De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96

Part 14

Chapter 143,957 wordsPublic domain

Hij had juist een nieuw, blauw pakje aan, waarop hij niet weinig trotsch was. Hij was Eliëzer nageloopen, die de beesten ging tellen, en plotseling was een hongerige tijger op hem aangevallen. Er was niemand in de nabijheid dan Eliëzer, en Eliëzer was op zijn hulpgeschrei onmiddelijk toegeschoten met een lang mes in de hand, om den tijger te bevechten. Hij, Frits, zag nòg het blinken van het lemmet--den door den scherpen tijgerklauw opengescheurden Kafferarm--en toen dien forschen stoot, waarbij het lange mes tot aan het heft in de borst van den tijger verdween.

Hij, Frits, was toen begonnen te huilen, want het nieuwe, blauwe pakje was leelijk bezoedeld geworden door het bloed, dat uit Eliëzers arm gudste, en Eliëzer was ook bedroefd geworden en had geroepen: »Och, nu is dat mooie pakje van Fritsje heelemaal bedorven!"

Dat was nu al dertien jaar geleden--waar blijft de tijd!

* * * * *

»Gij hebt aan mijn vader verklaard," zeide Frits, »dat ik Waterfontein heb afgestookt."

»Ja," antwoordde de Kaffer, terwijl het hart hem tegen de zwarte ribben sloeg.

»Hoe kondt ge er toe komen, om je jongen baas zoo gruwelijk te belasteren?"

»Ik heb slechts naar mijn overtuiging gesproken," zeide de Kaffer op zachten toon.

»Dus jij volhardt bij je beweren, dat ik de brandstichter ben?"

De Kaffer legde de handen uitgespreid op zijn bonzend hart.

»Ja Baas," fluisterde hij.

»Gij hebt mij gezien?"

De Kaffer knikte bevestigend.

»Ik heb een vuurhoutje aangestoken?"

»Ja Baas."

»Is het niet merkwaardig?" zeide Frits tot het meesterke met nieuw opkomende bitterheid; »ik heb den ganschen dag geen vuurhoutje in mijn zak gehad!"

Doch zijn bitterheid verdween weer, toen hij staarde in het trouw en eerlijk gelaat van den Zoeloe.

»Hoe laat heb ik Waterfontein afgestookt?"

»Om tien uur misschien, Baas."

»En om _vijf_ uur was ik reeds van Williams vertrokken, en om _tien_ uur was ik zes en dertig mijlen van Waterfontein verwijderd!"

Uit de breede borst van den Kaffer kwam iets als een dof, smartelijk gekreun--wie kon dit vreeselijk raadsel ontwarren?

»Ik zag uw witte jas, Baas--uw bruinen hoed--zelfs de hanenveer op uw hoed kon ik onderscheiden--"

»_Wat?_" schreeuwde Frits Jansen.

Hij greep den Kaffer bij den schouder en schudde hem in onbeschrijfelijke opwinding: »Wat--wat? Gij hebt mijn witte jas gezien, mijn bruinen hoed, zelfs de hanenveer op mijn hoed?"

»Ja," bevestigde de Zoeloe met een vaag voorgevoel, dat het raadsel thans op het punt stond, ontward te worden, doch tevens vol angst en vreeze, dat hij een vreeselijken misslag had begaan.

»En als ik je dan vertel, Kaffer, dat ik op dien avond geen witte jas aan had en geen bruinen hoed op had; als ik je dan vertel, dat ik bij de familie Williams op Jack's aanhouden onmiddellijk de Rhodesia-uniform heb aangetrokken, en mijn gewone kleeding bij de familie Williams achterliet, wat zeg je dan?"

Eliëzer was bij deze onthulling zichzelve niet, doch over het bleeke gelaat van het meesterke gleed de weerschijn eener groote vreugde.

»Nu komt alles terecht," juichte hij, »nu komt alles terecht!"

De Zoeloe echter greep een zwaren stok, omklemde de knieën van zijn jongen meester en riep: »Sla mij, Baas, sla mij dood, maar vergeef het mij!"

Doch Frits Jansen greep den stok en slingerde hem ver weg, en terwijl blijdschap en diepe ontroering zich weerspiegelden op zijn edel gelaat, riep hij: »Zoo waarachtig als ik leef, ik zal u niet slaan, want de rechtvaardige en barmhartige God heeft voor mij dit moeilijk raadsel opgelost! En dat gij misleid zijt geworden, is me thans geen raadsel meer--op die manier zou ik zelf misleid zijn geworden!"

Doch een vreeselijke verdenking vatte post in zijn ziel.

»Als het waar is...." zeide hij tot zich zelve, »als het waar is...."

Peinzend staarde hij naar de verte.

»Weet ge soms, wanneer Jack Williams is vertrokken naar Rhodesia: _voor_ of _na_ den brand?"

»_Na_ den brand," antwoordde Eliëzer op stelligen toon, »want ik heb hem den volgenden morgen nog gezien."

De jonge Boer zeide niets, maar hij dacht er over na, dat de brief aan zijn ouders, meegegeven met Jack, zijn bestemming evenmin had bereikt als de brief van zijn moeder aan hem, en terwijl Jack beweerde, _voor_ den brand vertrokken te zijn, had Eliëzer hem _na_ den brand nog in de buurt gezien.

»Komt beiden mee," zeide Frits Jansen kortaf.

Het drietal begaf zich naar de kazerne.

»Frits, houd je kalm!" waarschuwde het meesterke.

»Laat dat maar aan mij over," zeide Frits bedaard.

Bij de poort der kazerne stonden Jack en eenige andere vrijwilligers zich--kinderachtig genoeg!--onledig te houden met zeepbellen te maken.

»Kijk, hoe Jack's hand begint te beven," zeide Dick.

»Je vergist je," zeide Jack, en hield de pijp omhoog.

Inderdaad was zijn hand weer vast.

Ons drietal was nu de groep genaderd, en Frits Jansen zeide, zich tot Jack Williams wendend, op bedaarden, langzamen toon, terwijl een grenzenlooze verachting uit zijn stem en gebaren sprak: »Ik beschuldig je, Jack Williams, dat gij het huis van mijn ouders met moedwil hebt afgestookt, en dat gij, om op mij de verdenking te brengen, mijn kleeren aantrokt, toen gij de afschuwelijke daad volbracht. Ik geef je de getuigenis, Jack Williams, dat gij het satansch sluw hebt overlegd, en ik verklaar je tevens--in het bijzijn van al wie het hooren wil--voor een eerloozen schurk!"

En met deze woorden keerde Frits Jansen zich om, en het drietal verliet het kazerneplein.

Dick echter zeide tot Jack: »Kerel, je ziet er uit, alsof je een beroerte zult krijgen!"

En John riep, aan Jack den rug toekeerend en verachtelijk tegen den grond spuwend: »'t Is ook geen wonder!"

HOOFDSTUK XXVI.

Dien namiddag had Frits Jansen dienst, doch tegen den avond was hij vrij, en keuvelend wandelde hij met zijn vriend, het meesterke, een lang beschaduwde laan op en neder.

Het was wel een eigenaardig gezicht: die krachtige en forsch gebouwde ruiter met dat gebruinde gelaat en dat helder flikkerende oog en naast hem dat teere ventje met die smalle schouders, die zwakke borst, dat bleek gelaat en die zachte, peinzende oogen.

»Hoe hebben die twee elkaar toch gevonden," dachten de voorbijgangers, wel niet vermoedend, hoe 'n sterke band die twee harten samen bond.

Waarover zij spraken, behoef ik wel niet te zeggen. Het hart van Frits Jansen dacht met afschuw aan Jack Williams, die zoo doortrapt gemeen had gehandeld, doch aan den anderen kant werd zijn ziel door een groote vreugde vervuld, want nu moest zich alles--alles ten goede wenden!

Zij waren de laan ten einde gewandeld en keerden om, toen Eliëzer met ongewonen spoed kwam aanhollen.

»Wat _die_ weer mag hebben!" meende het meesterke, in het opgewonden gelaat van den Zoeloe starend, doch Frits Jansen lachte en zeide: »Wat heb je, Eliëzer? Heb je dat groote beest van den witmensch weer gezien, waarover jij met het meesterke hebt gesproken?"

»Ge bedoelt den vuurwagen,"[15] antwoordde de Zoeloe, »doch die zal me niet meer verschrikken. Ik heb echter iets anders ontdekt, iets heel gewichtigs."

[15] Locomotief.

Het gelaat van den Kaffer stond, terwijl hij dit zeide, zoo strak en ernstig, dat Frits toch meer aandacht toonde.

»Spreek op dan!"

De Kaffer ging dicht bij zijn jongen meester staan, en zeide, nadat hij een vorschenden blik in het rond had geworpen, bijna fluisterend: »Binnen drie dagen gaat het er op los!"

»_Wat_ gaat er op los? _Waar_ gaat het op los?" vraagde de jonge Boer, niet vermoedend, wat de kleurling met zijn geheimzinnige woorden bedoelde.

»Op de Transvaal gaat het los!" zeide de Zoeloe, doch Frits schudde ongeloovig het hoofd, en het drietal wandelde langzaam door.

»Ik heb die praatjes al meer gehoord," zeide hij kalm.

»Baas, het is dezen keer meenens," zeide Eliëzer op dringenden, overtuigenden toon.

»Wat willen ze dan toch in de Transvaal?" vraagde Frits Jansen.

»De Boerenregeering omverwerpen," zeide de Zoeloe.

Frits Jansen deed onwillekeurig een greep naar het gevest van zijn sabel, maar zeide toen bedaard: »Vertel wat je weet!"

»Het was van middag gloeiend heet," begon Eliëzer zijn verhaal, »en zooals ik wel meer pleeg te doen, had ik mij neergevleid in de schaduw tusschen een paar struiken, verborgen voor den voorbijganger, die dien weg mocht passeeren. Ik had nog maar kort gelegen tusschen die struiken, en wilde juist opstaan, omdat de muggen mij zoo afschuwelijk beten, toen ik twee witmenschen in druk gesprek hoorde voorbij komen.

Ik spitste mijn ooren, Baas, toen ik het woord Transvaal hoorde uitspreken, want men moet op zijn hoede zijn in dit land van bedrog--"

Hij zeide deze laatste woorden met een zeker gewicht, dat een glimlach bracht op het gelaat van Frits Jansen en dezen deed zeggen: »Kaffertje, wie heeft dit land genoemd land van bedrog?"

»Mijn ouwe baas," antwoordde de Zoeloe.

»Ik dacht het wel, dat in jouw dikken kop dat idee niet was opgekomen, maar ga voort!"

»Ze spraken over Johannesburg," vertelde de Kaffer, »en over Rhodes."

»Over Cecil Rhodes?"

»Dat heb ik niet gehoord, Baas."

»Ze willen naar Johannesburg," ging de Kaffer voort op gedempten toon; »daar zou dan een opstand moeten uitbarsten. Maar ik begrijp dat niet, Baas!"

»'t Is ook niet noodig," meende Frits.

»Ze spraken, dat de ruiterij van Rhodes binnen drie of vier dagen gereed zou zijn, om over de grenzen te trekken, Johannesburg ter hulp zou komen en Pretoria innemen."

»Dat zaakje zal hun toch nog niet meevallen," zeide Frits Jansen met een flikkering van zijn blauwe oogen.

»Maar hoe kondt gij dat alles hooren?" vraagde hij op eenigszins ongeloovigen toon.

»Ik sloop hen na, gedekt achter de struiken, die den weg omzoomen, Baas. Ik kan sluipen als de slangen van Zoeloeland."

Nadenkend staarde de jonge Boer naar den grond.

Als het eens waar was!

Hij moest zekerheid hebben.

»Wacht mij hier," zeide hij, en hij wandelde naar een bijgebouw der kazerne, waar eenige kanonnen stonden.

»Zoo Tim," zeide hij tot een militair, die aan 't poetsen was, »nog geen avond?"

»Ik ben zoo klaar," zeide Tim.

»Ik kom je wat nieuws vertellen," riep Frits heel gewichtig; »binnen veertien dagen trekken wij over de Transvaalsche grenzen."

»Je weet er niets van," zeide Tim, die er zich op beroemde, het belangrijkste nieuws eerder te weten dan een ander, en inderdaad in den regel zeer goed op de hoogte was.

»Ik weet het uit goede bron," verzekerde Frits.

»Jij hebt geen bronnen, man," zeide Tim, de schouders minachtend ophalend, »maar _ik_ heb ze."

»Jij weet er niks van," zeide Frits tartend.

»Zoo," antwoordde Tim geprikkeld, »ik verklaar je dan, dat het er binnen drie dagen op los gaat, misschien morgen vroeg al!"

»We zullen zien, wie gelijk heeft," antwoordde Frits onverschillig, en verliet Tim.

Het meesterke en Eliëzer stonden vol spanning te wachten.

»Hoe is 't?" vraagde het meesterke.

»Ik denk, dat Eliëzer's inlichtingen juist zijn," zeide Frits.

»En wat wilt ge doen?"

»Hen voor zijn!" zeide Frits op bedachtzamen toon, en zich tot den Zoeloe wendend, ging hij voort: »Ik schrijf direct een brief aan mijn ouders. Gij licht mijn schrijven toe, en maakt hen duidelijk, hoe gruwelijk zij en ik zijn bedrogen geworden, want het staat bij mij vast, dat Jack Williams de brandstichter is. Ik stel je daardoor tegelijk in de gelegenheid om je dwaling weer goed te maken."

Vol dankbaarheid over de eervolle opdracht boog Eliëzer het hoofd, en fluisterend voegde de jonge Boer er aan toe:

»Heden nacht nog wil ik deserteeren, en aan het Transvaalsche gouvernement de tijding brengen van de beraamde overrompeling."

»Kan de zaak nog niet een dag uitstel lijden?" vraagde het bezorgde meesterke.

»Neen," zeide Frits Jansen vriendelijk maar beslist, »nog geen uur!"

HOOFDSTUK XXVII.

De brief was geschreven, en reeds was Eliëzer, de snelvoetige Zoeloe, met den brief op pad.

Het was nu laat in den avond.

De taptoe was al geblazen, en de cavaleristen hadden hun kribben--ijzeren ramen, voorzien van een stroopeluw en een stroozak--opgezocht.

Slechts een enkele drentelde, met de handen in den zak en een pijpstompje in den mond, nog even rond op het kazerneplein, om dan eveneens naar binnen te gaan.

Frits Jansen was een van de laatsten, die zich ter ruste begaf.....

* * * * *

In de stallen verspreidden eenige blikken lantaarnen, aan ijzerdraad, hun sober licht.

Nu en dan hief een paard slaapdronken den kop omhoog, en rammelde met den ijzeren halster, waarmede het was bevestigd.

Twee militaire wachten bewaakten de stallen, en de torenklok had juist één uur geslagen, toen een kavalerist voorzichtig door de binnendeur, die de kazerne met de stallen verbond, binnentrad.

Hij zocht zijn paard op, den koolzwarten hengst, die, den stap van zijn meester herkennend, luid begon te hinneken.

Maar de ruiter zeide op gedempten toon: »Cesar, stil," en toen was het paard weer bedaard.

Een der beide stalwachten begaf zich tot den ruiter.

»Wat beteekent dat, kameraad?" vraagde hij.

»Mijn paard was ziek vandaag," zeide de ruiter.

Hij sprak hierin inderdaad de waarheid, want het paard was niet goed geweest.

»En ik kom nu eens kijken, hoe hij 't maakt."

Hij betastte den hengst.

»Ik zal er hem eens uitnemen, wacht."

»Dat mag niet sergeant," zeide de stalwacht, die Frits Jansen thans herkende.

»Och kom," zeide de ruiter onverschillig, »wat geeft het?"

»Het consigne verbiedt het, sergeant!"

»Lariefarie," lachte Frits, terwijl hij den hengst losmaakte.

»Het dier heeft kou gevat," verzekerde hij, »ik zal het buiten even afdraven."

»Buiten afdraven?" riep de tweede stalwacht, die thans met een norsch gezicht naderde, »je zult het wel uit je lijf laten!"

»Doe de deur maar open," zeide Frits tamelijk brutaal.

»Wat ben je toch eigenlijk van plan?" vraagde de eerste stalwacht wantrouwend: »wil je soms deserteeren?"

»Zie ik er uit als een deserteur?" was Jansen's onbevangen wedervraag.

Hij was blootshoofds; slechts gekleed in een boezeroen en een broek.

»Me dunkt trouwens, dat het deserteeren beter over dag gaat dan 's nachts--vind je niet, wacht?"

De stalwacht voelde het gegronde dezer bewering.

»Toch mag het niet, sergeant," zeide hij op stelligen toon. »Voor mijn part kunt ge 't paard in den stalgang hier wat op en neer laten loopen, doch verder moogt ge niet."

»Trouwens het dier mankeert niets," meende de tweede stalwacht, de eigenaar van het norsche gelaat; »'t zijn maar smoesjes, dat het wat mankeert."

»Bekijkt het paard dan zelf," zeide Frits, »ik zal wel bijlichten."

Hij wendde zich naar de buitendeur, waar een losse lantaarn stond en schoof, terwijl hij de lantaarn nam, de twee grendels ongemerkt weg.

Nu lichtte hij met de lantaarn.

»Kun je nu niet zien, wat het paard mankeert?" vraagde hij met een doodonschuldig gezicht.

De twee stalwachten schudden het hoofd.

»Merk je dan niet, dat het krampen heeft?" riep hij met een minachtende verwondering.

Frits stond bekend voor even knap als een veearts; de beide stalwachten wisten dit ook, en om hun mindere kennis nu niet bloot te geven, vonden zij dan toch ook, dat het dier wat kramperig was.

Frits Jansen tuigde intusschen den hengst met gebit en zadel.

»Wat ben je toch eigenlijk van plan?" vraagde de eerste stalwacht met nieuw opgewekten argwaan.

»Dat wil ik jullie in 't geheim wel zeggen," antwoordde de jonge Boer op jovialen toon; »ik ben echt van plan, om te deserteeren."

De stalwachten stonden bij deze vertrouwelijke mededeeling wel een beetje verbluft te kijken, maar ze begrepen dan toch, dat het maar gekheid was, en het norsche gelaat bulderde: »We hebben met je praatjes niets te maken; het zaâl er af--en gauw ook!"

Doch Frits Jansen _zat_ reeds in het zaâl, en hij zeide met een flikkering van zijn blauwe oogen: »Weet je wel, met wien je spreekt?"

»Ik weet het wel," zeide het norsche gelaat.

»Nu, onthoud het dan!" zeide de sergeant op strengen toon, terwijl hij het »kramperige" paard op en neer liet stappen in den stalgang.

De stalwachten zeiden verder geen woord, en terwijl het norsche gelaat zich naar het midden van den stal begaf, waar een onrustig paard zich wilde losrukken, zette de eerste stalwacht zich neder op een bank, in de nabijheid der buitendeur.

»Hé, Kar," riep hij plotseling, »heb jij er de grendels afgeschoven?"

»Ik?" riep het norsche gelaat--»ben je nou gek?"

»Dan begrijp ik het niet," mompelde de eerste stalwacht.

Frits Jansen was juist aan het andere einde van den stal, doch had het tweegesprek vernomen, en hij hoorde eveneens, hoe de grendels weer rammelend op de oude deur werden geschoven.

Hij liet het paard langzaam in de richting der buitendeur stappen.

De eerste stalwacht zat nog altijd op de bank, doch hield de buitendeur goed in de gaten. Hij was nu vast overtuigd, dat Jansen iets bizonders van plan was.

»Jij hebt een lange hand," zeide hij, »en hebt daar straks de grendels van de deur geschoven."

»En _jij_ hebt een lange tong," antwoordde Frits Jansen bedaard.

»Je zet onmiddelijk het paard aan de ruif, of ik zal je er toe dwingen," zeide de wacht.

»Jij?" zei de jonge Boer vol minachting, »_jij_?"

Hij had het paard laten wenden, dat nu met de achterpooten vlak tegen de buitendeur stond, en plotseling wild omhoog steigerde.

»Daar heb je 't nu al, ezelskinnebak," brulde de tweede stalwacht, het norsche gelaat, terwijl hij met zijn kameraad naar de paarden snelde, die door de woeste manieren van Jansen's hengst erg onrustig waren geworden.

Doch Frits Jansen boog zich over den nek van zijn paard en fluisterde hem in het oor: »Cesar, terug!" En nauwelijks had de hengst dit woord gehoord en voelde hij den ruk aan de gebitsstang, of hij drong met onweerstaanbare kracht achteruit, zoodat de oude deur uit haar hengsels vloog.

Met een zware vloek sprong de eerste stalwacht op, en onmiddellijk werd de cavalerie gealarmeerd.

Doch Frits Jansen was de enge stallen uit, en ruim adem halend, gaf hij zijn paard, dwars over de prairie, de richting naar de Transvaalsche grenzen.

HOOFDSTUK XXVIII.

Het was een koude nacht, en een zware mist hing over het veld. Maar Frits Jansen voelde de koude niet, en de taak, die hij op zich had genomen, joeg het bloed sneller door zijn aderen. De mist werd echter zoo dicht, dat hij op geen vijf pas afstands kon zien, en soms twijfelde hij, of hij wel den rechten koers had ingeslagen. Maar hij reed bedaard door, want groot was de afstand, die hij had af te leggen, en hij wilde de beste krachten van zijn paard sparen voor het laatst.

Soms hield hij den vurigen hengst in, sprong uit het zaâl, en legde het oor te luisteren op den grond. Doch geen verdacht geluid werd gehoord, en de wetenschap, dat geen vervolgers in de nabijheid waren, gaf hem een gevoel van veiligheid en onbezorgdheid.

Hij had nu al verscheidene uren gereden, en de morgen daagde. De grijze sluier van den nevel begon dunner te worden, en de schreeuw van een ontwakenden vogel klonk over het veld.

Hij wendde het gelaat om, en over de heuvels brak een straal van goud en purper door den nevel heen. Doch hij zag nog iets anders, namelijk een troep ruiters, die snel van de rechterzijde naderden.

Het was Frits Jansen duidelijk, dat hij door den zwaren mist een geduchten omweg, een halven cirkel had gemaakt, doch deze ontdekking, al was zij niet aangenaam, deed zijn hart niet sneller kloppen, want hij had wel voor heeter vuren gestaan.

Hij wendde den teugel, en had thans de vervolgers achter zich. Bedaard reed hij door in een gewonen draf en de stand der in volle glorie oprijzende Afrikaansche zon wees hem de richting, die hij te nemen had.

Hij was er zeker van, dat de weg, dien hij thans nam midden door het open veld met zijn lang, verschrompeld gras recht op de grenzen aanliep, doch het verwonderde hem wel, dat de ruiters zich als een waaier achter hem uitspreidden.

»Wat willen ze toch?" mompelde hij: »willen ze me werkelijk omsingelen? Cesar, 't is een beleediging voor jou!"

Hij klopte den hengst op den blanken hals en lachte. Van schrik of angst was bij den jongen Boer ook nu nog geen sprake, maar hij reed toch een beetje sneller door.

De vervolgers bestonden uit een aantal bereden Kaffers en cavaleristen, welke laatste zich zoo snel in het zaâl hadden geworpen, dat hun buksen waren achtergebleven. Slechts de zware revolver stak in den leeren koker van het zadel. Maar de Kaffers waren gewapend met lange lansen.

De troep werd gekommandeerd door luitenant Harreson, die zijn nieuwkoop bereed, een mooien, bruinen klepper, en wel nieuwsgierig was, of zijn paard het niet zou kunnen winnen van Jansen's hengst. Deze vervolging beschouwde hij dan ook als een soort sport, doch Jack Williams, die naast hem reed, dacht er anders over, en volgde met zijn oogen den vluchteling in een spanning, die onbeschrijfelijk was.

Een kreet van woeste vreugde had hij geslaakt, toen hij, bij het optrekken van den mist op een heuvel gekomen, den deserteur had ontdekt, en _hij_ was de man geweest, die aan luitenant Harreson den raad had gegeven, om de ruiterij in den vorm van een hoefijzer uit te spreiden.

Frits Jansen had gemeend, dat aan deze manoeuvre een omsingeling ten doel lag, doch Jack Williams wist al te goed, dat de vlugste renner van Rhodesia op dit oogenblik door Jansen werd bereden, en Frits vergiste zich volkomen in zijn veronderstelling.

Neen, de bedoeling der manoeuvre was een geheel andere.

De uiteinden van het hoefijzer bestonden uit de snelste ruiters, die, door een krachtige inspanning, op één hoogte gekomen met den vluchteling, op zijn rechter- en linkerzijde doch op aanmerkelijken afstand, evenwijdig met den deserteur over de vlakte renden.

Frits Jansen's eenige zorg was nu, dat hij in het juiste midden bleef tusschen de twee uiteinden van het hoefijzer, en er was in zijn hart geen zweem van angst of vrees, te meer, daar zijn scherpe blik bij den ganschen troep niet één geweer had ontdekt.

Doch als een bloedhond volgde Jack het spoor van den vluchteling, en beter dan Frits Jansen met het terrein bekend, wist hij, dat het hoefijzer den deserteur onvermijdelijk naar een diepe, gapende rotskloof dreef, die hem òf terug zou doen deinzen en overleveren in de handen zijner vervolgers, òf waagde hij den sprong over den afgrond, zijn dood zou zijn.

Plotseling hield Jack zijn met zweet bedekten klepper in, en een bijna duivelsche vreugde gleed over zijn gezicht.

»Kijk," riep hij hoonend, »nu begint hij 't in de gaten te krijgen. Hij houdt zijn paard in... hij wendt den teugel... neen man, je kunt er niet door... hij begrijpt het ook... Zou hij den sprong wagen?... Hij durft niet... hij is verloren..."

Frits Jansen had inderdaad, op een verhooging gekomen van het volgende terrein, de vreeselijke kloof ontdekt, die zijn weg versperde, de laatste bloeddrup was uit zijn gezicht geweken, en de sterke Boerenzoon, die nog nooit had gebeefd, beefde thans.

Was het te verwonderen, dat hij, huiverend voor den doodelijken sprong, den teugel wendde? Was hij niet in den bloei van zijn jaren, vol levenskracht, en hing hij niet met elken vezel van zijn bestaan aan het leven?

Met somberen blik nam hij den omtrek op, doch hij begreep, dat het voor hem, den ongewapende, onmogelijk was, door den keten van ruiters heen te komen, die hem al meer naderde.

Hij had het gevoel van een vogel, die door het slagnet is gevangen, en die zich te vergeefs de vleugels zal stuk slaan tegen de wreede, verraderlijke mazen.

Hij kon zich gevangen geven, en hij behoefde voor zijn leven niet bang te zijn, want hij was gedeserteerd in vredestijd, doch hing van den vreeselijken sprong over den afgrond niet misschien het lot van zijn vaderland af? En al zou de poging, om zijn vaderland te redden, mislukken--viel hij dan niet als een ware zoon zijns volks, en verzoende hij niet door zijn dood den vreeselijken misslag van zijn leven, toen hij trouw zwoer aan de vlag van Cecil Rhodes?

Hij streed een harden, vreeselijken tweestrijd, doch de strijd was kort.