niet een flinken boer van je kan maken."

»Ten minste, als wij beiden er het levend afbrengen," liet hij er ernstiger op volgen.

»Maar wat heeft je toch bewogen om mee te vechten?" vraagde Reinard Jansen.

»Wel Oom," zeide de leuke jongen, »in de eerste plaats behoef ik nu niet in het muffe schoolgebouw te zitten, en ten andere wou ik dolgraag meehelpen, om de Engelschen op hun baatje te geven. Ge hadt het daar straks maar eens moeten zien, Oom, toen die Engelschen op hun brieschende paarden kwamen aanstormen! Men zou gedacht hebben, dat er van ons geen stuk of staal was terecht gekomen maar ja wel hoor--boem!--daar lagen ze! Ik heb nooit van mijn leven zoo'n herrie gezien, als toen onze kogels er tusschen vlogen!"

»Maar _jij_ hebt toch niet geschoten, Piet?"

De jongen schudde het hoofd.

»Ik had dat geweer nog niet, maar ik riep maar: »Ssa!--toe jongens!--schiet die roode rakkers dood!" en toen deden zij 't."

Baas Jansen moest er toch om lachen, zooals die jongen dat vertelde, maar hij brak het gesprek nu af, en klom boven op de aarden verschansing om het terrein op te nemen.

De veldkornet[21], een betrekkelijk jonge man met een innemend, schrander uiterlijk, wien men bij den eersten oogopslag kon aanzien, dat hij een broer was van Lena Marling, stond naast hem, met den verrekijker in de hand.

[21] Bevelvoerende Boerenofficier.

»De Roodbaatjes laten ons hier nog al lang met rust," meende Jansen.

»Ik had ze zooeven verwacht," zeide de veldkornet, »maar zij schijnen het niet aan te durven," en de hand uitstrekkende, beval hij met luide stem: »Op mannen! Wij zullen onmiddellijk gindschen heuvel bezetten, om dichter bij den vijand te komen!"

Het bevel werd stipt en snel uitgevoerd, en Jansen was met den veldkornet een der eersten boven op den hoogen heuvel, van waar men een uitstekend vergezicht had.

»Ginds staat een Maxim," riep Reinard Jansen.

»En het geeft geen vuur!" liet hij er in verbazing op volgen.

»Ik heb het reeds opgemerkt," zeide de veldkornet, terwijl hij den verrekijker van de oogen nam en aan Jansen overreikte.

De Boer nam het instrument en staarde aandachtig naar het zwijgende Maxim. Vervolgens onderzocht hij, den verrekijker langzaam wendende, den omtrek.

Op een grijzen klipheuvel bleef de verrekijker wat langer gericht.

»Ge ziet die grijze klip zeker?" meende de veldkornet; »ik heb ze ook opgemerkt. Daar zit één der onzen, die dat leelijke beest in bedwang houdt."

Hij bedoelt met het leelijke beest het Maxim.

Jansen echter zeide geen woord.

»'t Is een voorgeschoven post der onzen--een kloek en kranig stuk," zeide de veldkornet. »'t Is ongehoord, om met één man een Maximkanon te muilbanden!"

Doch waarom begint de kijker te schudden in de handen van baas Jansen? Waarom beefde die hand, die zoo even, in de bloedige worsteling, geen beven had gekend? Waarom week de laatste bloeddrup uit zijn gelaat?

»Wordt ge niet wel?" vraagde de veldkornet bezorgd, meteen de zonen van Jansen roepend, die achter den heuvel stonden.

Doch Reinard Jansen riep met heftig bewogen stem: »Ginds, achter de klip, ligt mijn kind, en hij houdt geheel alleen een Maxim in toom!"

Hij sprong op; hij stormde de helling af en zocht zijn paard.

»Vader," riep Zeger, »wat wilt ge?"

»Wat ik wil?" antwoordde hij. »Wat ik wil? Begrijpt ge dan niet, dat Engeland zijn scherpschutters op mijn Frits zal afzenden, en hem een kogel zal jagen door het moedige hart? Ik wil hem redden; redden wil ik hem--of met hem sterven!"

Zeger wenkte zijn broeders.

Hij behoefde geen woord te zeggen; zij begrepen hem. En zonder twijfel! zij zouden hun vader volgen tot in den muil van den leeuw....

In groote sprongen ijlde de oude Jansen zijn kinderen vooruit, om zijn paard te zoeken, dat met een stoet andere paarden in een vallei dicht bij een plas troebel water, gedeeltelijk gekluisterd en onder behoorlijk opzicht, liep te grazen.

Was de stugge, harde Jansen, die niets vergeten kon, vergeten, dat zijn zoon een brandstichter was? Vergeten, dat hij met Cecil Rhodes, den vijand zijns volks, had geheuld?

Neen, hij was het niet vergeten, doch als bij ingeving begreep hij, dat Frits zijn vreeselijke dwaling thans wilde goed maken met zijn bloed en zijn leven, en al had Frits _tien_ Waterfonteins in vlammen doen opgaan, de oude Jansen zou het hem thans vergeven hebben!

Waar waren nu zijn toorn en bitterheid? Ze waren verdwenen als een mistwolk voor de morgenzon; ze waren verteerd als een ijle vlasdraad in de hitte van het vuur, en geen hijgend hert, der jacht ontkomen, kon sterker schreeuwen naar de frissche waterbronnen, dan _zijne_ ziel schreeuwde naar verzoening met zijn kind! En bij het kletteren van den ijzeren hagel der Maxims, in het aangezicht des doods, wilde hij zijn kind in de ooren fluisteren: »Frits mijn jongen--'t is alles, alles vergeven! Gij zijt geen bastaard, maar mijn kind, mijn lieveling! Wij zijn verzoend!"

Ja verzoend! doch de gedachte, dat hij te laat kon komen en dat zijn kind onverzoend met zijn vader voor den eeuwigen Rechter van hemel en aarde zou kunnen verschijnen was hem schier ondragelijk, en hij steunde als een hert, dat de wond voelt, diep in de borst....