De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96
Part 10
»Ik wil het niet tegenspreken," zegt ze op afgebroken toon, »maar ik heb er geen vat aan. Mijn ziel dwaalt rond in een wereld van verlatenheid."
»Het kan nog veranderen," meent de grijsaard.
»Ik vrees er voor," zegt ze; »ik zal met de nachtschuit weg moeten, Dirk."
»Nu, met de nachtschuit of op een triumfwagen--het einde zal toch vrede zijn," zegt Kloppers. »Niet het _sterven_, maar het _leven_ beslist over de eeuwigheid."
Hij sprak zijn overtuiging uit. Hij wist, dat zijne vrouw was eene gekende des Heeren, en dat haar anker lag in het binnenste heiligdom.
De oude vrouw Kloppers was eene zwakgeloovige in tegenstelling met haar man, die sterk en krachtig was in het geloof, en bij wien de vezelen van zijn innerlijkst bestaan waren vastgegroeid in het eeuwige Woord van God, zoodat hij onbeweegelijk stond als een eik, welks wortelen zich hebben vastgeslagen in de scheuren en spleten der rots.
»Laten wij bidden," zegt hij.
Met Jan en Geertrui knielt hij neder, en de stervende vouwt de handen samen, doch na het gebed klaagt de kranke: »Ik kan niet bidden, niet gelooven, niets! Ik voel me zoo moede en bezwaard!"
»Al kunt ge niet bidden," troost haar man, »uwe trouwe Hoogepriester bidt toch voor u."
Zij knikt met het hoofd, en er volgt een pauze.
»Wat klopt daar aan het raam?" vraagt zij.
Zij is nog in het volle bezit harer vermogens; zij richt zich zelfs een weinig op.
»Ach, dat zijn mijn duiven," zegt ze. »Ze pikken tegen het raam, omdat de oude vrouw hun geen voeder heeft gegeven. Jan verzorg ze even!"
Jan haast zich, om aan dat verlangen te voldoen, en strooit wat maïs op het vensterkozijn.
De duiven pikken het voeder op, kijken nog even met hun vriendelijke kopjes door het raam, en vliegen klapwiekend weg, terwijl hun schaduw voorbij glijdt tegen den muur van de kamer.
Jan kijkt intusschen den grijsaard aan, die daar nog altijd zit in de bestoven kleeding, waarmede hij van de reis is gekomen.
»Vader," zegt Jan, »neem wat rust; Geertrui en ik zullen bij moeder blijven," doch de grijsaard schudt het hoofd.
»Gij zijt vermoeid van de lange reis," smeekt Jan.
»Dat hindert niet," antwoordt de oude man. »Uw moeder heeft voor mij zoo dikwijls de hitte van den dag en de koude van den nacht getrotseerd--licht, dat ik bij haar blijf in haar laatste uren."
En zoo zit hij, de drie-en-tachtigjarige, van 's namiddags vier uur tot den anderen morgen negen uur, volle zeventien uren, bij de sponde van de stervende, haar die kleine geriefelijkheden bewijzend, die men zoo gaarne aan zijne liefste betrekkingen bewijst.
Doch nu is zijn kracht ook op, en terwijl zijn zoon Jan zijn plaats inneemt, werpt hij zich gekleed te bed, om een korte doch verkwikkende rust genieten.
* * * * *
Hij had drie uur gerust--de zon had juist de middaghoogte bereikt--toen Jan den grijsaard wekte.
»Moeder verlangt naar u," zeide hij.
»Hoe gaat het?" vraagde de oude man.
»Moeder is in eene buitengewone stemming."
De grijsaard spoedde zich naar de ziekekamer.
»O Dirk," riep de zieke, zijn beide handen grijpend, »ik zal niet met de nachtschuit vertrekken."
Hij schikte haar kussen goed.
»Ik vertrek met volle zeilen," riep zij met zeldzaam heldere, bijna juichenden stem: »met volle zeilen! in het licht der eeuwige zon."
De grijsaard keek haar vorschend en bezorgd in de oogen, doch zijn bezorgdheid verdween als nevel voor den middagglans.
Er was geen spoor van overprikkeling in haar oogen--zij was nooit helderder van geest geweest, en de oude Voortrekker riep met bewogen maar krachtige stem: »God zij geloofd en geprezen!"
Van het erf hoorde men thans het getrappel van paarden, en vier van Kloppers' zonen traden binnen.
Het waren forsch gebouwde mannen met reeds grijzende haren, iets ouder dan Jan.
Zij waren midden in den nacht van huis gegaan, en hadden een rit van twaalf uur achter den rug.
»Ook dàt nog!" riep de stervende; »ik mag ook mijn kinderen nog zien!"
Zij vouwde haar handen en fluisterde: »Heere, ik ben geringer dan al Uwe weldadigheden."
Zij kuste haar zonen, vraagde haar naar den welstand van hun huisgezinnen, en zeide op zachten toon: »Laat Daniël nu ook binnen komen."
Doch bij dit woord ging er een aarzeling over het gelaat van den ouden Boer.
Zij merkte die aarzeling op en hernam: »Toe, lieveling, doe het; al is hij een Kaffer, hij heeft den Heiland lief, en meer dan ooit voel ik mij op dit oogenblik verbonden aan allen, die Jezus liefhebben!"
»Het zal wel noodzakelijk zijn," liet zij er nadenkend op volgen, »dat er onder deze bedeeling een zekere afstand bestaat tusschen den blanke en zwarte in Afrika, doch voor de poorten des doods valt die afstand weg!"
Jan riep den Kaffer.
Schoorvoetend trad hij binnen en staarde met schroom naar de Boeren, wier vochtige oogen op de stervende waren gericht, doch plotseling snelde hij op zijne oude meesteres toe, knielde aan haar sponde en kuste eerbiedig haar hand.
»Ik ga vertrekken," zeide zij zacht.
»Naar het Vaderhuis," zeide hij, »waar de vele woningen zijn."
»En nu willen wij nog eens den lof des Heeren bezingen, Daniël," ging zij voort, »voor de genade, aan mij, een arme zondares, bewezen, en gij moogt ook meezingen, want wat zegt de Psalmist van den zwarte, Daniël?"
Toen vouwde de Kaffer de handen, en antwoordde met zijn welluidende stem:
»De Filistijn, de Tyriër, de Mooren Zijn binnen u, o Godstad! voortgebracht; Van Zion zal het blijde nageslacht Haast zeggen: Deez' en die is daar geboren!"
Zij knikte met het hoofd, en zag nu haar man aan.
»Wat zullen wij dan zingen, Anneke?" vraagde hij.
»Mijn lievelingsvers!" zeide zij.
Toen zong de kleine gemeente met snikken en tranen:
»God heb ik lief, want die getrouwe Heer Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen, Hij neigt Zijn oor; 'k roep tot Hem al mijn dagen, Hij schenkt mij hulp; Hij redt mij keer op keer!"
Moeder Kloppers zelf zong het geheele vers mee.
Jan keek zijn vader aan, want nieuwe hoop begon te gloren in zijn betraande oogen, doch de oude Kloppers wist wel beter. Voordat de kaars des levens uitgaat, flikkert zij gemeenlijk nog eenmaal op, en gaat dan uit met een zucht.
»Hoe gaat het nu Moederke?" vraagde de grijsaard na een wijle.
»Goed," zeide ze, »goed! Maar ik ben aan het einde van mijn pelgrimsreis, en we zullen afscheid nemen!"
Ach, dat is een aangrijpende zaak, dat afscheid nemen!
Het is niet uit te spreken, welke weemoed en droefheid door de ziel gaat van het arme menschenkind bij zoo'n afscheid! De diepste roerselen van het menschenhart worden opgewoeld!
Moeder Kloppers was de bedaardste van allen. Zij vergat zelfs de kinderen van Jan niet, die binnen moesten komen, en vermaande haar zonen met diepen ernst, om te wandelen in de wegen des Heeren.
De laatste, van wien zij afscheid nam, was haar man.
»Ik wou, dat ik mee kon," kwam het steunend uit zijn breede borst.
»Des Heeren tijd is de beste tijd," zeide zij en hare vermagerde handen gingen liefkozend over zijn sneeuwwitte lokken.
»En wij zien elkander weer," liet zij er troostend op volgen, »en in de eeuwigheid zullen uwe oogen wijd open zijn en wij zullen dan verstaan en doorzien, wat in dit aardsche leven voor ons raadselen waren!"
Zij hield een oogenblik op, om nieuwe kracht te verzamelen.
De grijsaard bedekte het gelaat met de handen.
»En ik dank u, mijn lieveling," begon zij opnieuw, »voor al de teedere liefde en zorg, die gij mij hebt bewezen. Zeven en vijftig jaar geleden hebt gij mij, met den bijl in uw sterke hand, verlost uit het geweld der Zoeloe-Kaffers, en gij zijt steeds mijn staf geweest en mijn steun. Mijn innige, hartelijke dank, mijn lieveling!"
De grijsaard echter wendde het gelaat naar de stervende, en riep in overstroomend gevoel zijner smart: »O Anneke, gaat gij mij nu verlaten?"
»Het is de wil des Heeren," fluisterde zij zacht.
»Gij waart de zon van mijn dag," riep hij klagend, »en de ster in mijn nacht. Doch mijn zon verduistert en mijn ster gaat onder!"
Er lag iets hartroerends in den klagenden toon van den ouden man, doch allengs kreeg hij zijn kalmte terug, en nu zat hij bij de stervende, zooals men bij een geliefde betrekking zit, van wie men reeds afscheid heeft genomen, doch men vertoeft nog in haar gezelschap, in de wachtplaats. Dan praat men nog eens over oude herinneringen, over al het lief en leed, al de smart en vreugde, die we samen hebben doorgemaakt, waardoor de band zoo sterk en innig is geworden, die ons bindt, en we wachten op het teeken, dat de boot zal afluiden.
De stervende werd nu zichtbaar minder, doch zij had het niet benauwd, en al sprak zij in afgebroken klanken, men kon haar toch duidelijk verstaan.
Reeds neigde de zon naar het westen, en uit den tuin klonk het vroolijk spel der kinderen.
Plotseling sloeg de stervende haar oogen opwaarts.
Op dit oogenblik waren de grijsaard met zijn vijf zonen en Geertrui in de ziekekamer.
»Hoort gij niets?" vraagde de stervende.
»De kinderen spelen in den tuin," zeide de grijsaard, »wil ik het hen verbieden?"
»O neen," antwoordde zij, »maar ik hoor nog iets anders--hoort ge 't niet?"
De oude man schudde het hoofd.
»Ik hoor hemelsche zangen--zangen der engelen!" kwam het van haar veege lippen.
Doch waar de engelen zingen, past ons heilig ontzag, en de oude Kloppers en zijn zonen ontblootten eerbiedig het hoofd. En de grijsaard had wel zijn aangezicht willen omwinden van heilige ontroering evenals Elia, toen hij stond in den ingang der spelonk, en de Heere hem voorbijging in het suizen eener zachte stilte.
»Hemelsche zangen--hemelsche heirscharen!" fluisterde de stervende.
Het oog van den grijsaard rustte thans op zijn vrouw.
Voor _hem_ behoorde zij niet meer tot deze bedeeling; voor _hem_ was de scheiding reeds voltrokken. En hij staarde de scheidende na tot op den drempel der gouden poorte, en in den glimlach, die haar stervend gelaat verheerlijkte, zag hij de afschittering van het nieuwe Jeruzalem....
»Hemelsche zangen--hemelsche heirscharen!"
Zij zag man noch kinderen meer; de aardsche banden waren geslaakt, en hare ziel dronk de zalige melodie der onsterfelijkheid....
Plotseling strekte zij hare handen omhoog met den uitroep: »Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk!" en viel terug in het kussen.
De grijsaard bukte zich over haar gelaat.
Nog een zucht--een snik--een laatste!
Het uurwerk was afgeloopen.
Het hart stond stil.
De grijsaard drukte haar oogen dicht en kuste ze. En terwijl groote tranen biggelden over zijn oude wangen, fluisterde hij met nokkende stem: »Anna, mijn lieveling, goeden nacht!"
En zich omkeerend zocht hij de eenzaamheid.
HOOFDSTUK XX.
Het verlies van zijn vrouw is toch een harde slag geweest voor den ouden baas Kloppers.
De vrienden en kennissen, die in grooten getale bij de begrafenis tegenwoordig waren fluisterden tot elkander: »Ge zult zien, dat Dirkoom het nu ook niet lang meer zal maken."
Men kan 't hem dan ook aanzien, dat hij er mee geleden heeft. Het forsche van den Afrikaanschen Boer heeft plaats gemaakt voor een waas van weemoed en droefheid, en de krachtige gestalte schijnt gebogen.
Dikwerf kan men hem vinden heel aan het achtereinde van den grooten tuin, waar groene cypressenboomen hun schaduw werpen, en waar Kloppers' familiegraven liggen.
Daar zijn reeds verscheidene loten van den krachtigen Kloppersstam neergelegd tot de laatste ruste, en ook de oude meesteres van Vredenoord heeft hier een rustplaats gevonden, nu acht dagen geleden.
Eenzaam en verlaten voelt zich de grijsaard, en een stil heimwee naar het eeuwige Vaderland vervult zijn ziel.
Hij staart naar den zwaarbewolkten, droeven hemel, terwijl de regendruppels als groote tranen langs de ruiten neerglijden, en zet zich weer neder aan de tafel, terwijl de oude, van koperen beslag voorziene Staten-bijbel aan de voorzijde opengeslagen voor hem ligt.
De witte bladen voorin zijn volgeschreven met aanteekeningen. Doch er zijn nog een belangrijk aantal witte bladen bijgevoegd, die allen op weinige ruimte na eveneens zijn volgeschreven.
Het papier was geel geworden van ouderdom, en op sommige plekken door de mot aangetast.
Langzaam gaan de oogen van den grijsaard over de regels heen, doch bij sommige aanteekeningen verwijlt hij langer en leest ze nog eenmaal over.
Zoo leest hij:
»9 Maart 1816. Heden woonde ik de terechtstelling bij van vijf Afrikaansche Boeren: H. Prinslo, S. Bothma, C. Faber, T. de Klerk en A. C. Bothma te Slachtersnek. Zij waren een dwazen opstand begonnen tegen het Engelsche gezag, en veroordeeld tot den strop. Ik zag de vijf sterke mannen hangen aan de galg, en hoop nooit meer zoo iets te zien, want het is wreed en afschuwelijk. Maar de galg brak, en wij hoopten vurig, dat de Engelsche regeering nu pardon zou geven, want de ongelukkigen hadden geen druppel bloed vergoten. Ook was het hartroerend, hoe de aanwezige vrouwen en kinderen om het leven van hun mannen en vaders smeekten.
Het mocht echter niet baten, want de Engelsche politiek is harder dan de rots van Slachtersnek. Zoo zijn die vijf ongelukkigen dan ten tweeden male opgehangen en gestorven, en hun lijken onder de galg begraven. Maar ik heb een duren eed gezworen tot God Almachtig, dat ik de daad van den Engelschen Slachter diep zal inprenten in het hart mijner kinderen en kindskinderen."
* * * * *
»October 1818. Wij leven door de ellendige Engelsche kafferpolitiek in aanhoudenden oorlog met de aangrenzende kafferstammen. Zij hebben gisteren, terwijl ik op kommando was, honderd van mijn beesten gestolen, mijn ossenwagens vernield en mijn huis afgestookt. Mijn vrouw is met de kinderen het bosch ingevlucht en heeft zoo het leven gered."
* * * * *
»4 Augustus 1820. Mijn geliefde vrouw is gister, ten gevolge van al den schrik en ellende, door de stroopende kafferstammen veroorzaakt, gestorven in den ouderdom van ruim 59 jaren."
* * * * *
»6 Maart 1822. Ik ben weer terug van het kommando. Ik en Gert hebben met onze vrienden 26 weken achtereen op het kommando gestaan, om de oproerige kaffers in toom te houden. Verleden Woensdag had het geen haar gescheeld of Gert was gedood geworden door de sabel van een kafferkapitein, maar ik zag het aankomen en strekte mijn arm uit boven Gert's hoofd, want ik had niets anders bij de hand, om hem tot schild te dienen. De kafferkapitein sloeg den arm in eens af, maar ik zorgde er voor, dat het zijn laatsten slag was. Gert kwamen de tranen in de oogen, toen hij den arm opnam, maar ik begon te lachen, want ik had in dien arm altijd zoo'n koppige rheumatiek gehad, en ik dacht, dat ik daar nu wel geen last meer van hebben zou."
* * * * *
De lezer kijkt van de geel geworden familiebladen even op.
Hij heeft den schrijver, zijn grootvader, goed gekend.
Nu begint hij weer te lezen: een reeks aanteekeningen over nieuwe kafferoorlogen, droogte, sprinkhanen, huwelijken, geboorte- en sterfgevallen, alles in bonte afwisseling, doch dan volgde de hand van een ander, van den zoon van den vroegeren kroniekschrijver, namelijk Gert Kloppers.
»6 Maart 1835. Vader is stekeblind geworden van ouderdom, en ik zal in zijne plaats deze aanteekeningen voortzetten. Wij Afrikaansche Boeren hebben hier gisteren een groote bijeenkomst gehad, en het plan is gerijpt, om te trekken, want wij gaan liever onder de wilde kaffers en de wilde dieren, dan te blijven onder het ondragelijk geworden juk van Engeland."
* * * * *
»15 Juni 1835. Vader is gisteren de ruste ingegaan, die er overblijft voor het volk van God."
* * * * *
De nu volgende aanteekeningen waren bijna uitsluitend gewijd aan de Trek over de Vaal-rivier, de bloedige worstelingen met de Kaffers, het duivelsche verraad van Dingaan, den Zoeloe-koning, en den oorlog tegen Engeland om Natal. Doch tusschen deze als met bloed en tranen geschreven regelen vindt de lezer deze aanteekening.
»17 October 1839. Heden is Dirk in het huwelijk getreden met Anna Jansen. Moge de Heere de derde zijn in dit verbond."
* * * * *
De grijsaard slaat nu verscheidene bladzijden om en leest vervolgens:
»28 Maart 1852. Ik ben terug van de groote volksvergadering te Rustenberg. Den 11den verkondigde saluutschoten de komst van kommandant-generaal Potgieter en zijn partij, terwijl vier dagen later Pretorius en zijn aanhang kwam. De burgeroorlog stond nu op het punt om uit te barsten tusschen broeders van hetzelfde huis, doch ik betuig voor God, dat mijn geweer ongeladen was, want mijn hart was diep bezwaard en bekommerd om mijn volk. Ik zal den nacht van 15 op 16 Maart nooit vergeten. Het was een stille, vriendelijke nacht, en ik riep tot God om uitkomst. Voor zonsopgang den 16den gingen onze ouderlingen de voormannen spreken, en men kwam overeen, dat er in Potgieters tent een samenkomst zou plaats hebben. Het volk werd er van onderricht, en schaarde zich in diepe stilte en groote spanning voor de tent, want van deze samenkomst hing vrede af of broedermoord.
Ik ben niet licht vervaard, want mijn hart sloeg er niet sneller om, toen mijn geweer verleden jaar ketste en een leeuw mij tot op vijf pas afstands naderde, doch in dit oogenblik, nu het tentlinnen werd weggeslagen, sloeg mij het hart. Maar een kreet van gejuich en vreugde, vermengd met snikken en tranen, steeg omhoog, toen wij hen zagen staan, Pretorius en Potgieter, de vaders van ons volk, niet als grimmige vijanden, maar als verzoende broeders, elkander de hand drukkend boven den opengeslagen bijbel."
* * * * *
Er kwamen nog een groote reeks familieberichten en nationale gebeurtenissen, blijde en droeve, zooals het leven ze oplevert, doch eindelijk ontviel de pen aan de hand van den krachtigen, godvreezenden Gert Kloppers, en hij stierf.
En weer nam een andere hand de taak van kroniekschrijver over. Dat is de grijsaard daar voor u: Dirk, de oudste zoon van wijlen Gert Kloppers.
Maar ook deze hand zal weldra door eene andere worden vervangen, want als men drie en tachtig jaar oud is, staat men dicht bij het graf.
De oude man staat op van de tafel, en staart weer naar buiten, naar de groote zware wolken, die laag aan het zwerk voorbijtrekken en denkt aan het verleden, aan dien 17den October 1839.
't Is hem alsof het pas gisteren was gebeurd: de bruid in den dubbelen glans van schoonheid en jeugd, en de bruidegom met een hart vol idealen!
En die bruidegom was hij!
En die bruid heette Anna Jansen!
Zij had een ruiker van geurende veldbloemen in de hand die hij voor haar had geplukt aan den rand van een rotskloof.
Die dag, die bruiloftsdag--hoe was hij toch zoo vol geweest, van glans en van schoonheid!
En nu--! Wat is er van dat alles gebleven--!
Een oud man met het heimwee in het hart en een kleine grafheuvel onder de groene cypressen, daar achter in den tuin....
De grijsaard kijkt naar den ouden lindeboom voor 't huis.
De boom steunt en kraakt in het noodweer.
»Hoe lang hij 't nog wel maken zal!" denkt de oude man.
* * * * *
De wind wordt sterker; de ramen rammelen in hunne sponningen en de verwelkte bladen van de lindeboom dwarrelen tegen den grond.
»Dat is nu het leven van den mensch!" zucht de grijsaard, »een verwelkend blad, opgenomen door den wind, vertreden in slijk en modder!"
IJdelheid der ijdelheden--het is alles ijdelheid!
De mensch wurmt en zwoegt en slaaft in een wereld, die hem te eng is, en ten slotte neemt hij voor lief met het enge kamerke tusschen een paar schamele planken......
* * * * *
Maar Dirk Kloppers is een geloovige.
En opblikkend uit dit tranendal, dat den stempel der vergankelijkheid en ijdelheid op het voorhoofd draagt, ziet hij de onvergankelijkheid der toekomende stad.
En hij sterkt zich in zijn God. En de pen opnemend, schrijft hij onder den datum: »Mijne geliefde echtgenoote Anna, dochter van Barend Jansen, overleden in den ouderdom van bijna 82 jaren, na eene gelukkige echtverbintenis van 56 jaren. Zij is zalig ontslapen in haar Heer en Heiland, en hare gedachtenis zal in zegening zijn."
Het register is nu bijna vol; er schieten slechts een paar regels ruimte meer over.
»Nog juist genoeg, om mijn overlijden te melden," meent de grijsaard den grooten Staten-bijbel langzaam dicht slaande.
Dan staart hij weer peinzend naar buiten.
Nog altijd trekken groote, zware wolken door het luchtruim; stormwind giert om de woning, en de regen klettert tegen de ruiten.
Het landschap heeft een verlaten aanzien, en het firmament is grauwer dan lood.
HOOFDSTUK XXI.
Het was 28 December 1895.
Charles Marling zat, verdiept in het lezen eener Engelsche krant, in de woonkamer, en tegenover hem zat zijne vrouw.
Nu, de kranten waren vol nieuws.
Kort geleden, den 20 November, had Lionel Philips, de man, die vijf jaar geleden met 300 gulden op zak te Johannesburg was aangekomen en zich had opgewerkt tot meervoudig millionair, chef der firma H. Eckstein & Co. en vertegenwoordiger van eene der machtigste goudmijnmaatschappijen der wereld, ik zeg, deze man had pas bij de plechtige opening van het nieuwe gebouw der Kamer van Mijnen van Witwaterrand zijne groote rede gehouden, die uitliep op eene heftigen en bitteren aanval tegen de Regeering en den Volksraad.
»De houding der Regeering," zeide hij, »is de donkere wolk op den toekomstigen vooruitgang, en terwijl de arme, verdrukte Uitlanders zware belastingen moeten betalen, zijn zij van eene wettige vertegenwoordiging en van het kiesrecht verstoken. Deze toestand is echter ondragelijk!"
De Hollandsche regeeringspartij werd natuurlijk wakker uitgescholden, en uit de misplaatste grap van een Hollandschen zeeofficier, dat de Transvaal de beste kolonie van Nederland is, werd heel wat politieke munt geslagen.
Met deze dreiging eindigde Lionel Philips zijne rede: »Niets is verder van aller wensch dan een omwenteling, die waarschijnlijk op bloedvergieten zou uitloopen, maar hierop dient wel gelet te worden: niet altoos zal deze maatschappij zich onderwerpen aan het wanbestuur, en de Kamer van Mijnen zal haar best doen, om de heilige zaak van het recht en de gerechtigheid te bevorderen."
Deze rede had natuurlijk een groote beweging veroorzaakt, en de telegraaf had ze onmiddellijk wereldkundig gemaakt.
Doch George Farrar, bestuurder eener Mijn en populair onder de mijnwerkers, was nog een schrede verder gegaan dan zijn meester, de heer Philips, en had op een groote vergadering bij Boksburg de vraag gesteld: »Wilt ge mij helpen, als er eenige kastanjes uit het vuur te halen zijn?" En de duizende aanwezige mijnwerkers hadden geantwoord met een donderend »ja!"
Wèlke kastanjes behoefde George Farrar niet nader aan te duiden, en wèlk vuur evenmin. Iedereen wist het.
De goudstad was vol onrust, en aan den politieken horizon stegen de dreigende donderkoppen snel omhoog.
Marling legde de groote krant, het was de »Star", nadenkend neer.
»De toestand wordt ernstig," zeide hij.
»Ze zoeken iets," zeide Lena.
»Wien bedoelt ge?" vraagde Marling.
»Wel--de Uitlanders."
»Er _zijn_ grieven," zeide Charles met eenigen klem.
»Waar zijn er geen?" vraagde Lena.
Marling antwoordde niet dadelijk, doch nam het blad weer ter hand.
»Hier heb ik het manifest," zeide hij, »pas uitgevaardigd door het Hervormings-Comité van Johannesburg[12], en hij las het volgende:
[12] Dit manifest was geteekend door Charles Leonard, als voorzitter der Natienale Unie. Doch deze dappere man, die met zoo'n gloeienden welsprekendheid wist uit te weiden over de deugden der voorvaderen, ging aan den haal en vluchtte naar de Kaap, nog voor dat er een Boerenhoed van achter de klippen zichtbaar werd.