De Roos van Dekama

Chapter 6

Chapter 63,742 wordsPublic domain

Ter verklaring van dit gezegde moet ik den lezer het oude gebruik op de Friesche maaltijden herinneren om een opziener, _Siward_ (waarschijnlijk hetzelfde als het Engelsche _Stewart_) te verkiezen, die zorg moest dragen dat er geene ongeregeldheden geschiedden. Telken reize als de naam _Siward_ gedurende den maaltijd werd opgeroepen, stond het den gasten vrij de naast hen gezeten vrouwen of meisjes te kussen: en Adeelen had den vorigen dag, naar het schijnt, van dit voorrecht, hoewel te onpas, gebruik willen maken.

"Al had ik u verkeerd verstaan," zeide Adeelen: "dat was geene zaak om daarover alarm te maken, althans daar wij allen meer of min door den wijn verhit waren."

"Veroorloof mij, u te doen opmerken," zeide de Abt, "dat noch de edele Olderman, noch ik, noch Broeder Syard eenigszins de grenzen eener betamelijke welvoeglijkheid zijn te buiten gegaan."

"Broeder Syard!" hernam Adeelen, den monnik van ter zijde aanziende: "ik geloof het waarachtig wel!--de vrome man drinkt nooit iets als water."

"Broeder Syard handelt wijselijk en wel," zeide de Abt: "waren alle monniken hem gelijk, mijn vrome broeder de Abt van Lidlum ware niet vermoord geworden door zijn eigen monniken, omdat hij hun het wijndrinken beletten wilde."

"Voorwaar!" zeide Adeelen, luidkeels lachende: "met uw vriendelijk verlof, dat was ook een gestrengheid, welke niet veel beter verdiende, en welke gij, Heer Abt, wel nooit in 't werk zult stellen."

"Een weinig wijns is nuttig," zeide de Abt: "want wat zegt de apostel: _modico vino utere_, en ik heb altijd vrede en eensgezindheid onder de kudde van Sint-Odulf weten te bewaren, door den wijn niet geheel te verbieden, doch de onthouding daarvan aan te bevelen: en broeder Syard, die door zijn voorbeeld de matigheid aanprijst, vervult volkomen mijne bedoelingen."

"Mij dunkt, edele Seerp," zeide Aylva, na een ruim stilzwijgen, gedurende hetwelk de Abt zich van het langdurig verwijl, en Adeelen van het hem wedervaren ongeval op de voor hen staande spijzen krachtig hadden gewroken, "mij dunkt, hetgeen gij reeds gebruiktet, moet u de verloren krachten eenigszins terug hebben gegeven en u in staat gesteld, onze nieuwsgierigheid te voldoen, door ons een verslag te schenken van uw wedervaren."

De dienaars rezen op en vertrokken, en vader Syard maakte zich uit bescheidenheid gereed om hun voorbeeld te volgen, toen Adeelen hem verzocht weder te gaan zitten, daar men zijne hulp als klerk van het gezantschap waarschijnlijk behoeven zoude.

Adeelen deed vervolgens zijn verhaal, hetgeen door de aanwezigen met aandacht en belangstelling werd aangehoord. Zoolang het duurde scheen de Abt eenigszins onzeker of hij het gedrag, door den verhaler gehouden, al of niet moest goedkeuren; want ondanks zijn zelfvertrouwen, wanneer hij eenmaal een besluit genomen of een oordeel geveld had, had de goede Abt een bepaalden leiddraad noodig aleer hij zooverre kwam: hij zag dan ook beurtelings den Olderman en vader Syard steelswijze aan: het onverwrikbare gelaat van den monnik gaf hem geene hulp; doch toen op het voorhoofd van Aylva zich eenige rimpels vertoonden, welke ontevredenheid schenen aan te duiden, trok ook de Abt de wenkbrauwen samen en loosde, toen Adeelen zweeg, een diepen zucht. Er was een oogenblik stilte.

"Ik moet erkennen," zeide eindelijk Aylva, "dat ik aan u verplichting heb voor de edelmoedige wijze, waarop gij mijn dienaar zijt bijgesprongen. Gij hebt u als een waren Fries betoond, zoo niet als iemand, die met een gewichtige zending is belast. Wel is waar, gij hebt een weinig onvoorzichtig gehandeld, door u tegen de overmacht, en, wat meer zegt, tegen de overheid te verzetten, maar wie zou een zoodanige onvoorzichtigheid niet gaarne verschoonen? Bedaardheid en kalm overleg van jeugdig bloed te wachten, ware even ongerijmd als dat men den zoeten smaak van den room in een hoorn vol hoppebier wilde zoeken. Ik ben ook jong geweest en zou waarschijnlijk niet anders hebben gehandeld dan gij.... alleen spijt het mij, dat gij die Ridders, die u ontzet hebben, niet op ons maal genoodigd hebt."

"Dat zij in Friesland komen!" riep Adeelen uit, met kracht zijn drinkhoorn opvattende: "komen zij als vrienden, Adeelastins [4] staat voor hen open: komen zij als vijanden, ik zal hun den trots, die hen bezielt, verleeren."

"Hoe!" zeide Aylva, hem met verbaasdheid aanziende: "de dienst, dien zij u bewezen, schijnt weinig dankbaarheid bij u te hebben verwekt."

"Ik haat hen dubbel!" zeide Adeelen, "om dien dienst zelven. Wat kon mij erger overkomen, bij de eeuwige veete, die ik tegen alle Hollanders voede, dan weldaden van hen te genieten?"

"Indien u dusdanige gevoelens bezielen," zeide Aylva, op een scherpen toon, die hem anders niet eigen was, "dan verwondert het mij, dat gij een zending op u hebt genomen, die geheel van een vredelievenden aard is: althans zoo beschouw ik die en ook, geloof ik, de eerwaarde Vader Volkert."

"Voorzeker," zeide de Abt: "onze zending is geheel vredelievend!"

"Het betaamt mij niet, uwe bedoelingen te beoordeelen," zeide Adeelen: "wat mij betreft, ik weet wat mijn lastgevers van mij verwachten;--maar hoe dit ook zij, ik vertrouw, gij zult nimmer van mij vergen, dat ik het ontzag, aan Afgevaardigden verschuldigd, in mijn persoon zal laten hoonen: en dat een ernstig vertoog, door ons drieën bij den Graaf ingeleverd, mij recht zal verschaffen van de schelmen, die mij zoo onbeschaamd hebben aangerand."

"'t Is zeker," merkte vader Volkert aan, "dat onze waardigheid dergelijke onbetamelijkheid niet dulden kan; maar onze zending is vredelievend, gelijk ik gezegd heb: en daar blijf ik bij."

"Zoudt gij dan begeeren," vroeg Aylva, zich met eenige bevreemding tot Adeelen wendende, "dat de Graaf om uwentwille die dorpers liet opknoopen? Ware een dergelijke wraak een Edelman als gij zijt niet onwaardig?"

"Gij hebt gelijk," antwoordde Adeelen: "en ik verlang ook geenszins, dat er om mij te gelieven eenig boer of burger tot spijs der raven verstrekke;--doch het zijn voornamelijk de poorters van Haarlem, die mij beleedigd hebben; en hun stad moet voor hen instaan. Laat een bezending uit de Overheden mij om verschooning komen vragen, en ik zal de zaak als afgedaan beschouwen; doch ontvang ik geen genoegdoening, zoo verklaar ik onze zending afgeloopen, en vertrek morgen weer naar Friesland."

Niettegenstaande zijn ontevredenheid over den dwazen eisch van Adeelen, kon Aylva den glimlach niet terughouden, welken diens buitensporige taal hem afperste: zijn gelaat nam echter spoedig weder een ernstiger plooi: maar gevoelende, dat hij, door Adeelen tegen te spreken, slechts olie in het vuur zoude gieten, hernam hij op een minzamen toon:

"Ik dacht, gij hadt ons verhaald, dat de zaak door tusschenkomst van 's Graven edellieden was bijgelegd en dat gij over en weder vrede beloofd hadt."

"Ik weet wat ik beloofd heb," zeide Adeelen met trotschheid, "en zal het ook nakomen; maar ik heb niet beloofd, geene genoegdoening te zullen eischen. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan, mijne Heeren! en gij ook, Vader Syard! ik zal u verzoeken, een vertoog in den zin als ik het bedoel op het papier te stellen."

Dit zeggende, keek hij den monnik aan, die hem van zijn kant insgelijks aanstaarde met een strakken blik, die zoowel bevreemding als ongenoegen teekende.

"Hebt gij mij niet begrepen?" hernam Adeelen, bij wien die wijze van aanzien eenigen wrevel verwekte.

"Ik wacht," antwoordde de monnik, "dat de eerwaarde vader Abt en de Olderman mij mede hun wil doen verstaan."

"Recht zoo!" zeide vader Volkert: "ziedaar juist wat ik wilde gaan zeggen. Seerp Van Adeelen is niet alléén afgevaardigd, en mij dunkt dat wij, in een zaak van dat gewicht, niet naar zijne pijpen behoeven te dansen, om mij van een wereldsche uitdrukking te bedienen. Wat dunkt er den waardigen Olderman van?"

"Ik heb er niets bij te voegen," zeide Aylva, "dan alleen dit, dat, zoo Seerp Van Adeelen zich beleedigd acht, niets hem belet, zich bij den Graaf te beklagen, mits hij dit in zijn eigen naam en niet als Afgevaardigde van Friesland doe."

"En het is op deze wijze," riep Adeelen uit, terwijl hij de van gramschap vonkelende oogen van den eenen op den anderen liet rondgaan, "dat gij de eer van onzen landaard ophoudt? een landsman, een mede-afgevaardigde laat gij straffeloos hoonen en weigert gij uwe medehulp, wanneer hij vergoeding eischt. Vervloekt zij de dag, toen mijn landsluiden hunne keus op mij lieten vallen! vervloekt het uur, dat ik mij die liet welgevallen! vervloekt de heele zending, waarvan ik mij nooit iets dan rouw voorspeld heb."

"Bedaar Adeelen!" zeide de Olderman, "en bedenk u tweemalen, eer gij om een bijzondere zaak die van Friesland in de weegschaal stelt. Noch de hoon u aangedaan, noch uwe jonge jaren, zouden u tot verschooning kunnen strekken, indien gij in dit geval meer gehoor gaaft aan uw drift dan aan het belang uwer landslieden."

"Mijn jonge jaren!" herhaalde Adeelen: "zoo spreekt men altijd!--Men is altijd te jong of te oud. Ik heb toch de drie kruisen achter den rug en ben toch geen kind meer, al hebt gijlieden wat langer in de wereld rondgetuimeld. En gij moest niet vergeten, dat de stem mijner landgenooten mij gelijke rechten heeft toegekend als aan u: en dat, wanneer ik spreek, ik het in hunnen naam doe."

"En gelooft gij dan," zeide Aylva, terwijl zijn oogen getuigden van de edele verontwaardiging, die hem bezielde: "gelooft gij, dat ik minder dan gij ons Vaderland en onze eer bemin? Neen, indien ik de dwaasheden wensch te voorkomen, waartoe een kwalijk begrepen eerzucht u aanspoort, het is omdat ik sidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland kunnen teweegbrengen. Ik weet, dat gij er u niet over bekommert, of uw beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gij zelfs niets wenschelijker zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens, dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten."

"Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?" zeide Adeelen.

Aylva haalde zuchtend de schouders op: "ik zie, waarde Seerp!" zeide hij: "dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig onderwerp bepraat:--wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te voldoen. Vaarwel!"

Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer: een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn halsstarrigen ambtgenoot te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard.

Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen, den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met fonkelende oogen aan.

"Ik achtte u een echten Fries, monnik!" zeide hij.

"Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet," zeide vader Syard, "waarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben."

"Gij," vervolgde Adeelen, "gij, die mij aanspoordet vrede te maken met den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zou maken van onze verdeeldheden! gij, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen."

"Gelooft gij dan," zeide de monnik, "dat uwe mede-afgevaardigden dat vertoog zouden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft, bedriegt gij u zelven. Of waant gij in staat te zijn, alleen met uwe bloedvrienden en volgeren, de Hollandsche macht te weerstaan?"

"Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard ontbloot!"

"Dat valt nog te betwijfelen," hernam vader Syard: "doch zeker is het, dat noch de Camminga's, noch de Martena's, noch de Beyma's, noch een der vrienden van Aylva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen, dat het niet de zaak van Friesland, maar den bijzonderen wrok van Seerp Van Adeelen geldt. En wat zal dan het gevolg van uwe oploopendheid wezen? Niets anders, dan dat Graaf Willem u in ketens slaat, uwe goederen verbeurd verklaart, en gelijk Koning Rehabeam weleer, in stede van touwen, schorpioenen gebruikt om er Friesland mede te geeselen."

"Wij zullen ons in dat geval reeds van nu af aan het juk moeten gewennen; want èn uw nietige Abt, èn de gedienstige Olderman zijn even geneigd, blindelings al de vorderingen des dwingelands toe te staan, mits zij slechts den lieven vrede behouden."

"Er zal onmisbaar oorlog komen," zeide de monnik: "doch gij zijt de man niet, die hem verwekken moet. De vreedzame Aylva zelf zal zich eenmaal genoodzaakt zien, zijne landgenooten ten strijde op te roepen. Wees tot zoolang bedaard: een te onberaden driftbetoon van uwe zijde kan alles bederven. Beloof mij, om, eer drie dagen verloopen zijn, niet daaraan toe te geven: alsdan zal ik u mijne inzichten en verwachtingen mededeelen."

"De inzichten en verwachtingen van vader Syard!" zeide Adeelen, terwijl hij den monnik met een spottenden glimlach van 't hoofd tot de voeten bekeek.

"Een kleine worm doorknaagt soms een paal, dien een groote stier vergeefs poogt omver te stooten, en de verachte monnik zal wellicht verrichten, wat Seerp Van Adeelen en geheel zijn luisterrijk gezin nimmer kunnen volvoeren. Doch ga en kleed u: men moet geene Graven van Holland laten wachten."

Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en verliet het vertrek. De Edelman oogde hem een poos vol verbazing na, en begaf zich vervolgens naar zijn kamer, gedurig nadenkende over de vreemde uitdrukking, die de monnik gebezigd had, en over den onverklaarbaren invloed, welken deze over hem uitoefende.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De schoon-geveêrde Paauw aanhoorde met begeeren Het Nachtegaelken in de wilgen quinkeleeren, En werd byna verlieft op 't lieffelyck gezanck En 't goddelyck musyck, dat uyt de tacken klanck.

Vondel. Warande der dieren.

Ruim een half uur nadat het in het vorige Hoofdstuk vermelde onderhoud was afgeloopen, wekte een herhaald geklop aan de poort de aandacht van Feiko, die zich toevallig op het binnenplein bevond. Hij ging terstond opendoen en herkende de beide Ridders, die hem des morgens uit den nood hadden geholpen:--"Zijt welkom!" riep hij met een verheugde stem. "Ik had niet durven hopen u zoo spoedig terug te zien."

"Bevinden uw meesters zich nog te huis?" vroeg Deodaat, zonder af te stijgen: "ga hun zeggen, dat wij hier zijn om hen naar 's Graven jachthuis te geleiden."

"Ik ga terstond de boodschap doen: hunne Edellieden zullen in een ommezien gereed zijn. Hier, Sikko! Hidde! luiaards! waar zijt gij? Brengt de paarden van die beide Edellieden op stal. Gaat binnen, mijne Heeren! gaat binnen!"

"Wij kunnen evenzoo goed in den boomgaard wachten," zeide Deodaat, terwijl hij de teugels van zijn ros eenen dienaar in handen gaf; en, den arm van zijn vriend nemende, wandelde hij den hof in.

"Ziedaar ons den geheelen dag in touw, ten gerieve van dat Friesche gespuis," zeide Reinout op gemelijken toon: "de Graaf had de uitvoering van dezen lastpost ook wel aan anderen kunnen opdragen."

"Het is niemands schuld dan de uwe," zeide Deodaat: "wat behoefdet gij onze ontmoeting van hedenmorgen op het jachtslot te verhalen? De Graaf heeft ons gezonden, omdat hij begreep, dat wij, wegens den bewezen dienst, den Friezen de meest welkome geleiders zouden wezen."

"Vlei u daarmede!--Gij zult zien hoe vriendelijk die Adeelen ons zal aanzien.... ik zou voorwaar lust hebben hem een poets te spelen: ik geloof dat ik den kokeler, dien de Gravin voor hedenavond ontboden heeft, eenige grooten in de hand stop om hem te betrekken."

"Denk, hoe de Graaf dat op zou nemen; doch van dien kokeler gesproken, ik ben verlangend te weten of hij behendiger zal wezen dan Paolo. Heugt het u, hoe die ons, toen wij kinderen waren, met zijn kunsten wist te vermaken?"

"Wij waren toen kinderen, en met weinig tevreden:--ik hield niet van dien Paolo: hij sloeg mij altijd."

"Ja, omdat gij hem altijd tot overlast waart;--maar of onze heeren nog niet gereed zijn!"

"Indien zij niet spoedig komen, rijd ik weer heen," zeide Reinout.

"Dwaas!" zeide Deodaat: "zij wisten immers niet, dat wij komen zouden, en 't verwondert mij niet, dat zij lang werk hebben, althans Adeelen, wiens gescheurde hozen waarschijnlijk naar den snijder zijn. Intusschen verlang ik naar hun komst; want deze moesbedden zijn spoedig rondgewandeld en uw gezelschap is alles behalve opbeurend, in de aangename stemming, waarin gij u bevindt."

"Stil!" zeide Reinout, hem haastig in den arm grijpende: "luister!"

"Ik hoor niets," zeide Deodaat.

"Spreek zacht. Was het geen citer, die daar gestemd werd?"

"Een citer? Zou het lieve meisje van hedenmorgen ons een serenade geven, ten einde ons het wachten wat te verzoeten?"

"Bij onze lieve Vrouwe! men herhaalt het geluid! Dezen hoek om! hier komt het vandaan."

Deodaat volgde zijn vriend, en, de kerk omloopende, welke midden tusschen de andere gebouwen in den boomgaard vooruitsprong, bevonden zich de beide Ridders voor een klein afzonderlijk huisje, dat met slechts één, vrij hoog geplaatst raam voorzien was, uit welk raam de tonen herklonken, die hun ooren hadden getroffen. Aandachtig luisterden zij; maar hun verwondering klom hooger, toen zij bespeurden, dat die accoorden slechts het voorspel waren van een lied, hetwelk nu door een zuivere, smaakvolle stem werd aangeheven. De woorden waren Friesch en ongeveer van de navolgende beteekenis:

Zegt mij, vriendinnen! Gij die het weet, Baart ons het minnen Blijdschap of leed? Is liefde aan ons leven Tot vreugde gegeven, Of stort ze ons in zorgen en pijnlijk verdriet?-- --Ik weet het niet.

'k Hoor alle dagen, Vroolijk van zin, Liesken gewagen Van 't heil der min; "Zij voert ons tot zegen Langs bloemrijke wegen. 't Is hemelsche vreugd, die haar goedheid ons biedt." --Ik weet het niet.

Foelkjen daartegen Klaagt zonder end: "Ik heb dien zegen Nimmer gekend. Nooit vond ik die bloemen, Waar minnaars van roemen. Ach! dorheid en dorens is al wat men ziet."-- --Ik weet het niet.

Wat Liesken zeide Had mij verheugd; Maar Foelkjen schreide: Weg was mijn vreugd. Wat moet ik beginnen? Hoe zullen mijn zinnen Den twijfel ontgaan, dien heur rede mij liet?-- --Ik weet het niet.

'k Wil niet verhelen, Of, naar ik gis, Beî mijn gespelen Hebben het mis. Genoegen en smarte Schenkt liefde aan het harte; Maar wat weegt nu zwaarder, de vreugde of 't verdriet?-- --Ik weet het niet.

Het gezang had reeds een geruimen tijd aangehouden, toen nog de beide vrienden in aandachtige stilte onbeweeglijk stonden te luisteren. Intusschen hadden de betooverende tonen, welke zij gehoord hadden, op beider ziel een verschillenden indruk gemaakt. Het kalm gemoed van Deodaat gevoelde zich in die weldadige stemming gebracht, welke goede muziek altijd teweegbrengt op zielen als de zijne. Hij was met zich zelven en met de wereld tevreden: en hij verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig, zoo zuiver had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden. De bruisende ziel van Reinout daarentegen, aan wien die hemelsche zang de melodieën van zijn bekoorlijk vaderland herinnerd had, gevoelde zich in een andere wereld overgeplaatst; hij verbeeldde zich weder aan den oever van de Etsch of Anio de zuivere accoorden te hooren, door de welluidende orgelkelen der Italiaansche schoonen met zulk een onwederstaanbaar vermogen voortgebracht:--een brandend, weelderig verlangen bedwelmde zijn zinnen: en hij zou op dat oogenblik de wereld gegeven hebben om die hemelsche zangen, welke hem te meer bekoorden naarmate hij de woorden minder verstond, nogmaals te hooren, en de zangeres, die zijn gloeiende verbeelding met al de bekoorlijkheden van jeugd en schoonheid versierde, aan zijn kloppend hart te drukken of stervend van genot aan haar voeten neder te zinken.

"Waarlijk"--zeide eindelijk Deodaat: "het wachten zou mij nooit vervelen, indien ik altijd op een dergelijke muziek werd onthaald, doch hoe is het met u? droomt gij? of heeft dat lied u in slaap gemaakt? Gij zijt beter kenner dan ik; maar mij is het zeer goed bevallen!"

"Zeer goed!" herhaalde Reinout opstuivende: "en gij durft zeggen: zeer goed!"

"In waarheid," hernam Deodaat: "voor zooverre mij scheen, was de stem volkomen zuiver en ontbrak het der zangster niet aan gevoel; misschien zult gij zeggen, dat zij nog eenige leiding behoeft, om....."

"Zeer zuiver!.... geen gebrek aan gevoel!.... Deodaat! gij zijt de armzaligste, smakelooste aller menschen. Zijt gij een zoon van Italië? Ik heb er dikwijls aan getwijfeld; doch nu ben ik zeker van het tegendeel. Kunt gij zoo flauw, zoo afgepast spreken van de goddelijkste accoorden, die ooit menschenooren troffen. Die zangster was geen schepsel van klei en water: het was een engel, een heilige!--Santa Maria!--Zeer zuiver!.... veel gevoel!"

"Nu, wind u zelf maar zoo niet op: ik zal alles gaaf toestemmen, ofschoon het mij spijten zou, indien die lieve stem aan eenig ander dan een menschelijk wezen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder op mijn gemak;--doch hoe komt zulk een virtuose in 't gezelschap dier plompe Friezen?--de nachtegaal bij de kikkers?"

"Spreek mij niet van die Friezen.--Hoe kunt gij mijn zoete droomen door het noemen van zulke onbehaaglijke voorwerpen zoo wreedaardig verstoren?"

"Om u des te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige, flauwoogige, plompe Friesche deernen, waar gij hedenmorgen niets van wildet hooren."

"Zoo gij een ander waart dan Deodaat," zeide Reinout, half boos en half lachende, "zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood, dat gij zoo kwalijk spreekt van iemand, die ik van heden af voor mijne jonkvrouw verkies."

"Des te beter," zeide Deodaat: "want wij zouden ook geen tijd voor een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaapje schijnen gedaan te hebben; althans daar komt er een naar ons toe. In waarheid! die schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hij een beschaafd voorkomen heeft."

Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Aylva, die, in een donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houding nog beter deed uitkomen, naar hen toetrad.

"Het doet mij leed, edele Ridders!" zeide hij: "dat de onwetendheid, waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u met een bezoek zou vereerd worden, oorzaak is geweest dat gij u eenigen tijd zult verveeld hebben."