De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 12
De blauwe bril begint intusschen te vreezen, dat de hooge boord met den roem van den avond zal gaan strijken, en zegt met zijn pieperige stem: »Die Paul Kruger is ook een lid! Zouden de heeren wel willen gelooven, dat hij altijd een bak met droog zand onder de tafel heeft, waarin hij met zijn dikke, naakte voeten zit?"
»'t Is zoo," verklaart mijnheer Watkins, een groote gespierde kerel, die door zijn haar is heen gegroeid, en over een echt valsch gelaat beschikt. »Toen Paul Kruger in 1883 met het stoomschip van de »Donald Currie-lijn" naar Londen reisde, verschrok hij van de groote machines, en des avonds vraagde hij vol angst den gezagvoerder: »Wel meester, waar moeten we nu toch van avond in vredesnaam uitspannen?""
De toehoorders gieren het uit van pleizier, en het wordt er niet minder op, als mijnheer Watkins er droog komiek op laat volgen: »Als de goeie man zijn naam wil zetten, moet hij eerst zijn baatje uittrekken."
»Sapperloot!" roept de oud-matroos.
»Als de Boeren pijn in hun lijf hebben," gaat de waardige mijnheer Watkins voort, »dan binden ze een doek met Haarlemmerolie om hun dikken kop!"
De zaal davert.
»En als het begint te rommelen in hun papbuik, dan gaan ze vetkaarsen knauwen!"
De zaal loeit.
»Ik wou mijne heeren, dat ge die nomaden der wildernis eens zaagt," zegt de hooge boord, en zie daar! alsof het werk zoo spreken moet, daar treden vier Boeren, echte zonen der wildernis, de restauratiezaal binnen.
Zij dragen blauwe kielen, hooge laarzen met rinkelende sporen, den bandelier gevuld met patronen, over de borst, en over den schouder het thans ongeladen geweer.
Het zijn forsch gebouwde mannen, tusschen 24 en 30 jaar, en bij den eersten oogopslag kunt ge zien, dat het broeders zijn. Het schijnen wel reuzen te zijn in deze vergadering, en de frischheid der wildernis ligt op hun gebruind gelaat.
Dat zijn nu die bespotte en verachte Boeren, en als zij nu zonder een zweem van schroom hun heldere oogen laten gaan over de giechelende menigte, wordt het heel wat bedaarder in de groote zaal.
Zij echter gaan rechtstreeks naar het buffet, en reiken, tot groote verbazing der Uitlanders, aan een der kellners, een man met reeds grijzende bakkebaarden, joviaal de hand.
»Wel meester," roept Zeger, de oudste der broeders, »hebben we jou toch eindelijk gevonden, man? Ons werd verteld dat gij kellner waart geworden in een Johannesburger herberg, en dit is nu de derde herberg, die wij van avond aandoen, om jou te zien."
»Dat vind ik heel aardig, heel vriendelijk," antwoordt de gewezen meester; »gij zijt zeker op reis naar uw ouders?"
»Om u te dienen, oud Alphabet," zegt Zeger, »we wenschen het nieuwjaar op Waterfontein te vieren. Hé, dat is al een poosje geleden, dat ge ons het a b c met knijpen en slaan hebt ingepeperd!" En de schaterlach der Boeren klinkt luide door de zaal.
»Maar geef ons eens gauw een paar flesschen wijn," bestelde Gert, de tweede der broeders, »want we hebben dorst, en breng onze achterrijders, die buiten bij de paarden staan, ook een flesch."
De meester-kellner brengt met bekwamen spoed het bestelde, en plaatst het op een nog onbezet tafeltje.
»En hoe maak je 't hier?" vraagt Hans, de derde der broeders.
»Ik had te Waterfontein moeten blijven," meent de kellner.
»Ik geloof het," zegt Zeger.
»Ge hebt het ook al niet ver gebracht in de wereld," laat hij er op zachteren toon op volgen--»knecht in een Engelsche kroeg."
Nu zetten de gebroeders zich aan het tafeltje neer, nemen de geweren van den schouder, en plaatsen ze voor zich, tusschen de knieën, de tromp tegen den grond.
»Haal nog een glas," kommandeert Zeger, »voor jou, Meester," en dan de glazen vullend, roept hij: »Op je gezondheid, Meester!"
De meester-kellner is besluiteloos, of hij bescheid zal doen, want met arendsoogen zitten de Engelschen dit vreemdsoortig tooneel af te kijken, maar Gert roept, de stevige elleboogen op de tafel stuttend, op luchtigen toon: »Toe, geneer je maar niet!"
»Ik vrees, dat de andere heeren het mij kwalijk zullen nemen," zegt de gewezen meester, verlegen zijn bakkebaarden strijkend.
»Ben je nu stapel?" zegt Hans, doodbedaard de houten pijp en den buffelleeren tabaksbuil uit den zak halend, »wij betalen immers? Hier, ouwe penlikker, drink op!" en hij reikt den kellner het gevulde glas.
De gewezen meester moet nu wel drinken, maar hij is toch blijde, als hij naar de achterzaal wordt geroepen.
Zoo zitten de gebroeders dan alleen.
»Wat zal vader in zijn schik zijn, als hij ons morgen ziet," meent Zeger.
»En moeder dan," zegt Hans.
»Er is op Waterfontein heel wat gebeurd," meent Zeger op ernstigen toon.
Hij denkt aan den brand en aan zijn broeder Frits, die naar Rhodesia is gegaan.
»Frits komt terug," meent Gert met groote beslistheid, »het Afrikaansche bloed kan zich op den duur niet verloochenen."
Doch nu staakt het gesprek. Men bevindt zich in het midden van Uitlanders, en is het voorwerp van aller opmerkzaamheid.
Aan een der belendende tafeltjes zit het ons bekende gezelschap Engelschen van zoo even, en de blauwe bril zegt met pieperige stem: »'t Is wel grappig!"
Doch wat er voor grappigs in steekt, dat vier Boeren bedaard een glas wijn drinken, weet hij waarschijnlijk zelf niet.
»Ik vind het onbeschoft," meent Mijnheer Watkins, luid genoeg, dat de Jansen's het kunnen hooren, »om hier bij ons Engelschen, plaats te nemen."
»Dat moet je van de Boeren verwachten," zegt de blauwe bril.
»Maar 't is de vraag, of wij het willen _dulden_," roept de groote mijnheer op nog luideren toon. »Enfin, 't is een troost, dat de Boerenkliek binnen acht dagen er onder gaat."
»Heeft u nieuws?" vraagt de hooge boord.
»Nieuws?" zegt mijnheer Watkins; »nu ja, ik kan jullie wel dit zeggen, dat Cecil Rhodes het plan heeft genomen, om de Boerenregeering omver te smijten. Hij heeft lang geaarzeld, maar hij voelt zelf, dat het zóó niet langer gaat."
De Jansen's spitsen de ooren.
Vage geruchten hebben ze wel vernomen, maar zoo'n stellige bewering--ze klinkt toch haast ongeloofelijk.
»Tegen Cecil Rhodes kan niemand op," meent mijnheer Watkins, en dit zeggende, strijkt hij welgevallig zijn rooden baard, en werpt een uitdagende blik naar de vier steenen des aanstoots in de nabijheid.
Zeger staat intusschen op, om een vuurhoutje te nemen, want hij wil zijn pijp aansteken, en op het tafeltje, waar mijnheer Watkins zit, ziet hij een doosje liggen.
Hij wendt zich naar dat tafeltje, maar op hetzelfde oogenblik--is het opzet of geen opzet? steekt mijnheer Watkins het rechterbeen vooruit.
Het scheelt weinig, of de Boer zou er over gestruikeld zijn.
»Je kunt je lange beenen wel voor je houden," meent Zeger Jansen.
»Dat zal ik _jou_ niet vragen," is het brutale antwoord.
De Boer kijkt het tafelgezelschap rond, en hij meent op meer dan één gezicht een spotlachje te bemerken. Doch op den heer met den hoogen boord blijft zijn blik iets langer rusten, en met plotselinge verbazing roept hij, de groote hand naar den hoogen boord uitstrekkend: »Alle menschen, jongens, daar heb je onzen kippendief! Zeven kippen heeft hij ons ontstolen, zeven kippen en een haan! Kijk maar, Gert, hij heeft die groote, leelijke wrat, nog op zijn rechter ooglid!"
De zeeman knauwt driftig op zijn tabakspruim, en kijkt den hoogen boord met schuine blikken aan.
»Warempel, 't is waar," zegt Gert met de stevige vuist op de tafel slaande, dat de glazen rinkelen, doch de hooge boord rijst vol verontwaardiging op en roept met eene van aandoening trillende stem: »Mijne heeren, gentlemen, kunt ge 't dulden, dat een gentleman op zoo'n grove manier wordt beleedigd en belasterd?"
»Ja, hij is 't," roept nu ook Hans, de derde, »hij is 't! Die zelfde snorkende stem! Menschen, houdt hem vast! Hij moet naar het spinhuis! Stoort je niet aan zijn gladde woorden, want met zijn gladde woorden heeft hij mijn moeder ook bedot, en ze bakte voor dat slangenvel expres pannekoeken, eierpannekoeken, menschen! Veertien eierpannekoeken at hij op, en toen ging hij uit dankbaarheid naar het kippenhok en stal onze beste kippen! Hoe de kerel het gedaan kreeg, om met zoo'n maag nog zeven kippen en een haan te stelen, is me nog van daag een mirakel, maar laat hem niet loopen, menschen houdt hem vast!"
»Mijne Heeren," roept de hooge boord op plechtigen toon, »ik vraag ulieden, of ge 't nog langer kunt dulden, dat een man met een vlekkeloos verleden zoo gruwelijk door dat Boerencanaille door het slijk wordt gesleurd?"
De magere met den langen snor schuift de blauwe bril wat vaster op zijn neus. Hij begrijpt, dat er een nieuw bedrijf aan 't komen is, en diep overtuigd van de waarheid van het spreekwoord; »Die een dag vecht, wordt nog voor geen schoft uitbetaald," vindt hij het geraden, om eenigszins naar de achterhoede te wijken. Doch mijnheer Watkins, die als bokser zijn sporen heeft verdiend, staat op met woedende gebaren, en houdt Zeger Jansen de gebalde vuist onder den neus.
»Als je wat hebt, kom dan maar op," roept hij dreigend; »ik laat geen Engelschman in mijn bijzijn beleedigen, vooral niet door een boerenlummel, zooals jij bent, al is hij nog zoo lang!"
Aller oogen zijn vol spanning op Zeger Jansen gevestigd.
De meester-kellner zucht.
»Ik heb er wel een voorgevoel van gehad," mompelt hij; »dat loopt slecht af. Ik ken die Jansen's; zij zijn voor den duivel niet bang. En ik word morgen weggejaagd, omdat ik hen heb bediend!"
Hij strijkt vol zorgen zijn grijzende bakkebaarden, en zuchtend neemt hij de leege glazen op.
Zeger schijnt het intusschen voorloopig nog al kalm op te nemen.
»Moei je met je eigen zaken," zegt hij koeltjes tot den beroemden bokser, die reeds bij voorbaat zijn jas heeft uitgetrokken en de mouwen opstroopt.
»Als je een vent bent, dan kom op," brult de strijdlustige Engelschman, die de kalmte van den Boer voor vreesachtigheid houdt, doch de Boer, zich tot de omstanders wendend, zegt bedaard: »Mijnheer is een beetje boven zijn theewater--is het niet?"
Maar de omstanders, die natuurlijk zonder uitzondering op de hand van den grooten bokser zijn, schreeuwen: »Neen, hij is niet boven zijn theewater, maar hij kan jullie brutaliteit niet uitstaan! Toe, mijnheer Watkins, geef hem maar eens een por; toe, pak hem!"
Zij hitsten den man op, zooals men een dollen hond ophitst, en geen vijf seconden later volgt reeds de daad, en geeft de Engelschman den Boer een slag boven den neus, dat het bloed er uit stroomt.
Zeger is de kalmste der gebroeders; hij heeft iets in zijn karakter van tante Martje, zijn moeder, en schijnbaar bedaard ontdoet hij zich van den bandelier.
»Stop hem in dezen zak," schreeuwt een gouddelver, die met een zak komt aanloopen; »dan kan hij van avond in den zak de vergadering bijwonen, die over het lot van Boeren en schurken zal beslissen!"
Dat idee is wel iets voor mijnheer Watkins, want hij is beroemd door zijn vaardigheid, in het worstelperk den tegenstander door twee, drie »kunst"grepen in den zak te stoppen.
Mijnheer Watkins bekijkt den zak, die wijd en groot is.
»Ik zal zien, dat ik ze er alle vier in krijg," zegt hij spottend.
De drie andere Boeren zijn echter opgesprongen, en hebben zich naast hun oudsten broeder geplaatst.
»Laat _mij_ dat karreweitje afwerken," verzoekt Gert.
»Neen _mij_," vraagt Hans.
»_Mij_," smeekt Tijs, de jongste, die den ganschen avond nog geen drie woorden heeft gesproken, doch Zeger maakt een afwerende beweging.
»Er zal heel wat moeten gebeuren," zegt hij bedaard doch met de innigste verachting, »voordat die windbuil mij in den zak heeft."
De drie gebroeders gaan weer zitten.
»Lasteraar," roept de hooge boord, zich tot den Boer wendend en nieuwen moed puttend uit de gespierde armen van den geduchten bokser, »lasteraar, zet je leelijken hoed af! Je bent hier onder gentlemen!"
Hij strekt waarlijk de hand uit naar den hoed.
»Komt er niet aan met je vuile vingers, kippendief," buldert Zeger Jansen wiens bloed nu toch begint te kooken.
»Als je een vent bent," zegt de oud-matroos, die wel van een woelig tooneeltje houdt, tot den hoogen boord, »dan sla je hem den hoed van den kop!"
De hooge boord heeft nu inderdaad de vermetelheid, om naar den hoed van den Boer te grijpen, doch krijgt op hetzelfde oogenblik zoo'n vreeselijken vuistslag in het gezicht, dat hij met een verlies van vier tanden over drie stoelen heen tegen den grond tuimelt.
»Die heeft voorloopig zijn bekomst," meende Gert droogjes, doch mijnheer Watkins strekt thans zijn gespierde armen uit, om met zijn wereldberoemde kunstgrepen den grooten Boer in den zak te krijgen. Doch wat baten zijn kunstgrepen tegen een man, die tegen alle regels der kunst in den Engelschen mijnheer in de borst grijpt en tegen den grond slingert? Die hem vervolgens een paar vuistslagen toedient, dat het hem groen en geel voor de oogen wordt! En die hem met zijn reuzenkracht opvouwt zooals men een lap laken opvouwt?
Het gevecht heeft nauwelijks het derde gedeelte van een minuut geduurd, doch op dit oogenblik stormen uit de achterzaal vier of vijf halfdronken kerels, hun messen zwaaiend, naar voren.
De drie gebroeders zien hen wel, en begrijpen volkomen hun doel. Zij springen onmiddellijk overeind, schuiven de scherpe patronen in het slot hunner geweren en plaatsen zich als een muur voor Zeger, hun broeder.
Ja waarlijk, dat zijn de Jansen's!
Dat zijn de leeuwen der wildernis.
Er ontstaat een geweldig rumoer.
De goudkoningen, die reeds aanwezig zijn, rillen van angst. Zij hebben millioenen en millioenen bijeengeschraapt, en nu kan zoo'n domme Boerenkogel komen, en aan al die heerlijkheid een snel einde maken--is het niet verschrikkelijk?
Stoelen worden omvergeworpen, tafels verschoven, rinkelend vallen flesschen en glazen stuk tegen den grond, doch boven het tumult uit klinkt helder en krachtig de stem van Tijs, den jongste: »De eerste, die nadert, is een kind des doods!"
Een dikke millionair, kenbaar aan zijn grijze jas met groote ruiten, vlucht reeds de straat op; anderen die niet zoo dicht bij den uitgang zijn, springen op de tafeltjes en schreeuwen: »Niemand mag tusschenbeiden komen," terwijl de verstandigsten de wilde gezellen in den weg treden, en hen vermanen, geen dwaasheden te verkoopen. En of nu deze kalmeerende woorden beslissen, of dat de drie dreigende geweren 't hem doen, de woestelingen gaan vloekend terug, en de Boeren laten hunne geweren langzaam zakken.
Intusschen is Zeger Jansen bezig, om den Engelschman in den letterlijken zin van het woord te zakken, en wat nog nooit is gebeurd, geschiedt nu: eerst verdwijnt het onderlijf, en vervolgens het bovenlijf en de halfkale schedel van den beroemden bokser in den grooten, wijden zak.
En zich het zweet van het gezicht wisschend, roept de sterke Boer: »Waar is de kippendief, want hij behoort er ook in?"
»Die ligt nog in katzwijm," antwoordt Gert met een leuk gezicht, en zijn broeders beginnen luid te lachen.
Maar mijnheer Watkins lacht niet, en uit den zak komt een gebrul als van een gewonden ever.
»Nu," meent Zeger goedhartig, »ik zal er je uitlaten, roodbaatje, maar ik waarschuw je: leg nooit meer aan met een Afrikaanschen Boer!"
Hij opent den zak, en mijnheer Watkins kruipt er uit.
En wel overtuigd, dat hij zich grenzenloos belachelijk heeft gemaakt voor het geheele publiek, haast hij zich om weg te komen.
De Boeren drinken intusschen doodbedaard hun glazen leeg, rekenen met hun ouden kennis, den gewezen meester, af en schudden hem bij het afscheid hartelijk de hand.
Daarna wenden zij zich kalm naar den uitgang, maar een luid gefluit en gesis, dat hen uitgeleide doet, doet hen stilstaan.
Zeger wenkt één der kellners.
»Haal mij dien zak eens even," zegt hij, op den zak wijzend, die zoo'n belangrijke rol heeft gespeeld en bij het buffet is neergelegd.
De gedienstige kellner, die tuk is op een fooi, haalt hem.
»Van wien is die zak?"
»Hij behoort hier thuis, Mijnheer!"
»Hier," zegt Zeger, den kellner een geldstuk reikend; »ik zal den zak meenemen, en wat er overschiet is voor jou."
De kellner maakt uit dankbaarheid voor de flinke fooi een diepe buiging, maar hij kijkt den Boer toch vragend aan, want hij is nieuwsgierig, wat hij met dien zak toch wil.
En de goedhartige Boer is vriendelijk genoeg, om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen.
»Als Cecil Rhodes soms komt, weet je, of Jameson zijn knecht, dan zullen we hem in dezen zak zien te stoppen!"
Zeger Jansen zegt deze woorden tot ontzetting van den kellner luid genoeg, dat al de omstanders het kunnen hooren.
»Is dit hier een Engelsche vergadering?"
De kellner knikt bevestigend.
»Ik dacht het wel," zeide hij schouderophalend; »'t is niet veel soeps!"
En zich tot zijn broeders wendend, roept Zeger Jansen: »Op jongens, naar Waterfontein!"
Zij gaan naar buiten, en een oogenblik later verkondigt luid hoefgetrappel, dat de Boeren zijn vertrokken.
HOOFDSTUK XXIV.
Charles Marling en Lena, zijne vrouw, zaten in de huiskamer.
Charles had zich gereed gemaakt, om de groote avondvergadering der Engelsche vereeniging bij te wonen, en Lena's stille hoop, dat hij thuis zou blijven, was ijdel gebleken.
Over de staatkundige beroering van deze dagen was sinds gisternamiddag niet meer gesproken, en toch beheerschte die beweging hun gansche denken. De staatkundige beroering was de afgrond geworden, die tusschen hen gaapte, de draaikolk, die hun huwelijksgeluk dreigde naar de diepte te zuigen, de harde bazaltmuur, die twee menschen scheidde, welke bij elkander behoorden.
Het gesprek, dat Marling daar straks met den Amerikaanschen inspecteur had gehad, schokte hem niet in zijn overtuiging en hij hield de meening van Liskey voor een grove dwaling.
Charles en Lena, beiden zwegen--het was een veelzeggend, angstwekkend zwijgen. Zij vreesden beiden God, en toch begrepen zij elkaar niet meer. Zij gingen aan elkander voorbij als twee blinden.
De zwart-marmeren pendule op den schoorsteenmantel sloeg half negen.
Marling stond op.
»Het wordt tijd," zeide hij.
»_Kunt_ ge niet blijven?" vraagde zij met smeekende stem.
»Neen," zeide hij zonder hardheid, maar beslist. »Mijn geweten dringt mij, om te gaan."
»Er kan een leugen liggen in de conscientie," zeide zij zacht.
Hij keek haar aan met groote oogen.
»Een leugen?" zeide hij langzaam; »weet ge wel, dat zoo iets verschrikkelijk is?"
»'t Is meer gebeurd," zeide zij.
»Ja," zeide hij, »maar God beware mij voor dat ontzettend oordeel!"
Hij nam nu zijn wandelstok.
»Ik wil je nog iets zeggen," zeide hij met ernst en nadruk. »Weet ge niet, dat de vrouw den man zal volgen? Wilt _gij_ regeeren? Is _dat_ Gods ordinantie?"
Toen boog zij het hoofd, en _nooit_ was zij grooter geweest dan in dit oogenblik, nu zij zonder murmureeren, in zwijgenden deemoed, al was het met een schreiend hart, de plaats innam, die naar Gods bestel haar was beschikt.
Marling vertrok, doch plotseling keerde hij nog eens terug.
»Hoe ook de beslissing van dezen avond moge vallen," zeide hij, »laten wij nooit aan onze liefde twijfelen!"
De tranen sprongen hem in de oogen--ach, dat waren ze weer, die zachte bruine oogen, die zij liefhad!
»Ga," zeide ze vriendelijk, »ga! De Heere zal het voorzien!"
Doch toen de klank van zijn stap niet meer werd gehoord in den gang, toen de huisdeur van buiten gesloten werd, toen was het uit met haar kracht, en zij was niets meer dan een zwakke, hulpelooze, bevende vrouw!
Ja, dat was het onweer, dat haar grootvader had voorspeld; dat was de wilde golfslag der branding, die het scheepke dreigde op te nemen en te verbrijzelen tegen de rots....
En in den angst harer ziel strekte zij de armen omhoog en riep: »O Heere, behoed--wij vergaan!"
* * * * *
Toen Marling de ons bekende vergaderzaal binnentrad, was zij reeds stampvol.
Aan de rechterzijde, vooraan, zaten de machthebbers der eeuw, de goudkoningen, die als arme jongens in de Transvaal waren gekomen, en thans over millioenen beschikten. En op hun voorhoofd stond geschreven: »Dat trotsche gebouw van onze macht en onzen rijkdom--hebben _wij_ het niet gebouwd?"
Marling werd door eenige kennissen begroet, en nam plaats naast den langgebeenden Amerikaanschen inspecteur.
Vlak voor hem zat een koopman, die, zich omkeerend, lachend zeide: »Zoo, Marling, ben je toch gekomen? We hadden je al doorgeschrapt, man! En hoe maakt het je vrouwtje? Is ze nog al tam bij de tegenwoordige bedrijven?"
»Als ge aardigheden wilt maken," antwoordde Marling met harde stem, »maak ze dan op je eigen vrouw!"
Intusschen werd de vergadering geopend, en de voorzitter, een man van middelbaren leeftijd, van ineengedrongen gestalte, met scherpe oogen, een haviksneus en zwarte bakkebaarden, betrad het geïmproviseerde platform.
Hij liet den hamer vallen, en het gegons en rumoer verstomde. Het werd zoo stil, dat men een speld kon hooren vallen.
»Mijne heeren, mijne vrienden!" begon de voorzitter met een krachtige, klankvolle stem, »wat ons heden avond te samen brengt, is u bekend. Het beweegt al de harten van Johannesburg, en buiten Johannesburg de harten van honderd millioen Engelsch sprekende menschen.
Zeg ik te veel, wanneer ik verklaar, dat de toestand onhoudbaar is?"
»Neen, neen!" klonk het van verschillende zijden.
»Zullen wij, vrije mannen, ons laten ringelooren en tyranniseeren door de Boeren?"
»Weg met hen!" werd er geroepen.
»Wat zijn de Boeren anders dan een troep veehoeders, wier hoogste beschaving bestaat in een zweep, een os en een stuk spek?" ging de voorzitter voort.
Men schaterlachte.
»Maar wij willen door deze veehoeders, die misschien wel eenige bekwaamheid bezitten, om de Kaffers af te ranselen, niet uitgeplunderd en uitgezogen worden. Wij zijn de vrije zonen van Oud-Engeland en willen geen slavenjuk; wij zijn de kinderen van een volk, welks liederen klinken en ruischen over de baren en golven van alle zeeën en oceanen, en wij laten ons niet tyranniseeren, zoo lang het lied nog waarheid is:
»Beheersch, Brittanje, d' oceaan! Geen Brit laat zich in boeien slaan!""
En aan een plotselinge opwelling gevolg gevend, stonden al de aanwezigen op, ontblootten het hoofd, en luid en krachtig, met gloed en geestdrift, weerklonk het Engelsche volkslied:
»Toen Brittenland op 't Goddelijk Woord, Oprees uit der zeeën schoot, Zou dit zijn wet, zijn handvest zijn. En englen zongen dit refrein: Beheersch, Brittanje, d' oceaan! Geen Brit laat zich in boeien slaan!"
»En nu, mijne heeren," zeide de voorzitter van den lessenaar terugtredend, »verwacht ik uwe voorstellen."
Charles Marling zat op heete kolen, en met verbazing had hij naar de prikkelende, neen naar de opruiende taal van den voorzitter geluisterd.
Was _dit_ nu de goede weg om tot een bevredigende schikking te komen? Moesten de hartstochten van het publiek _daartoe_ worden opgezweept?
Maar hij beheerschte zich en zweeg voorloopig.
»Ik stel voor," zeide een kleine man met een bezadigd en verstandig uiterlijk, »een commissie te benoemen, die volmacht heeft om met de regeering te onderhandelen. Dit is de manier, om langs vredelievenden weg tot een schikking te komen."
Er was een zwak applaus; de meesten zwegen.
Een krachtig gebouwd man, met forsche gelaatstrekken en een zwarten baard, nam thans het woord.
Hij hield de handen in den zak en zeide doodbedaard:
»Wat de vorige spreker voorstelt, is onzin. De Transvaalsche regeering lacht om onze commissies. Ik stel voor, om met tweeduizend resolute kerels morgen op te trekken naar Pretoria, Paul Kruger gevangen te nemen en de Engelsche vlag te planten op het gouvernementsgebouw. De zaak is zoo eenvoudig mogelijk. Maar wij moeten snel en flink handelen; we moeten de regeering overrompelen!"
»Mijnheer de Voorzitter, ik wensch toch ook wel eens het woord!" riep Marling.
»Mijnheer Marling heeft het woord," zeide de Voorzitter.