De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 11
»Als wij er aan denken, dat de machthebbers tot een ander ras behooren dan wij, een andere taal spreken, en andere bezigheden hebben, ons met wantrouwen en vijandschap bejegenen, dat zij in den regel onopgevoed zijn, en dat hunne hartstochten door gewetenlooze fortuinjagers worden opgewekt, dan moeten wij toestemmen, dat wij in een zeer groot gevaar verkeeren....
Zij, die onze rechten behoorden te verdedigen, zijn onze grootste vijanden. De politiek der Regeering wordt beheerscht door heftige vijandschap tegen de Engelsch-sprekende bevolking. De staatkunde van geweld komt thans openbaar; te Pretoria wordt een fort gebouwd, en spoedig zal nog een ander fort worden gebouwd, om Johannesburg bang te maken. Kanonnen, Maxims, Duitsche officieren worden ingevoerd, en dat waarom? Wij de meerderheid, moeten de inkomsten des lands stijven, en keer op keer worden wij beleedigd. Deze politiek der Boeren kan, dunkt ons, slechts slagen, wanneer wij al de deugden kwijt zijn, waardoor onze voorvaderen zijn vrij geworden, en indien wij zoo laag zijn gezonken, dat wij gereed zijn, onze eer, zelfrespect en plicht tegenover onze kinderen te vergeten...."
Wat zegt ge daar nu van?" vraagde Marling, toen hij het Manifest had uitgelezen.
»De Uitlander is gekomen als de gast van den Transvaalschen Boer," antwoordde Lena, »en heeft zich nedergezet aan zijn gastvrijen haard. En nu vind ik het hoogst ongepast en zeer ondankbaar van den gast, dat hij eischen gaat stellen en dreigingen laat hooren, want hij is slechts de gast en niet de heer van het huis."
»De huisheer kan maken," hernam Marling, »dat de toestand van den gast onhoudbaar wordt, en ik meen, dat men rechtmatige eischen altijd mag stellen."
»Maar bovendien," ging hij voort, »uw vergelijking gaat niet op, want de Uitlander is niet de _gast_, maar even goed een _burger_ der Republiek als de Transvaalsche Boer."
»Wel," zeide Lena met een snellen opslag van haar donkere wimpers, »dat is voor mij iets nieuw."
»Dat kan ik niet helpen," meende Marling, de schouders ophalend.
Ongemerkt begon het gesprek eenige scherpte te krijgen.
»Ik herhaal het," zeide Marling opnieuw, »dat de Uitlander even goed een burger is van het land als de Transvaalsche Boer, en ge zult me moeten toestemmen, dat de door en door conservatieve Boerenregeering met haar patriarchaal systeem zal moeten breken."
»Breken?" antwoordde Lena, en het scheen, alsof in haar schrandere oogen een weerschijn viel van de wijsheid die haar grootvader, de grijze Dirk Kloppers, bezat, »breken? Neen, _niet_ breken, doch uit de windselen van die patriarchale toestanden _langzaam uitgroeien_--dat is beter."
»Gij zijt toch een wonderlijk vernuftig vrouwke," zeide Marling op den ouden gullen toon, maar die toon kreeg opnieuw eenige scherpte, toen hij ernstiger voortging: »Als de stoommachine te veel spanning krijgt, dan zal ze barsten, indien er geen veiligheidsklep is."
»En wat is die veiligheidsklep?" vraagde Lena.
»Het stemrecht voor de Uitlanders," zeide Charles.
»Stemrecht voor _Uitlanders_," riep Lena, »dat kan immers niet! De naam van Uitlander duidt immers reeds aan, dat hij geen burger is!"
»Laten wij over geen woorden kibbelen," hernam Marling. »De zoogenaamde Uitlanders zijn even goed burgers als de anderen; ik herhaal het nog eens."
Lena stond op, en nam uit een tasch, die tegen den muur hing, een Hollandsch-Afrikaansch blad.
»Luister eens," zeide zij, »wat onze president, de wijze Paul Kruger, van dat stemrecht heeft gezegd," en zij las:
»Onze oude President heeft op eene der laatste politieke vergaderingen, waar hij het woord voerde, op zijne eigenaardige wijze over het kiesrecht, waarom de Uitlanders tegenwoordig zoo hard schreeuwen, het volgende gezegd: »Menschen! De Uitlanders rijden mee in _onzen_ wagen, en zij roepen ons toe: Geeft _ons_ de leidsels in handen! Is het nu onbillijk, als wij hen eerst vragen: Ja, maar _waarheen_ wil jullie rijden? En hoe, als jullie den wagen omsmijt?" Kunnen wij jullie als koetsiers vertrouwen? Het burgerschap is bij ons als een dam, omringd door vele wateren: deels schoon, deels vuil, maar het water binnen den dam moet zuiver zijn en zuiver blijven. Het gaat dus niet aan, al het buitenwater tegelijk te doen instroomen; wij moeten het langzaam filtreeren, om het schoone water binnen te laten, en het vuile buiten den dam te houden."
Marling's voeten bewogen zich onder het lezen ongeduldig op en neer, en toen zijn vrouw had geëindigd, zeide hij koeltjes: »Nu ja, dien deun kennen we wel. De Boeren zijn het gefiltreerde water en de Uitlanders vormen het schuim, den drap en den droesem. Paul Kruger is een groot, scherpzinnig en godvreezend man, doch als in het hart van zoo'n uitnemend man nog zooveel nationale eigengerechtigheid schuilt, hoe moet dan, de goeden niet te na gesproken, de rest er uitzien!"
Lena had haar man nog nooit in zoo'n geest hooren spreken, en met smartelijke verwondering staarde zij hem aan.
Neen, die krant daar in zijn handen, die »Star" deed hem geen goed.
»Een monsterpetitie," ging hij voort, »geteekend door 32500 namen, vraagt aan de Regeering uitbreiding van het kiesrecht, maar de Boeren smijten de petitie natuurlijk in de snippermand."
Hij lachte, maar 't was geen gulle lach.
De Engelschman was boven gekomen in den anders zoo edeldenkenden Charles Marling, en zijn vrouw kende hem op dit oogenblik niet.
»Charles!" riep zij, »ik begrijp je niet. De Uitlander kan langs geleidelijken weg het kiesrecht krijgen, maar het volk, dat het fondament van dezen staat heeft gelegd, heeft toch te waken, dat het op te trekken gebouw niet uit de loodlijn ga!"
Lena sprak de waarheid.
De Uitlander kon het kiesrecht deelachtig worden.
Het daarop betrekking hebbende wetsartikel luidde aldus: »Personen, van elders inkomende, kunnen tot de naturalisatie worden toegelaten, mits zij aan den veldkornet van hun wijk of aan den landdrost van hun district het bewijs overleggen dat zij minstens twee jaren hier te lande zich metterwoon hebben gevestigd, en gedurende dien tijd getrouw en gehoorzaam zijn geweest aan de wetten des lands, alsmede met overlegging van een certificaat van een bevoegden ambtenaar, ten effecte dat zij geen onteerend vonnis te hunnen laste hebben gehad."
Deze naturalisatie gaf recht tot stemming voor den _Tweeden_ Volksraad (Tweede Kamer), terwijl het recht tot stemming voor den _Eersten_ Volksraad (Eerste Kamer) en President eerst na twaalf verdere jaren werd verleend.
Nu wilde echter het geval, dat de Engelsche Uitlanders uit een gevoel van nationaal zelfbewustzijn er niet de minste lust toe gevoelden, om den bij de naturalisatie gevorderden eed van getrouwheid aan de Republiek en afzwering der gehoorzaamheid aan elken anderen staat af te leggen.
Trouwens, waartoe zouden zij ook kiezer worden? Niet de _bloei_ maar het _goud_ der Republiek trok hen aan, en hadden zij daarvan genoeg, dan zouden zij het stof van hun voeten schudden, en terugkeeren naar Oud-Engeland.
»Er zijn hier in Johannesburg Engelschen, die reeds twaalf jaar in de Transvaal hebben gewoond," zeide Charles, »hoogst fatsoenlijke en bekwame mannen, die nog niet voor den Eersten Volksraad mogen stemmen--is dat recht?"
»Ja," zeide ze, nu ook geprikkeld, »dat is recht. 't Is hun eigen schuld. Maar wat wil je toch eigentlijk?"
»Ik beschuldig de Boerenregeering van dwingelandij; dat is mijn standpunt," hernam Marling op vasten toon, doch bij deze harde woorden week het bloed uit Lena's gelaat, en de dochter der vrije Emigranten-Boeren[13] werd wakker in de jonge vrouw.
[13] De Afrikaansche Boeren, die in 1836 en later den grooten Trek ondernamen uit de Kaapkolonie, werden Emigranten-Boeren genoemd.
»Charles," zeide ze langzaam maar met waardigheid, »het is een ongelukkig oogenblik geweest in uw leven, toen gij lid zijt geworden der Engelsche Vereeniging te dezer stede, want gij wordt misleid en bedrogen. Neen, het gaat niet om het kiesrecht, maar de hond moet slaag hebben, en elken stok kan dienst doen. De Transvaalsche Republiek moet er onder, omdat het zoo treft, dat de rijkste goudaderen der wereld door haar gebied loopen. En Cecil Rhodes, die koning is in het land, dat naar hem Rhodesia is genoemd, doch dat beter genoemd kan worden Fraudesia, want het is een land van bedrog, wordt ongeduldig, omdat de Vierkleur nog altijd wappert te Pretoria. Daarom moet er opstand worden gemaakt, muiterij. Dan kan de Engelsche regeering tusschenbeide komen, den opstand sussen en tot belooning de rijke goudmijnen van den Witwaterrand inpalmen.
Denkt ge werkelijk, dat het om het kiesrecht te doen is? Waarom is het dan die rechtschapen mannen, waarvan gij spreekt, en die nu al twaalf jaar in de Transvaal hebben gewoond, nu pas in den zin gekomen, om het kiesrecht te vragen?"
Haar oogen schitteren, terwijl zij dit zeide, en een hooge blos van toorn en verontwaardiging kleurde haar wangen.
Doch Marling was kalmer geworden, en zeide bedaard: »Ik houd Cecil Rhodes, voor een eerlijk, rechtschapen man, en hij staat buiten de Johannesburger beweging."
»Gave God, dat het waar was!" zuchtte Lena.
Intusschen kwam de kindermeid met den kleinen Albert binnen, en de moeder, nam het ventje over.
»Hoe hij toch groeit!" riep Marling uit, en de hand op Lena's schouder leggend, zeide hij mild en vriendelijk: »Kom vrouwtje, wij zullen niet meer praten over de politiek; wij hebben wel iets beters te doen."
»Maar manlief is er mee begonnen," meende Lena op half schertsenden toon.
»Die er weer over begint, verbeurt elken keer een shilling," zeide Marling.
»Aangenomen!" antwoordde Lena, en lachend sloeg zij in zijn uitgestoken hand.
Te samen zaten zij nog een wijle te spreken over allerlei kleine huiselijke aangelegenheden, waarover de huisvrouwen in den regel zoo gaarne met hunne mannen spreken, totdat het tijd werd voor het kantoor.
Lena echter had nu haar werk met den kleinen woelwater, en toen zij hem in zijn bedje had neergelegd, was zij alleen.
Doch zij was niet zoo opgeruimd als anders.
Het gesprek van zooeven kwam haar weer levendig voor den geest, en al was het met een scherts geëindigd, in dien scherts lag een bittere nasmaak.
Immers over de politiek, dat wil zeggen over de toekomst van haar volk, mocht niet meer worden gesproken, omdat er de huiselijke vrede mee werd bedreigd.
De schemering viel nu in, en zij voelde zich neerslachtig. Doch al haastte zij zich, om de lamp aan te steken, haar neerslachtigheid wilde niet wijken.
Was het de staatkunde van Rhodes, die haar schaduw wierp tot in de binnenkameren van Johannesburg? Was het onweer in aantocht waarvan haar grootvader had gesproken vóór haar huwelijk, en werden de eerste donderkoppen van dat onweer reeds zichtbaar?
Zij wilde er niet aan denken en sloeg den bijbel open. Maar een angstig voorgevoel greep hare ziel aan, en vol vreeze staarde zij in de toekomst.
HOOFDSTUK XXII.
Charles Marling stond op de zerken stoep voor het kantoor, dat gesloten was even als de meeste winkels.
Vage geruchten doorkruisten de stad van een voorstel, om den Witwaterrand met zijne rijke goudmijnen tegen een enorme som de Boerenregeering af te koopen, van een dreigende opstand, van een Engelsche tusschenkomst, doch niemand, die het rechte wist.
Slechts hierin stemde men overeen, dat het land een onheilspellende toekomst tegemoet ging.
Er broeide iets; zware onweerswolken dreven aan den staatkundigen hemel, en ieder Johannesburger was in spanning, waar de eerste bliksemstraal zou inslaan.
Het Hervormings-Comité bracht een klein gewapend leger op de been, waaraan het f 12.-- per man en per dag betaalde, en de burgers wapenden zich, om op elke gebeurlijkheid voorbereid te zijn.
Rijkspolitie zag men niet. Nu de lucht met zooveel electriciteit was beladen, kon er elk oogenblik een straatgevecht plaats grijpen, en had daarbij de politie het ongeluk, om een Engelschman te kwetsen of maar de huid te schrammen, dan zou natuurlijk de Engelsche regeering op hooge beenen aankomen en voldoening eischen. Maar de Transvaalsche regeering had er geen trek in, om met de pet in de hand Harer Majesteits regeering nederig om excuus te vragen, en daarom trok zij de politie terug uit de straten.
De handel stond stil. De voorzichtigsten pakten hun koffers en haastten zich, weg te komen uit een stad, die een vulkaan dreigde te worden, doch de Engelsche Jingo's liepen met fieren tred en trotsch opgeheven hoofd door de straten, krachtig in het bewustzijn, dat zij op het punt stonden, om de Boerenregeering, die door hen een vermolmde regeering werd genoemd, in elkaar te trappen.
Marling stond op de stoep--het was namiddag--en keek nadenkend naar de haastig voorbij snellende menschen.
Versch lag hem het gesprek, dat hij eergisteren met zijn vrouw had gehad, nog in het geheugen.
Hij zuchtte.
Hij was ter goeder trouw, waar hij meende, dat de Boeren ongelijk hadden. Hij, de voortvarende Engelschman, had geen oog voor het taaie conservatisme van den Afrikaanschen Boer, dat als een rem in de wielen greep van den snel voortrollenden wagen.
Zeer zeker, daardoor werd de wagen in zijn vaart gestuit, maar het gevaar, dat de wagen in den afgrond zou tuimelen, werd eveneens verminderd.
Marling bezat dien nationalen Engelschen karaktertrek van geestkracht en ondernemingsgeest, die den kostbaren tijd niet vertreuzelt met dralen, maar hij miste dien Hollandschen trek van voorzichtigheid, die wikt en weegt voor men 't waagt. En omdat hij die voorzichtigheid niet begreep, en aan enghartigheid, bekrompenheid en rassenhaat toeschreef, wat slechts het uitvloeisel was van vroed en voorzichtig staatmansbeleid, deed hij de Boeren onrecht, door hen te beschuldigen van onrechtvaardigheid.
Doch hij handelde naar zijne overtuiging, en het had hem waarlijk een harden strijd gekost, alvorens hij mannelijk partij had getrokken voor hetgeen hij beschouwde als recht en billijk. Want hij had innige vrienden onder de Boeren--tegen den ouden Dirk Kloppers zag hij op met den eerbied en de liefde van een kind, en zijn eigen kind de lieve Albert--deed het Afrikaansche Boerenbloed niet dat kleine kinderhart kloppen?
Zoo was dan zijn ziel vol droefheid, want hier mocht geaarzeld noch geweifeld worden. Hij was een zoon van Cromwell's rondkoppen, die, toen het mòest, met het zwaard der gerechtigheid hunnen koning het hoofd voor de voeten legden, en de schimmen zijner voorvaderen zouden hem toornig aanzien, indien hij terug schrok voor een moedige daad.
Hij wilde daarom nog geen omverwerping van den bestaanden regeeringsvorm, en de vraag, in hoever wapengeweld geoorloofd was, indien alle wettige, vredelievende middelen, om de Regeering tot grootere concessies te bewegen, waren uitgeput, had hij zelfs nog niet onder de oogen gezien.
Dat lag ook niet op den weg zijner ideaal aangelegde natuur, want den droom van Frits Jansen droomde hij ook. De twee blanke rassen, die den toestand beheerschten, hadden iets beters te doen dan elkander te vereten en te verbijten; zij hadden namelijk de roeping, om naar hunne krachten bij te dragen tot den bloei en de welvaart van Zuid-Afrika. En wilden zij tegen elkander strijden, welnu, dat zij elkander dan bekampten in een edelen wedstrijd, wie den meesten zegen zou verspreiden over het land!
Doch de Boerenregeering was enghartig, bekrompen, en voedde een onzalige rassenhaat en was de grootste struikelblok voor een verbroedering van twee rassen, die feitelijk uit eene stam waren gesproten!
Dat was het standpunt van Charles Marling, en hij kon geen ander standpunt hebben, omdat hij den Jingo-geest volkomen voorbij zag, en dus geen vrijen blik had op de dingen rondom hem.
* * * * *
Plotseling voelde hij een forschen slag op zijn schouder, en een vroolijke stem, die aan een langen man met een sterk sprekend gelaat behoorde, riep: »Zoo ouwe jongen, wat sta je daar te suffen?"
»Ben jij het, Liskey?" zeide Marling, den lange de hand reikend: »Kom binnen!"
Hij ging Liskey voor en bracht hem in de huiskamer, waar op dit oogenblik niemand was.
»Hoe gaat het met de Mijn?" vraagde Marling, nadat men plaats had genomen.
»Welke bedoel je?" was de wedervraag van Liskey, die een Amerikaan was.
»Waarvan je inspecteur bent."
»Die is zoo even gesloten," antwoordde Liskey.
»En de andere mijnen?"
»Allemaal gesloten."
»Het ziet er bedenkelijk uit," meende Marling, het voorhoofd fronzend.
»Waarom?"
»Wel, nu loopen duizenden Kaffers leeg."
»Ja, tot den Onthoudersbond behooren ze niet," lachte de inspecteur; »ze lusten hem droog."
»Zijt ge te Pretoria geweest?" vraagde Marling met zeer groote belangstelling.
»Om u te dienen, eergisteren, Zaterdag."
»En hebt ge den President gesproken?" vraagde Marling.
»Dat wil zeggen, ik heb hem gezien en hooren spreken."
»En welken indruk hebt gij meêgebracht?"
»Dat Paul Kruger de Washington is der Transvaalsche Boerenrepubliek," antwoordde Liskey op levendigen toon.
»En wat heeft hij gezegd?"
»Ik heb het voor de merkwaardigheid opgeschreven," antwoordde de Amerikaan.
Hij nam een notitieboekje uit den zak en las: »Indien wijze raadgevingen niet helpen, laat dan het oproer maar losbreken, en de wind zal het koren scheiden van het kaf. De Regeering geeft elkeen gelegenheid voor het luchten van grieven en klachten, maar is ten volle besloten om elke beweging tegen wet en orde te breidelen."
»Kijk," liet hij er op volgen, zijn lange beenen nu over elkander gooiend, »ge zult me niet kunnen verwijten, dat ik overdreven voorliefde voor de Boeren heb, maar dit is zeker waar: zij hebben een man aan het hoofd, die weet wat hij wil."
»Maar wij weten 't ook," zei Marling.
»Jullie!" riep de Amerikaan met een onmiskenbare minachting in zijn stem; »geef me maar een glas wijn, want ik heb dorst."
Marling schelde de meid.
»Waar is je vrouw?" vraagde Liskey op eens.
»Boven," zeide Marling kortaf, »maar om op je uitroep terug te komen--gelooft ge niet aan de eendracht der Uitlanders?"
»Eendracht!" riep de Amerikaan met grappige verbazing, »ben je nou gek, kerel? Een mooie eendracht! Daar heb je Engelschen, Chineezen, Australiërs, Ieren, Duitschers, Franschen, Laplanders, schapen, bokken, geiten, rhinocerossen en ratelslangen--een mooie eenheid!"
Hij sloeg met de hand schaterlachend op zijn knie, en wierp de lange beenen uit elkaar.
»Ze gaan toch samen, om het kiesrecht te verkrijgen," wierp Marling er direkt tusschen in.
»Onzin, man, onzin!" riep de Amerikaan. »Alle maal kool, apekool, wat ik je vertel!"
»Dan liegt het verschenen Manifest!" zeide Marling bedaard.
»De opsteller is van de eerste leugen niet gebarsten," antwoordde Liskey.
»Ge zijt van daag wreed en onbarmhartig in je oordeel," hernam Marling.
»Dacht ik het niet?" lachte de vrijpostige Amerikaan, het glas wijn nemend, dat hem was ingeschonken: »dacht ik het niet? Als ik aan je afgod torn, dan wordt ge boos!"
»Ik wòrd niet boos," zeide Marling, »maar ik kan toch niet dulden, dat gij menschen, aan wier goede trouw men niet mag twijfelen, zoo schandalig afmaakt!"
De Amerikaan nam kalm den zakdoek uit zijn zak, en sloeg het stof van zijn lange laarzen.
»Jij praat van goede trouw, goede trouw in een goudstad--Marling, hoe krijg je 't in je hersens? 't Is allemaal kool, wat ik je zeg!"
»De Boeren hebben in jou een goeiën pleitbezorger," zeide Charles, niet zonder bitterheid.
»En Rhodes in _jou_," antwoordde de Amerikaan met de grootste kalmte.
»Rhodes? Rhodes heeft met de zaak net zoo min iets te maken als de Turksche sultan!" riep Marling.
»Goeië gerustigheid!" zeide de Amerikaan vol bewondering, maar hij ging weer zitten, wierp de lange beenen over een stoel, en ging kalmer voort: »Dat is jouw onnoozelheid weer, Marling. Er zit muziek in, man, muziek, en Rhodes zit achter het scherm het orgel te trappen."
»Als je 't gelooven wilt," meende Marling, de schouders minachtend ophalend.
»De toekomst zal het uitwijzen, Marling!"
»Dat zal ze net, Liskey!"
Van de straat werd thans een groot gejoel gehoord.
»Waarschijnlijk weer een nieuwe grappenmakerij van die »eendrachtige" Uitlanders!" lachte de Amerikaan.
Beide mannen grepen den hoed en gingen naar buiten.
Een troep gewapende burgers te paard reden met een paar Maxim-kanonnen voorop onder zang en muziek de straat door.
»Daar heb je de helden!" riep de lange inspecteur vroolijk; »ze zullen de Boeren beuken als stokvisch!"
Achter de troep kwam een groep burgers te voet aan, met de Transvaalsche Vierkleur in hun midden.
Op het plein maakte deze groep halt, en onder hoonend geschreeuw werd de Vierkleur aan flarden gescheurd.
»Zie zoo, nu zijn de Boeren verloren!" spotte de Amerikaan; »en met zulke schepsels wil je de overwinning behalen, Marling?"
Charles zeide niets; zijn wenkbrauwen fronsten zich. Nog een paar wenkbrauwen fronsten zich--boven hem.
Lena liet het gordijn vallen.
Haar oogen flikkerden van verontwaardiging. »Dat canaille," riep ze, »dat schuim! Hoe durft het de godvergeten hand uit te strekken naar onze Vierkleur! Op, Afrikaansche mannen, en wreekt dien smaad!"
HOOFDSTUK XXIII.
Het is nu donker geworden, en de groote restauratiezaal, waar heden avond een vergadering zal worden gehouden der Engelsche Vereeniging, straalt van electrisch licht, dat door de wijd geopende deuren tot ver over de straat zijn stralen werpt.
De zaal is tamelijk bezet, maar de millionairs zijn nog zwak vertegenwoordigd.
De aanwezigen zitten heel gezellig aan kleine tafeltjes, de kellners (blanken en kaffers) hebben druk werk, om de dorstige keelen te helpen, en de zaal gonst van de drukke, onderlinge gesprekken, terwijl over een uur de vergadering zal worden geopend.
»Wat ik je zeg," verklaart een magere vent met een lange snor en gewapend met een blauwe bril aan een stevig gebouwden Schot, die als matroos reeds in vier werelddeelen is geweest en thans gouddelver wil worden, »wat ik je zeg, binnen een week hebben we dat Transvaalsche schorremorrie onder onze knie."
»Hoe zien er die echte Boeren uit de wildernis toch uit?" vraagt de oud-matroos op nieuwsgierigen toon.
»'t Zijn ware orang-oetangs," verzekert de blauwe bril.
»Ik ken ze," mengt zich een derde in het gesprek, een mijnheer met een ijzingwekkend hoogen boord, die wegens paardendiefstal reeds tien jaar in een Australisch tuchthuis heeft moeten brommen, »ik ken ze. Er is onder al de Boeren niet één gentleman, mijne heeren!"
Van de naaste tafeltjes begint men te luisteren naar dit gesprek.
»Als ik u vertel, mijne heeren," gaat de hooge boord voort, »dat de echte Boer zich om de twee jaren eens wascht, dan lieg ik, want hij wascht zich slechts eens in zijn leven, namelijk als hij gaat trouwen."
»Wel verbaasd," roept de blauwe bril, »ik wist niet, dat het zulke zwijnjakken waren."
De oud-matroos voelt in zijn zak, en zoekt naar een stuk pruimtabak.
»'t Wordt tijd, dat hun de ooren gewasschen worden," zegt hij.
»De boer gaat steeds gekleed naar bed," vervolgt de hooge boord, »natuurlijk met zijn veldschoenen aan."
De toehoorders proesten het uit van lachen, en de oud-matroos bijt met zijn zwarte tanden een stevig stuk af van de pruimtabak, die hij heeft gevonden in den linker broekzak.
»'t Zijn wonderlijke zeeschepen, dat hoor ik wel," grinnikt hij genoegelijk.
»Heeft mijnheer lang onder de Boeren verkeerd?" vraagt hij aan den hoogen boord.
»Twee jaar," antwoordt de hooge boord, »als veearts."
»Wilden ze nog al van den deze afschuiven?" vraagt de oud-matroos, een beweging makend met zijn vingers, alsof hij geld gaat tellen.
»'t Zat er in dien tijd niet erg aan," lacht de hooge boord, »want de goudmijnen waren nog niet ontdekt. Trouwens, mijne heeren, wat ze zijn geworden, hebben ze te danken aan _onzen_ ondernemingsgeest."
De toehoorders stemmen met deze getuigenis van ganscher harte in.