De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 15
Beter te pletter gevallen met zijn paard op de scherpe klippen van den afgrond in de poging, zijn vaderland te redden, dan lafhartig zich overgegeven aan de vijanden zijns volks!
En de handen vouwend, barstte de noodkreet uit zijn ziel: »God mijner vaderen, gedenk mijner naar Uwe groote barmhartigheid...."
* * * * *
Vastberaden wendt Frits Jansen nu den kop van het paard in de richting der kloof, en liefkoozend gaat zijn hand over den koninklijken hals van zijn edel ros.
Hij buigt zich voorover, en fluistert Cesar vleiend in de ooren: »Dezen keer zult ge je koningssprong doen, Cesar! De vijanden loeren op je jongen meester, Cesar, maar gij zult het niet dulden, dat zij hem krijgen, en gij zult hem over den afgrond dragen als op de vleugelen van den arend! We moeten er over, Cesar--we _moeten_, hoor je!"
En al heeft Cesar de woorden niet verstaan, den zoeten, vleienden toon heeft hij wél verstaan, en zijn vurig oog ziet reeds den afgrond.
Hij spitst de ooren, trappelt ongeduldig en hinnikt luid.
En nu drukt Frits Jansen den hengst de sporen in de flanken--het edele ros werpt den prachtigen kop omhoog, en slaat de slanken pooten uit....
Ja, dat is het paard, waarvan in het boek van Job is gezongen!
Zijn hals is bekleed met den donder, en de pracht van zijn gesnuif is een verschrikking!
Het graaft in den grond met zijn hoeven, en is vroolijk in zijn kracht!
In de verte schittert de speer van een ruiter, doch het belacht de vreeze en wordt niet ontsteld!
Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en in het volle geklank der bazuin zegt het: Heah! en riekt den krijg van verre! den donder der vorsten en het gejuich!
Frits Jansen echter richt zich hoog op de stijgbeugels--hij heeft de oogen wijd open--hij ziet den dood flikkeren op de speerspiets der Kafferruiters--hij ziet den dood grijnzen in de diepte van den afgrond--en zijn hart staat stil, en zal eerst opnieuw gaan kloppen, als het paard, in een majestueuzen, koninklijken sprong over de rotskloof henensuizend, de hoeven dreunend laat nedervallen op den harden kleigrond aan den reddenden overkant.
* * * * *
Vol verbazing en ingehouden bewondering hebben Rhodes' ruiters dien sprong op leven en dood gezien, maar Jack Williams brult: »Vooruit! Er over!" waarop luitenant Harreson, die niet van zins is, om zijn ruiters voor een deserteur den nek te laten breken, droogjes antwoordt: »Doe jij 't hun voor!"
Jack meet met zijn oogen de wijdte der kloof, doch ze is hem blijkbaar te groot.
Hij grijpt naar zijn revolver.
»Wat wil je?" vraagt de luitenant.
»Den deserteur neerschieten!"
»Waarom?"
[Illustratie: De sprong over de rotskloof.]
»Hij weet alles luitenant. Die zwarte neger van zijn vader heeft hem het geheele plan verteld. Schud nu niet van neen, want ik weet het uit de beste bron. Hij rijdt spoorslags naar de Transvaal, en zal zich haasten, om aan de Boerenregeering het geheim te berichten."
Harreson trekt de schouders op.
»Laat het hem doen," zegt hij luchthartig, »wat geeft het? De Boeren kunnen den dans toch niet meer ontspringen. Overigens is die zwarte hengst van Frits Jansen meer waard dan de heele negerij, die Rhodesia heet."
Doch Jack Williams hoort die laatste woorden niet eens.
»Waar een paard over kan, daar kan ook een kogel over," schreeuwt hij, en den zwaren revolver opheffend, jaagt hij den vluchteling zes kogels achterna. Doch de kans om te treffen, is bij dien afstand voor den revolver zeer gering, en onschadelijk snorren de kogels den deserteur voorbij.
Frits Jansen echter keert zich om op zijn paard, heft beide handen juichend omhoog, en roept met luidklinkende stem; »Voor vrijheid en recht--hoera!" en snel zijn ros en ruiter achter de eerste heuvelrij verdwenen.
HOOFDSTUK XXIX.
Midden in den nacht boog een eenzaam ruiter de lange oprijlaan in van eene Transvaalsche boerenhofstede.
Het wakkere paard liet den kop moede hangen, en de ruiter was nauwelijks in staat zich in den zadel te houden. Hij had een vreeselijken rit achter den rug, en slechts zijn ijzeren wil had hem overeind gehouden.
Luide weerklonk het geblaf der waakhonden op het erf, toen de ruiter uit het zaâl stapte, en op de ramen kloppend, riep: »Doe open!"
Het duurde eenige oogenblikken, alvorens een welbekende stem van binnen antwoordde: »Wie is daar?"
»Goed volk," zeide de ruiter,--»Frits Jansen!"
»Frits Jansen!" herhaalde de stem van binnen met groote verbazing, »wacht, ik zal je opendoen!"
De ruiter kon nu zien, dat er licht werd aangestoken, en eenige oogenblikken later werd de huisdeur geopend.
»Kom binnen, Neef!" zeide de welbekende stem, »en wees welkom!"
Frits Jansen trad nu binnen.
De oude hangklok stond op half twee.
»Waar kom je van daan, Frits?"
»Van Rhodesia."
»En waarom niet naar Waterfontein gegaan?"
»Omdat met die reis anderhalve dag meer gemoeid zou zijn, Oom, en de zaak, die mij drijft, is te gewichtig. Het lot der Transvaal hangt misschien van een paar uren af."
De grijsaard ging vlak voor den ruiter staan, keek hem aan met scherpen blik en zeide: »Ik meende, dat gij een Rhodes-man waart."
»Geweest," antwoordde Frits Jansen, die zich letterlijk liet neervallen op een stoel.
»Gij zijt doodmoe," zeide de grijsaard vriendelijk.
»Ik kan niet meer, Oom," antwoordde Frits, en de oude Dirk Kloppers haastte zich, om den moeden en hongerigen ruiter te verkwikken met spijs en drank.
»En waar is Tante Anneke?" vraagde Frits Jansen thans.
»Zij is overleden," zeide de grijsaard met een weemoedigen klank in zijn stem.
»Ik heb er niets van gehoord," hernam de jonge Boer met een smartelijke verrassing.
»Veertien dagen geleden is zij heengegaan naar haar eeuwig huis."
»'t Is voor u een zware slag," zeide Frits vol deelneming.
»Ik kom het niet te boven," steunde de oude man.
»Doch wat is uw boodschap?" liet hij er op volgen, toen Frits zijn maaltijd had geëindigd.
De jonge ruiter was wonderlijk opgefrischt, en verhaalde nu de reden, die hem had bewogen, om te deserteeren.
Doch hij was nog niet uitgesproken, toen het sluimerende vuur weer begon te ontbranden, dat God had gelegd in het hart van den grijzen Voortrekker.
Het scheen, alsof de oude man plotseling was geëlectriseerd. Die van smart en rouw gebogen gestalte begon weer te rijzen; in de oude, uitgebluschte oogen schitterde het vuur der vaderlandsliefde, en de stalen veerkracht van weleer blonk van dat verweerd en verrimpeld gelaat.
Onwillekeurig zocht zijn oog het Henri-Martini-geweer, daar boven de deur, dat in zijn hand zoo'n vreeselijk wapen was geweest, nu vijftien jaar geleden, in de gevechten van Bronkhorstspruit, Langnek en Amajuba.
»Ik heb het altijd wel vermoed," zeide hij meer tot zichzelve dan tot Frits Jansen,--»altijd! Op een schandelijk verraad moest het ten slotte wel uitdraaien. En Johannesburg, de Mammonsberg, spant samen met de troepen der Chartered Compagnie, die aan den leiband van Cecil Rhodes loopt, om in naam der vrijheid--de staatkundige vrijheid der Boeren te vermoorden!"
»Maar zij hebben ons nog niet," riep hij dreigend, »neen, waarlijk niet!"
Er volgde een korte pauze.
»Ik moet op staanden voet naar onzen kommandant," ging hij voort, »en rapport overbrengen."
»Mag ik mee gaan, Oom?"
»Niets liever--maar zijt ge niet te moe?"
»Neen," zeide Frits op beslisten toon.
De grijsaard ging nu naar buiten, naar de Kafferhutten achter op het erf en wekte een paar Kafferknechten.
»Zadelt mijn schimmel en den bles," beval hij op dien krachtigen, korten toon, die hem eigen was in groote en beslissende oogenblikken--»snel!"
Nu keerde hij weer naar binnen.
»De kommandant woont in het dorp; binnen een uur kunnen wij er zijn, maar laten wij even bij mijn zoon Jan, die bij een ziek kind zit te waken, de tijding brengen."
Zoo gingen ze dan te samen het erf over naar de woning van Jan Kloppers. Door een zijraam zag men een licht branden; ook was de huisdeur niet gesloten.
Behoedzaam traden zij binnen, doch Jan Kloppers had hen reeds gehoord. Hij kwam hen tegemoet, en op den vragenden blik van zijn vader zeide hij met een bezorgd gelaat: »De kleine Karel is van nacht niet beter."
Hij bracht de binnentredenden in de kamer bij het ledikantje.
Geertrui zat er naast met beschreide oogen, en hield de brandende heete handjes van het kleine ventje omklemd.
Het kind had een harde koorts, en onrustig dwaalden die blauwe kijkers rond.
De grijsaard deelde het ernstige bericht mede, dat Frits had gebracht, en zwijgend hoorde Jan het aan.
Hij zuchtte.
Hij dacht aan zijn zwak, ziek kind, en keek den ouden Voortrekker aan.
»Dat beteekent oorlog," zeide hij.
»Of wij smoren hem in den eersten slag," antwoordde de wijze grijsaard.
Geertrui stond op, en verkwikte het dorstige kind met een teug water.
En van het ziekbed van haar lieveling vlogen haar gedachten naar het slagveld, en voor haar opgeschrikte verbeelding zag zij haar man bloedend, stervend neergestrekt door het onbarmhartige Engelsche kanon, smachtend naar één teug water. En zij dacht aan Cecil Rhodes, die koning was in het land van bedrog, en haar hart was vol droefheid en bitterheid.
Doch de paarden waren nu voor gebracht, en Dirk Kloppers en Frits Jansen zich naar buiten begevend, sprongen in het zaâl.
»Waar is mijn paard?" vraagde Frits ongerust.
»Ik heb het goed bezorgd," zeide de grijsaard, »we zullen het wat rust geven."
Het was een stille liefelijke zomernacht, en niets werd gehoord dan de snelle hoefslag van de paarden en de slaperige kreet van een opgeschrikten vogel.
»Oom," zeide Frits, nadat ze zwijgend, ieder in zijn eigen gedachten verdiept, een groot eind hadden afgelegd, »ik dank u wel hartelijk, dat gij voor mij te Waterfontein zoo'n hartig woord hebt gesproken."
»Ik hield je voor onschuldig aan den brand."
»En ik was het ook, doch den schijn had ik tegen."
»Is het raadsel opgelost, Frits? Heeft Jack dien nacht uw pak aangehad?"
Vol verwondering staarde de jonge man in het gelaat van den schranderen grijsaard.
»Hoe komt gij op die gedachten, Oom?"
»Ik kon het mij niet anders verklaren, en ik heb uw moeder bij het afscheid nemen mijn vermoeden medegedeeld."
Frits Jansen deelde nu de toedracht mede, en de grijsaard luisterde met opmerkzaamheid. Doch toen de jonge Boer aan het einde was van zijn verhaal, fronste de oude Voortrekker even zijn wenkbrauwen en zeide: »Dat is wel een bewijs, dat _gij_ onschuldig zijt, doch _geen_ bewijs, dat Jack Williams de dader is. Gij gist en vermoedt het, en ik vermoed het ook, doch gissingen en vermoedens zijn geen bewijzen. En zoo lang de dader niet bekent, of derden geen getuigenis kunnen afleggen, dat _gij_ onschuldig zijt, gaat ge voor de wereld, voor de buitenwacht, niet vrijuit."
»Zoo ver heb ik nog niet eens gedacht," zeide Frits, terwijl er een groote teleurstelling lag in zijn stem.
»Toch weet ik een anderen weg," meende de voorzichtige grijsaard.
»Jack Williams zal nooit bekennen, Oom!"
De oude man haalde de schouders op.
»Ge kent hem niet," zeide Frits.
»Ik denk ook niet, dat hij het vrijwillig zal doen," antwoordde de grijsaard.
»En wie kan er hem toe dwingen?" zuchtte Frits met een hart vol vreeze,--»niemand!"
»Niemand?" vraagde de grijsaard op een bizonderen toon.
»Neen, niemand, Oom!"
»_God_ kan er hem toe dwingen!" zeide de grijsaard vol ernst.
* * * * *
Zij waren nu den driesprong genaderd en sloegen links. Duidelijk was het kerkje te zien met den slanken toren, omringd door de huizen van het dorp.
Zij hadden hard doorgereden, en midden in het dorp hielden de dampende paarden stil voor een stevig steenen gebouw.
Hier woonde de kommandant.
De ruiters sprongen uit het zaâl, bonden de paarden vast aan den lindeboom vóór het huis, en de oude Kloppers schelde aan: snel en hard.
Na eenig wachten kwam een Kafferbediende voor.
»Wij moeten onmiddellijk den kommandant spreken," zeide de grijsaard.
»Ge doet me verschrikken; ik dacht dat het dorp in brand stond," antwoordde de Kaffer met een wrevelige uitdrukking in zijn slaperig gezicht.
»Zul je den kommandant onmiddellijk wekken?" riep de Voortrekker.
»Wie ben je?" vraagde het onwillige schepsel.
»De oude baas Kloppers van Vredenoord," zeide de grijsaard met kracht, »en als je nu niet _onmiddellijk_ den kommandant wekt, dan ligt de zweep voor je klaar."
Dat hielp dan toch. De Kaffer strompelde de gang door, en na een paar minuten verscheen, met de lantaarn in de hand, een rijzig, zwaargebouwd man van middelbaren leeftijd.
Dirk Kloppers was een zijner bizondere vrienden, die bij hem in hooge achting stond, en hij haastte zich, om de beide ruiters in de voorkamer te laten.
Hij bood hun stoelen en zette de lantaarn midden op tafel.
»Doe _jij_ het woord!" zeide de Voortrekker.
Frits Jansen voldeed aan de opdracht en deed zijn verhaal.
Staande hoorde de kommandant hem aan. Nu en dan streek hij zijn zwarten baard met zijn groote handen, of trommelde met de vingers nadenkend op de tafel.
Doch geen woord ontsnapte zijn lippen--zelfs geen kreet van verbazing.
De jongeling was nu aan het einde van zijn rapport en zweeg.
Luide weerklonk het eerste hanengekraai door den stillen nacht, en zijn zware hand op den schouder van den jongeling leggend, zeide de kommandant: »Hoe heet ge jonge man?"
»Frits Jansen."
»Een zoon van Reinard Jansen?"
»Ja, kommandant."
»Ik ken hem; hij is een wakker man, wiens hart warm klopt voor zijn volk. En gij Frits Jansen, hebt den dank verdiend van ons vaderland, en te gelegener tijd hoop ik er mededeeling van te doen aan de Regeering."
De kommandant zweeg eenige oogenblikken en ging toen voort: »Ik zal onmiddellijk de noodklok laten kleppen, het volk te wapen roepen en een snellen ruiter afzenden naar het naastbijgelegen telegraafkantoor, om den voorgenomen aanslag aan de Regeering te Pretoria mede te deelen. En nu, mijne vrienden, moeten wij scheiden, want er ligt een berg van werk voor mij, en nog van daag rukken wij op naar het oorlogsveld, dat wij waarschijnlijk te zoeken hebben tusschen Johannesburg en de westelijke grenzen."
De grijsaard en Frits Jansen waren opgestaan, en de kommandant staarde den ouden Voortrekker in de oogen.
»Gaat gij mee?" vraagde hij, »gij zijt boven de jaren--"
»Doch wat vraag ik!" liet hij er onmiddellijk op volgen; »waar het vaderland zijn zonen noodig heeft, daar ontbreken de Kloppers' niet!"
»Neen, waarlijk niet," zeide de grijsaard met klem; »nòg haalt mijn kogel den roofvogel uit de wolken!"
»Dus wij trekken op onder de oude leuze: Voor vrijheid en recht!" riep de kommandant, terwijl zijn heldenoog vol welgevallen rustte op den grijsaard en den jongeling daar voor hem.
»Ja, voor vrijheid en recht!" riep Frits Jansen in uitbarstende geestdrift, »voor vrijheid en recht--hoera!"
Met een krachtigen handdruk scheidden de vrienden, en onze twee ruiters hadden nog niet den driesprong bereikt, toen reeds het noodgelui der klok, het volk te wapen roepend, met snelle, driftige slagen weerklonk.
HOOFDSTUK XXX.
»Vooruit!" sprak snoevend d' Engelschman[16] Tot zijn achthonderd man, »En wat zich tegen ons verzet, Dat hakken w' in de pan, Gij gaaft van moed en dapperheid Reeds menig treffend blijk; Grijpt nu de Vierkleur van Transvaal En trapt ze in het slijk!"
En vroolijk riep de rooverschaar der Compagnie: »Vooruit! Wij slaan de Boeren uit het land, En deelen dan de buit!" En dreigend trekt het krijgsvolk op, De vuisten aan het zwaard-- Te wapen, Afrikaansche Boer! Het geldt uw huis en haard!
[16] Deze twee en de nog volgende verzen kunnen gezongen worden op de wijze van het Transvaalsche volkslied: »Di Vierkleur van ons dierbaar land".
Den 29sten December (1895) Zondagnacht om elf uur[17] trok Jameson, Cecil Rhodes' rechterhand, aan het hoofd eener goed gewapende ruiterij uit zijn kamp te Pitsani, en nog dienzelfden nacht trok hij de westelijke grenzen der Transvaal over.
[17] »De Afrikaner-Boer en de Jameson-inval" door N. J. Hofmeijr.
Den volgenden morgen te half zes klopte een zijner ruiters den telegrafist Meiring van Otto's-Hoop uit zijn bed, en vraagde aan Meiring, of hij dezen morgen reeds een telegram uit Pretoria had ontvangen.
Meiring, die de bedoeling der vraag niet begreep, verklaarde zonder erg, dat er uit Pretoria geen telegram was gekomen, hetgeen een groote geruststelling was voor Jameson, die vreesde, dat men in Pretoria reeds lont had geroken.
Meiring volgde den ruiter intusschen naar buiten, en zag tot zijn verbazing op het open veld langs de telegraaflijn gewapende vreemde cavalerie. En terwijl hij waarnam, hoe een cavalerist boven op een telegraafpaal was geklommen, bemerkte hij tevens, dat de telegraafdraad op verscheidene plaatsen ter lengte van tien meter was afgekapt, terwijl de tusschenstukken zorgvuldig waren verwijderd.
Al was Meiring nu ook uit het bed geklopt, hij was toch goed uitgeslapen, en hij haastte zich, om den mijncommissaris van Otto's-Hoop van den stand der zaken te onderrichten.
Nu was echter de telegraaflijn, die van Otto's-Hoop via Zeerust naar Pretoria liep, door Jameson's troepen tusschen Otto's-Hoop en Zeerust vernield, en een renbode bracht uit Zeerust het volgende telegram aan Meiring (dat uit Pretoria was geseind): »Is er iets waar van troepen op uw grenzen? Hoevelen zijn er, en waar zijn zij?"
Dit telegram was geteekend door Joubert, den kommandant-generaal, die dus reeds verontrustende tijdingen had ontvangen.
Meiring seinde hierop onmiddellijk via Zeerust het volgende terug: »Dringend. Uw telegram per expres van Zeerust ontvangen. Heden morgen half zes omtrent 800 gewapende mannen Chartered Compagnie's troepen met 8 maxims en 3 snelvurende kanonnen hier doorgetrokken voorbij Malmaniesoog, in de richting van Johannesburg. De telegraafdraad tusschen hier, Zeerust en Lichtenburg door hen vernield. Heb onmiddellijk daarvan per expres kennis gezonden naar Lichtenburg alsmede aan kommandant Botha."
In den voormiddag bereikte dit ernstig telegram den kommandant-generaal, die zich naar de woning van Paul Kruger spoedde.
Hij vond den President in druk gesprek met eenige der invloedrijkste ambtenaren, en er heerschte onder het gezelschap een geest van onrust, want Charles Leonard had in zijn Manifest[18] tegen 6 Januari een groote volksvergadering in Johannesburg aangekondigd, en de verwachting was gewettigd, dat er dien dag een openbaar oproer in de goudstad zou uitbreken.
[18] Zie bl. 119. [_OPMERKING BEWERKER: = voetnoot [12]_]
Nu waren onder de aanwezigen enkelen van oordeel[19], dat de Regeering tot ernstige hervormingen moest overgaan, want al was de toon, door de leiders, te Johannesburg aangeslagen, hoogst ongepast, er waren, meenden zij, toch ernstige grieven.
[19] »Transvaalsche Herinneringen" door Dr. E. J. P. Jorissen.
Met aandacht luisterde de President naar hunne overwegingen, maar hij wilde zich in de gegeven omstandigheden door muitzieke Uitlanders geen concessies laten afpersen, en hij zette zijn stalen voorhoofd tegen het dreigend oproer.
Midden in het gesprek kwam Piet Joubert met zijn ernstige tijdingen aan, doch de aanwezigen schudden ongeloovig het hoofd, totdat een tweede en derde telegram het eerste bevestigde.
Onmiddelijk seinde nu de Transvaalsche Regeering aan den waarnemenden Staatspresident van den Oranje-Vrijstaat om hulp en bijstand, doch deze kwam met de verrassende tijding, dat men zich in Pretoria noodeloos ongerust maakte. Hij had namelijk van betrouwbare zijde het bericht ontvangen, dat de troepen der Chartered Compagnie, in Bechuanaland bijeengebracht, _om een omweg te vermijden_, door het Transvaalsche grondgebied naar Mashonaland trokken.
Deze tijding bracht natuurlijk nieuwe verwarring, die er niet minder op werd, toen het bericht der Oranje-Vrijstaatsche regeering van verschillende zijden bevestiging ontving.
Doch deze opzettelijke, uit den Rhodes-hoek komende en sluw gesponnen misleiding, waarvan zelfs de regeering van den Oranje-Vrijstaat een oogenblik het slachtoffer was geworden, kon niet vol worden gehouden tegen de stellige rapporten, die der Regeering op nieuw werden gebracht, en terwijl de mare van den gewapenden inval zich bliksemsnel door de Transvaal verspreidde, telegrafeerde de Regeering nog dienzelfden dag, Maandag, aan kommandant Cronjé van Potchefstroom en kommandant Malan van Rustenburg, om onverwijld met geweld de binnenrukkende troepen te keeren.
Intusschen had de kommandant van Zeerust reeds de volgende missive gezonden aan Jameson en zijn hoofdofficieren:
»Vernomen hebbende uit vertrouwbare bronnen, dat gij heden morgen een gewapende macht hebt gevoerd over de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek binnen dezen staat, zoo is het, dat ik thans op order van den kommandant-generaal der Zuid-Afrikaansche Republiek u mits dezen sommeer, u met uw gewapende macht onmiddelijk te verwijderen en terug te gaan over de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek, en wil ik u mits dezen waarschuwen, u niet te verzetten tegen deze sommatie, daar dit in strijd zal zijn met de Conventie, de lands- en internationale wetten."
Hierop werd den kommandant van Zeerust door Jameson's adjudant het volgende antwoord overhandigd:
»Ik (Jameson) heb u mede te deelen, dat ik voornemens ben, mijne oorspronkelijke plannen uit te voeren, die geen vijandelijk doel tegen het volk der Transvaal beoogen. Wij zijn hier in antwoord op eene uitnoodiging van de voornaamste inwoners van den Witwaterrand, om hen te helpen in hun eisch om de gewone rechten van ieder inwoner van een beschaafde staat."
Nu wisten 't de Boeren.
Paul Kruger had gezegd: »Laat de schildpad maar eerst zijn kop uitsteken; dan zullen wij weten, wat te doen."
Dat oogenblik was thans gekomen.
HOOFDSTUK XXXI.
Jan Kloppers stond met strakken blik en zwijgend bij zijn kind.
Het kleine Kareltje was er niet beter op geworden. De ademhaling ging snel en gejaagd, en de dokter uit het dorp had heden morgen verklaard, dat hij de typhus had.
De kleine lag daar in zijn bedje, met koortsachtig gloeiende wangen. Het strekte de kleine handen uit naar zijn vader en fluisterde: »Pake, hier blijven!"
Jan Kloppers nam de kleine handen en zuchtte.
De oude Kloppers en Frits Jansen waren reeds eenige uren geleden uitgetrokken met het kommando, doch Jan Kloppers had zich nog niet kunnen losscheuren van zijn kind.
Zijn ziel hing aan dat kind, aan dat lieve, zachte ventje met die eigenaardig tintelende, glanzende oogen, die men zoo dikwijls ontmoet bij kinderen, die als teedere bloemen in hun prille jeugd door den grooten Landman worden overgeplant in de hemelsche gaarde.
Ja, hij is hard, de oorlog, die met ruwe, onbarmhartige hand den zoon losscheurt van het hart der moeder, den man uit de armen zijner vrouw, den vader van de sponde van zijn doodziek kind....
De oorlog kent geen erbarmen. Hij lacht om zuchten en spot met tranen. Hij is de Geweldige, de Verschrikkelijke, de Heraut van den dood, en met ijzeren tred gaat hij over de schreiende menschenharten heen!
Jan Kloppers begreep zijn plicht. Hij wist, dat het Vaderland hem noodig had. Het vraagde zijn arm, zijn kracht, en het geslacht der Kloppersen had nooit geaarzeld, waar de Vierkleur ten strijde riep. Want krachtig en mannelijk klopte het hart der Kloppersen voor hun volk, en door hun aderen bruischte het heldenbloed van den waren, onverbasterden, Afrikaanschen Boer!
Ook _thans_ zou Jan Kloppers zijn aard niet verloochenen, maar toch--hij had ook een _vaderhart_, dat met zijn innigste vezelen hing aan zijn kind....
Hij wilde vertrekken, hij mòest--maar hij kon het nog niet doen, want het smeekende oog van zijn kind was op hem gericht, en die kleine handjes hielden hem vast.
Van buiten klonk het vroolijk spel zijner andere kinderen.
Hoe dikwijls had hij met innig genot naar dat blij gejoel en getier geluisterd, doch nu maakte het hem bedroefd.
Over alles lag thans voor zijn blik een waas van onuitsprekelijke weemoed.