De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 16
Het afscheid was hem nooit zoo zwaar gevallen als thans--neen _nooit!_
Zijn oogen dwaalden van zijn kind naar zijn vrouw, en van zijn vrouw naar zijn kind.
Hij wilde haar troosten, maar de troost bestierf op zijn lippen.
Hoe zou hij ook troosten--was zijn hart niet verscheurd?
Doch de kleine werd iets rustiger; het sloot de oogen en sluimerde in.
Jan Kloppers stond op.
»Moet het?" zeide Geertrui met moede stem.
»Ja," zeide hij, »het _moet_--laat een Kaffer komen!"
Een der Kaffers kwam.
»Neem den Zwarte van den stal," zeide Kloppers, »en zadel hem--vlug!"
In den hoek stond een geweer met den langen, blinkenden loop: daarnaast lag de bandelier.
Kloppers maakte zich nu snel gereed voor den krijgstocht. Geertrui hing hem den bandelier om de schouders.
De leeftocht voor eenige dagen--een stuk gerookt vleesch, eenige harde beschuiten, een zakje gemalen koffie en een builtje tabak--was spoedig gereed.
De Kaffer kwam terug en zeide: »Baas, de Zwarte is kreupel; hij heeft zich verrekt aan den rechter voorpoot."
»Neem dan den Vos," zeide Kloppers.
Zoo bracht de Kaffer den Vos, en Jan Kloppers ging naar buiten, waar zijn kinderen speelden.
»Nu Steven, jij bent het Roodbaatje,"[20] zeide Alexander, »en ik ben een Transvaalsche Boer, en nu willen we vechten."
[20] Engelschman.
»Ik dank je lekker," zeide Steven; »ik wil geen Roodbaatje zijn; ik wil niet op mijn lichaam krijgen."
»Kom," meende Cornelia wijsgeerig, »je moet niet zoo flauw doen, Steven; er moeten bij een oorlog toch twee partijen zijn--hoe kan er anders oorlog wezen?"
Nu zagen de kinderen hun vader naderen, en hij drukte die frissche, blozende gezichtjes aan zijn hart.
»Zult ge moeke goed gehoorzaam zijn?" vraagde hij met een week gemoed.
»Ja pa," riepen ze in koor.
»En wanneer komt ge terug?" vraagde Hendrik, doch deze onschuldige vraag sneed hem door de ziel--was het zeker dat zij _ooit_ hun vader terug zagen?
»En wat brengt gij ons mee uit den oorlog?" vraagde Kees.
»Voor mij een geweer van de Roodbaatjes!" riep Alexander.
»En voor mij een sabel!" riep Steven, »zoo'n mooie lange sabel, waarmee ik tijgers en leeuwen kan doodslaan!"
»En voor mij 'n mooie pop!" riep de kleine Sien.
»De Roodbaatjes zullen u toch niet doodschieten?" vraagde Hendrik.
»God in den hemel kan het verhoeden," zeide Kloppers; »zult ge voor Pake bidden, dat geen kogel hem treft, mijn lievelingen?"
Doch bij dit woord van hun vader kwam er een plotselinge ernst op die vroolijke kindergezichten.
»Ja Pake, wij zullen elken morgen en elken avond onze knietjes buigen, en onzen Heere in den hemel bidden, dat Hij u beware!"
»Doe dat, mijn lievelingen," zeide Kloppers, en hij kuste hen tot een laatst vaarwel één voor één op den frisschen rozenmond.
Op dit oogenblik echter snelde Geertrui naar buiten en riep: »Ach Jan, Kareltje vraagt weer naar je!"
De bedroefde vader ging naar binnen.
»Pake, hier blijven," fluisterde het kind, en zocht de hand van zijn vader.
Kloppers zette zich weer neer bij het ledikantje en nam de hand van den kleinen koortslijder in de zijne.
Nu was het kind weer bedaard.
Doch de plicht, de ijzeren plicht gebood.
»Geertrui!" zeide hij zacht--»het moet! het _moet_!"
Voorzichtig stond hij op, en maakte de kleine hand behoedzaam los uit de zijne.
Zwijgend nam hij afscheid van zijn vrouw. Het hart kan zoo vol zijn, dat er geen woord over de lippen kan.
Snel verwijderde hij zich, en hij zat reeds in het zaâl, toen hij door de open deur weer het smeekend geroep hoorde: »Pake, hier blijven!"
Neen, ze was niet uit te spreken, de pijn, die zijn hart verscheurde!
En een namelooze bitterheid steeg op in zijn ziel, en hij richtte den blik naar boven, en al bleven zijn lippen gesloten, in dien stommen blik naar boven, naar de hemelen, waar de Eeuwige en Rechtvaardige troont, lag een vreeselijke aanklacht tegen de politiek van Cecil Rhodes....
HOOFDSTUK XXXII.
Wat jaagt daar langs den heuvelrand In 't nachtelijk duister voort? De hoefslag van het snuivend paard Wordt wijd en zijd gehoord! In dichte drommen komen zij, Snel als de wervel, aan; De blanke loop der lange buks Blinkt in het licht der maan!
En sneller jaagt langs berg en dal De vlugge ruiterstoet, De stad des oproers in de flank, Den vijand tegemoet! Zij rijden tot de morgenster Verbleekt aan 's hemels trans; Zij rijden tot de dag hen groet In morgen-zonneglans!
't Is nacht.
Helder flonkeren de sterren aan den diepblauwen, Afrikaanschen hemel, en de maan, die boven de verre heuvelen uitkomt, hult het eindelooze veld in een waas van witzilveren licht.
Hoe stil het is--hoe vredig!
Alles slaapt; alles rust.
De boomen, hier en daar als eenzame schildwachten verspreid, werpen hun breede, donkere schaduw, en nauwlijks bewegen zij hun bladeren, alsof ze bezorgd zijn, om het vogelke te storen, dat in het kunstig nestje, tusschen hun takken, rust en slaapt.
En aan hun voet kabbelt de kleine beek, en droomt de blanke veldbloem, en de engel des vredes schrijdt met zachten tred en uitgespreide vleugels over het aardrijk heen.
Maar hoort ge daar niets?
't Was de nachtwind maar, die in het struikgewas ritselt.
Neen, 't is toch de nachtwind niet.
Het geruisch komt uit de verte, en het klinkt anders dan het geritsel van den wind in het gebladerte.
Het ruischt als het breken der golf tegen het zeestrand bij het opkomen van den vloed.
Leg uw oor op den grond; dan kunt ge beter luisteren!
Het geluid komt al nader; nu dreunt het als het doffe getrappel van vele paardenhoeven in het lange Tamboeki-gras.
Zie, nu kan uw oog, bij het stralend licht der maan, de schaduw reeds onderscheppen, de reusachtige schaduw, die het geluid veroorzaakt.
Zij nadert snel--vol geheimzinnigheid--als op vleugelen gedragen!
Ge onderscheidt reeds de golvende manen, de blinkende geweerloopen, de strakke, ernstige gezichten!
Zie, daar is ze, de schaduw! De vlakte dreunt en bonst onder den hoefslag van vlugge paarden!
Op zij, onvoorzichtige! Maak ruimte--of die vreeselijke schaduw gaat over u heen! Want zij buigt noch ter rechter noch ter linker zijde--zij gaat recht uit--onweerstaanbaar als de bergstroom, die van de hoogten nederdondert....
Zie, daar is ze, de schaduw!
De troep is dicht aaneengesloten; de koppen der luid briesende paarden raken elkander.
Ontbloot uw hoofd, want wat u daar voorbij dreunt, is de trouwe, sterke Wacht, die het vaderland verdedigt in het uur van 't gevaar--het volk in de wapens!
En die daar, voor aan de spits, met dat ijzeren gelaat, is de bevelvoerder, en naast hem, op dien witten schimmel, met dat bliksemend oog, rijdt een grijze Voortrekker!
En in het midden van den troep wappert, in de gespierde vuist van een krachtigen ruiter, de oude Boerenvlag!
En hare banen ruischen in den nachtwind, en ruischen en bruischen het lied van vrijheid en recht.
* * * * *
Reeds is de ruiterstoet voorbij.
Als een vluchtige, geheimzinnige schaduw, zooals hij kwam, verdwijnt hij: de vlakten over, zonder ophouden, zonder rust. Hij glijdt de heuvelen op en de heuvelen af, langs kloven en afgronden, de rivieren door!
Niets, dat die schaduw keert.
En snel gaat zij als de jachthond, die den reebok vervolgt, als de wervelwind, die over de daken giert, als de zeilende wolk in het onmetelijk luchtruim....
Nu ziet ge niets meer dan een stip, en de stip lost zich op in de opstijgende dampen, en alles is voorbij.
Ge hoort niets meer dan het gekabbel van het beekje en het ruischen van den nachtwind in het loover der struiken--het visioen is voorbij.
Maar 't was geen visioen.
De man met dat ijzeren gelaat was de Kommandant, en die grijsaard op den witten schimmel de oude Kloppers, en zijn zoon Jan hield den vlaggestok omklemd met zijn sterke vuist.
»Van de snelheid onzer paardenhoeven hangt het lot af van ons volk," had de Kommandant gezegd, en de Boeren hadden de sporen diep ingedrukt in de zijden hunner paarden.
HOOFDSTUK XXXIII.
Het was reeds dag, de eerste dag van het nieuwe jaar, toen de ruiterstoet den weg naderde, dien Jameson vermoedelijk zou passeeren op zijn tocht naar Johannesburg.
Frits Jansen, die zich bij het kommando had aangesloten, reikhalsde, alvorens hij in den oorlog ging, naar een verzoening met zijn vader, en daar de afstand, die hem van Waterfontein scheidde, thans niet groot meer was, vraagde hij aan den Kommandant voor eenige uren verlof, om te Waterfontein afscheid te nemen.
Na hetgeen Frits Jansen voor het vaderland had gedaan, kon de Kommandant dit verzoek niet weigeren, en den teugel wendend, reed de jonge Boer nu zijwaarts af naar de ouderlijke woning. Nauwlijks een uur later kreeg hij reeds het nieuwgebouwde huis in 't gezicht.
Hoe klopte zijn hart, toen hij in de verte de hooge boomen zag en de breede, lange oprijlaan!
Hij zag de beesten en schapen van zijn vader grazen tegen de heuvelen aan, en hij kon zelfs sommige ossen, zooals Rooiland, Bontberg en Witvoet, onderscheiden.
De Kaffers in het veld moesten hem echter hebben herkend, want met de hand boven de oogen naar den vreemden ruiter starende, maakten zij gebaren vol verwondering.
Waarom verwonderen zij zich toch?
Ach, de verwondering van deze schepsels was wel een bewijs dat de klove diep was, die hem scheidde van zijn vader.
Doch was zijn vader nog thuis? Of had hij van den inval al gehoord, en was hij reeds vertrokken naar het oorlogsveld?
Juist kwam een Kaffer hem tegemoet, maar het was voor Frits Jansen een wreede teleurstelling, van dezen te hooren, dat zijn vader reeds heden morgen met zijn broeders, die te Waterfontein op bezoek waren, weggereden was in den oorlog.
Tante Martje stond op het erf voor het huis, toen Sultan, dien zij eenige brokken brood toewierp, met vroolijk geblaf en groote sprongen wegijlde.
»Wat de hond toch hebben mag?" dacht zij en opkijkend zag zij in de oprijlaan den ruiter naderen.
Zij herkende hem onmiddelijk, en met een juichkreet liep zij hem te gemoet.
Hij sprong van het paard in de armen van zijn moeder.
»Frits, mijn kind, mijn lieveling!" riep ze, hem kussend; »kondt ge het in Rhodesia niet meer uithouden? Ik dacht het wel, ik dacht het wel!"
»Maar Vader is vertrokken," zeide Frits Jansen, en de vreugde des wederziens werd voor hem getemperd door deze groote teleurstelling.
»Vier uren geleden is uw vader vertrokken," zeide tante Martje zacht.
»En onverzoend!" klaagde Frits.
Zijn moeder wist niet, wat zij daarop zou zeggen, en was evenzeer bedroefd.
Frits staarde naar het nieuwe huis.
»Is Eliëzer nog niet terug?" vraagde hij.
»Neen--hebt gij hem gesproken?" was de wedervraag, terwijl het oog van tante Martje vol spanning rustte op haar kind.
Hij knikte bevestigend.
»Ik ontving verleden week een brief," hernam zij, »dien gij schreeft na uw ontmoeting met het meesterke."
»En wat heeft Vader van mijn brief gezegd?" vraagde Frits met bewogen stem.
Ach, waarom vraagde hij dat!
Kon zij haar zoon in dit aandoenlijk oogenblik, nu zij hem weer drukken mocht aan het moederhart, de volle waarheid zeggen? Kon zij hem zeggen, dat zijn vader den brief voor een grooten leugen--hield?
Neen, zij kon het evenmin doen als dat zij toornen kon op haar man, die door een vreeselijke vergissing rotsvast geloofde aan de schuld van zijn eigen kind.
Zij gaf geen antwoord op de vraag van Frits, doch hij begreep met smart, dat geen antwoord ook een antwoord was.
»Frits," zeide zij eindelijk, »is de werkelijke brandstichter thans ontdekt? Is de zaak tot klaarheid gekomen? Is het vreeselijk raadsel opgelost?"
»Ja," antwoordde hij, »Jack Williams moet de brandstichter zijn."
»Heeft hij bekend?"
»Neen," zeide Frits op kalmen toon, »maar ik kan bewijzen, dat _ik_ het niet heb _kunnen_ doen. Vrouw Williams weet het, dat ik mijne kleeding, waaraan Eliëzer mij meende te herkennen, ten haren huize heb verwisseld tegen eene militaire uniform. Zij is mijn getuige."
Het was tante Martje vreemd te moede.
Gisteravond had zij met haar man nog gesproken over Frits, doch hij had ten slotte met strengen blik en harde stem gezegd: »Hij is de brandstichter--noem zijn naam niet meer!"
En hier was nu Frits, en hij kon getuigen noemen!
Maar helaas, nu was alles te vergeefsch, want Reinard Jansen was reeds ver weg, en nog van daag--_van daag!_--kon de onvermijdelijke botsing met Jameson's troepen plaats hebben.
Onverzoend was Reinard Jansen in den oorlog getrokken, en zij wist dat het onbarmhartige Maxim van Engeland het leven der menschen afsnijdt als rijp gras....
Zwijgend gingen moeder en zoon naar binnen, waar de zusters hun broeder reeds tegemoet kwamen, en op verrasten, vroolijken toon riepen: »Wees welkom, Frits, wees welkom, en een gelukkig nieuwjaar!"
En de liefde en de hartelijkheid, waarmede moeder en zusters hem ontvingen, verkwikten de ziel van Frits Jansen.
Frieda nam hem het geweer af, en Lucie den bandelier.
»Dat is jouw geweer toch niet?" vraagde Frieda.
»Neen," zeide Frits, »het is van Oom Kloppers. Het mijne is achtergebleven in Rhodesia."
En nu vertelde hij op zijn eenvoudige, onopgesmukte manier de lotgevallen zijner laatste dagen, den vreeselijken rit op leven en dood en den ontzettenden sprong over den gapenden afgrond.
En vol aandacht en aandoening zaten de huisgenooten te luisteren, en moeder Jansen hield de handen van haar wakkeren jongen in de hare, en staarde hem aan met vochtige oogen.
Ach, had Reinard Jansen er bij gezeten. Hoe zou hij aan de onschuld van zijn zoon hebben geloofd! Hoe zou zijn oog bij het verhaal der stoute daden van zijn kind hebben geschitterd van vreugde en glorie!
Hoe zou hij zijn moedigen jongen aan het hart hebben gedrukt, en hoe zou alle toorn en bitterheid zijn verzonken in een zee van eeuwige vergetelheid!
* * * * *
»Zijn de Kaffers rustig?" vraagde Frits.
Hij bedoelde de honderden Kaffers, die in een naburige goudmijn werkten.
»Zij hebben gisteren het werk gestaakt," zeide tante Martje, »maar uw vader is gisteren avond nog laat naar hun woningen geslopen, en heeft geen onraad bespeurd."
»Als ze maar niet door de Engelschen worden opgezet," meende Frits.
»Uw vader vreesde het!"
»Blijf hier," zeide Lucie, »om ons te beschermen!" doch Frits Jansen schudde het hoofd.
»Een overwinning op Jameson is de beste bescherming," zeide hij, »maar die overwinning moet volkomen zijn en vernietigend!"
Hij keek naar de klok.
»Hoe lang zult ge hier vertoeven?" vraagde tante Martje, die wel begreep, dat haar kind niet zou blijven.
»Een uur," zeide hij, maar zijn moeder smeekte: »Twee uur."
»Nu dan," meende hij met een zweem van zijn oude vroolijkheid, »we zullen het verschil deelen: anderhalf uur."
Zoo bleef hij dan anderhalf uur, en al verliepen ze snel, het waren toch kostelijke oogenblikken. En al had Frits Jansen zijn vader niet ontmoet, het trouwe moederhart blonk hem tegen uit de oogen van tante Martje, en het schonk hem troost, moed en hoop, en volle vergiffenis voor de vreeselijke dwaling, die hem van de zijde der Boeren in de gelederen van Rhodes' aanhangers had gedreven.
Doch toen anderhalf uur was verstreken, wilde moeder Jansen haar kind ook niet langer houden. Wel was het hard, om haar kind, dat zij pas had terug ontvangen, weer af te staan, blootgesteld aan de slagen van den verderfengel, die oorlog wordt genoemd, maar zij deed voor Jan Kloppers niet onder in plichtsgevoel en vaderlandsliefde, en al was haar toestand zoo geheel anders dan die van Lena Marling, Lena's woord kwam ook over haar lippen: »De Heere zal het voorzien!"
En zoo nam zij afscheid van haar zoon, doch op dit oogenblik kwam de oude, knagende pijn bij Frits Jansen weer boven.
Onverzoend met zijn vader!--het stond weer met vlammende letteren voor zijn oogen.
Een verworpeling was hij! een ellendeling! een gevloekte! want hij had geheuld met de vijanden zijns volks!
Raadde de blonde Frieda zijn gedachten?
Zij nam zijn gelaat tusschen haar handen en zeide vol deernis: »Neen, broeder, zoo laten wij u niet gaan!"
Zij zette zich voor het orgel, en als een bede naar boven rees uit den mond van moeder en zusters het aandoenlijk psalmlied:
»De Heer zal u steeds gadeslaan. Opdat Hij in gevaar Uw ziel voor ramp bewaar! De Heer, 't zij g' in of uit moogt gaan, En waar g' u heen moogt spoeden. Zal eeuwig u behoeden!"
Doch Frits Jansen hief zijne stem op en weende.
* * * * *
De jonge ruiter zat in het zaâl, en reikte moeder en zusters voor den laatsten keer de hand ten afscheid.
Een schaar duiven streek neer op het dak, en wijd, wijd uit de verte kwam een doffe slag als het rommelen van den donder.
Verwonderd keek tante Martje naar de lucht en zeide: »Hoe vreemd! Het begint te onweeren, en ik zie geen onweerswolken!"
Er volgde nog een slag en nog één, harder dan zoo even, en deze slagen schenen bij Frits een even plotselinge als wonderbare verandering te veroorzaken.
Zijn wangen begonnen te gloeien, en zijn oogen stonden star in de richting, van waar de slagen kwamen.
»Begrijpt gij het, Frits?" vraagde tante Martje.
»Ja," zeide hij met luide stem, »ik begrijp het. Dat is niet de donder van het onweer, Moeder, maar de donder van het Engelsche geschut. Het kanon van Engeland roept mij, en--dood of levend!--ik zal den blaam uitwisschen, die door mij op den smetteloozen naam der Jansens is gebracht!"
Het was een aangrijpend tooneel: die krachtige jongeling in den vollen bloei zijner jaren, op den vurigen, trappelenden, koolzwarten hengst, gereed om zijn leven te geven voor de vrijheid van zijn volk, en naast hem die bedroefde moeder en die schreiende zuster!
Nog hield Frits Jansen zijn paard in, en een plotselinge ontroering gleed over zijn edel gelaat.
»Hebt gij mij nog iets te verzoeken?" vraagde tante Martje.
Hij boog zich voor over en fluisterend kwam het over zijn lippen: »Moeder, moederke, bid voor mij!"
Toen zette hij zich vast in het zadel, drukte de sporen in de zijden van zijn vurig ros, wuifde met de hand en snel vloog hij als een pijl uit den boog, den oorlog tegemoet en den donder van den slag....
Doch tante Martje zocht haar kamerke op, want haar hart was vol. En evenals Hanna hare ziel uitgoot in den tempel voor God, stortte moeder Jansen haar hart met al zijn angst en vreeze uit voor den Heere.
HOOFDSTUK XXXIV.
Het werd namiddag, toen Eliëzer terug kwam van zijn tocht naar Rhodesia.
Veel nieuws kon hij niet mededeelen, want het belangrijkste wist tante Martje reeds uit den mond van haar zoon, en zeker ware hij reeds eerder thuis geweest, had hij niet een vriend der Jansens meegebracht.
Deze vriend was het meesterke, die door tante Martje werd ontvangen met de liefde, waarmede zij haar eigen kind zou ontvangen.
Het was geen wonder, dat het meesterke het niet meer uit kon houden in Rhodesia. De grond brandde onder zijn voeten, sinds hij wist, dat Frits was gedeserteerd. En de boer, bij wien hij huisonderwijzer was, gaf hem gaarne verlof, om te vertrekken, daar hij blind was voor de kostbare parel, die verborgen lag in deze nietige schelp.
Het meesterke was dus meegekomen, om Frits te helpen, zonder een flauw besef te hebben, _of_ en _hoe_ hij Frits Jansen zou kunnen helpen.
* * * * *
Hoe was toch alles zoo gejaagd en gehaast op dezen dag!
Frits zocht zijn vader op Waterfontein, en hij kwam te laat; het meesterke zocht Frits en kwam evenzeer te laat.
Ver, ver weg echter klonk, dof en dreigend, de donder van het kanon, en voor haar geestesoog zag moeder Jansen haar man en hare vijf zonen worstelen tegen dat overmachtig geschut....
Maar hoe _stond_ het met het gevecht?
Niemand, die het wist!
Nu en dan kwam langs den heirweg een eenzame Boerenkrijger voorbij, wuifde met het geweer en sloeg de richting in naar Krugersdorp.
Doch van Krugersdorp kwam niemand.
De zon brandde met gloeiende stralen boven Waterfontein, en toch kon tante Martje het in huis niet uithouden. Haar hart werd geslingerd en beefde als een riethalm, wanneer er de wind over heen gaat.
Het meesterke had rust genomen, want hij was dood op van de lange reis, doch na eenige uren verkwikkenden slaap was hij weer opgestaan en zeide tot moeder Jansen: »Tante Martje, ik ga met Eliëzer naar het slagveld."
»Gij?" vraagde tante Martje vol verwondering; »gij zijt te bang, om een geweer af te schieten, en wilt gij naar het slagveld?"
»Ja," zeide hij kalm, »ik ga."
»En ik ben ook niet bevreesd," voegde hij er aan toe, »want gij weet toch ook wel, dat de liefde de vrees buiten drijft."
»En wat wilt ge er doen?" vraagde tante Martje, den zwakken jongeling aankijkende.
»Ik wil Frits zoeken; zien, of hij niet gekwetst is, en hem helpen, als ik kan."
»In het gewoel van het gevecht?"
Hij knikte.
»En waarom mijnen man niet?" vraagde zij plotseling.
»Ik moet Frits zoeken," zeide hij bepaald. »Frits en niemand anders. Ik word er toe gedrongen."
Had hij een openbaring gehad, of dreef hem dat geheimzinnig voorgevoel, dat wij niet kunnen verklaren, en dat toch onze daden bepalen kan?
»Ga dan, en de Heere zegene u in uw edele taak," zeide tante Martje bewogen.
De muisvale poney was gauw getuigd, en terwijl het meesterke zijn paard besteeg, was Eliëzer gereed te voet mee te gaan.
En wanneer men mij nu vraagt, bij wien de edelsteen der liefde helderder flonkerde: bij dien tengeren blanke met die zachte, weemoedige uitdrukking op het gelaat, of bij dien forsch gebouwden, zwarten zoon van Zoeloeland met die donkere, fonkelende oogen, dan moet ik het antwoord schuldig blijven!
Het ging tegen den avond, en de zon neigde reeds diep naar het westen, toen moeder Jansen weer op den uitkijk stond, en zij twee ruiters uit de richting van Krugersdorp zag naderen.
Zij reden hard; hun paarden waren met zweet bedekt.
De kleinste droeg den rechterarm in een doek, en de andere had zijn hoofd omwonden, terwijl een groote bloedvlek zichtbaar was op zijn wang.
Zij reden recht op moeder Jansen aan, doch hielden, bij haar komende, hun paarden in.
»Wie zijn jullie?" vraagde tante Martje.
»Geblesseerden van het Boerenkommando bij Krugersdorp," zeide de grootste, wiens hoofd omwonden was, »en wij zijn door den Kommandant op kondschap uitgezonden, waar onze kanonnen toch blijven. Hebt ge niet wat te drinken, Nicht--wij hebben dorst!"
»Van Krugersdorp!" riep tante Martje, en haar hart sloeg hoorbaar: »hoe staat het met het gevecht?"
»Tot nog toe zijn de Engelschen door onze linie niet heen," zeide de grootste.
»En ze komen er ook niet door," zeide de kleinere, terwijl hij zich op de tanden beet van pijn, want de kogel scheen het been geraakt te hebben.
»Twee en een half uur hebben de Engelsche kanonnen en maxims aan één stuk op ons geschoten en de klippen bont en blauw gebeukt, waarachter wij lagen," zeide de grootste.
»Hebt gij ook iets van de Jansens gehoord?" vraagde tante Martje met een bevend hart.
»Van de Jansens?" zeide de grootste nadenkend. »Ik heb van een Frits Jansen hooren spreken--alle respect voor dien jongen man!--hij heeft zich kranig gehouden."
»'t Is mijn zoon," zeide tante Martje; »hoe is het met hem?"
»Toen ik over hem hoorde spreken, was hij nog ongekwetst. Maar 't is een kerel, moeder Jansen, ge moogt trotsch op hem zijn. Zoodra hij op het slagveld aankwam, heeft hij tot den Kommandant gezegd: »Dat maxim ginds hindert ons--ik zal het tot zwijgen brengen!" En dwars door den kogelregen is hij heengegaan, en heeft zijn woord gestand gedaan!"
Doch bij deze woorden kwam een gewaarwording op bij tante Martje, die zij niet beschrijven kon.
Was het angst voor het doodsgevaar, dat haar zoon had getrotseerd, of moedertrots over zijn heldenmoed?
Zij wist het niet--zij was vol vreeze en vreugde!
Intusschen naderde Frieda met twee tot aan den rand gevulde bekers.
»Brengt ge wijn?" vraagden de Boerenkrijgers.
»Voor onze helden wijn, en voor de Engelschen water," zeide Frieda, en in lange, gulzige teugen dronken de gekwetsten de bekers leeg.