De Roos van Dekama

Chapter 51

Chapter 513,355 wordsPublic domain

Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden, van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg, die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de opmerkzaamheid, en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken: en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette, was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre dreef van zijn blonde haren onder een hoed of muts te verbergen) door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des vreemdelings, welke dit ongewone eerbewijs teweegbracht; want zijn kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie, en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijk lange dienstjaren gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof, de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerken kon, dat de kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende teweegbracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag, in de vastheid, waarmede hij in den zadel zat, en in de behendigheid, waarmede hij op zijn gevorderde jaren met zijn klepper wist om te gaan, een fraai, bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon, een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg, begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven; maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende, of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen, welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder een dusdanig onderzoek had in 't werk gesteld, bleef hij zoolang in diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen, dat zij geheel verdwaald waren.

"Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder," zeide hij met een ontevreden hoofdschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en dienaar ontstaan doet: "wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster."

"Dat zijn wij niet, Berthout!" antwoordde zijn meester, terwijl hij op een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene weiland oprees. "Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is, bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik een oogenblik weifel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal."

De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij geweten hebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren, de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de banden des slaaps te verbreken.

"UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen," zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een nabijgelegen kamp vermaakten: "ik zou het zelf wel doen, zoo ik slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter wereld begrijpen."

De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en, de stem verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje, dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen, hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden.

"Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?" riep de vreemdeling, zijn vraag herhalende.

"De weg naar Aylva-state!" herhaalden al de knapen: "Wel, Aylva-state ligt daarginder vlak voor u."

"Gij moet recht voor u uitrijden," vervolgde een hunner in zijn Frieschen tongval: "en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden boom komt, en dan rechtuit: en dan...."

"Wel, dat is een mijl op zeven," viel hem een ander in de rede: "gij moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten: en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf...."

"Ei neen!" zeide een derde: "hij kan immers hier dadelijk afstappen en 't land oversteken...."

"Dan moet hij slootje springen," riep een vierde: "want de vonder is weggehaald."

Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had, omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters tot een doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende, wendde hij zich tot de kinderen: "mij dunkt," zeide hij, "'t is voor vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien kameraden den weg wijzen."

Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere; en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen.

"Ik hoop niet," zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve, ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen, beschouwende, "dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden moeten staken."

"In 't geheel niet," antwoordde de Fries: "'t is toch hun tijd: komaan, Madzy!" vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: "rep u wat, kind! Sytsken mocht op u knorren."

"Madzy!" herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: "is dat kind een dochtertje van de Vrouwe van Aylva?"

"Hei! ho!" antwoordde de Fries, meesmuilende: "de Vrouwe van Aylva is nog kras en vlug; maar toch...." hier zag hij eerst de kinderen en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat hij om hunnentwille het verdere zweeg:--"neen!" vervolgde hij, op den grootsten der knapen wijzende: "deze hier, Juwe, is de jongste zoon van onze waardige Vrouwe--al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja: 't is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven te huis."

De reiziger scheen aangedaan; hij reikte eene hand toe aan den knaap, dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: "Ja! ik herken u!" zeide hij eindelijk: "gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder."

"Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt," hernam de knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende.

"Wilt gij het eens bezien?" vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het hem ter hand. "Ziezoo!" voegde hij er bij: "nu ben ik uw gevangene."

"Ik wilde op dit paard zitten," zeide de kleine Madzy, op den klepper des reizigers wijzende.

"Zijt gij dwaas, Madzy?" vroeg de oude dienaar: "dat Daamke u nu en dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er geen stuk van u terecht."

"Geef het lieve kind maar hier!" riep de oude krijgsman: "ik zal er zorg voor dragen of het mijn eigen was."

"Ja! ja!" riepen sommigen onder de knapen, verheugd: "gij zult het moeten aanzien, Feiko!" en meteen, het meisje opvattende, tilden zij het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het paard plaatsen.

"Zijt gij waarlijk Feiko?" zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen een kus drukte op de blozende wangen van het kind: "nu, wees dan zonder zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik, die eens in uw gezelschap Utrecht verliet."

"Wat duivel!" zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: "een Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet bedriegen....?"

"Neen, zij bedriegen u niet," antwoordde de reiziger: "zeg mij maar, is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen ontvangen?"

"U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding van u gehad."

"Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven," zeide Reinout, wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: "Ik begin thans echter oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen."

"Hoe!" zeide Juwe: "Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?"

De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar slooten over, en liep, zonder adem te halen, dwars over het land naar Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en dat wel in een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die allen rijden wilden, van 't paard gestegen, waarop er nu een vijftal zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield, daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen, reden op den langen degen des Ridders.

"Wij brengen u een gevangene, grootvader!" riepen de kleinen, als uit éénen mond.

"En dien ik niet hoop te laten ontsnappen," zeide Deodaat, zijn ouden vriend omhelzende. "Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom."

"Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben," beet Feiko al lachende zijn vrouw in 't oor.

"Stil!" duwde Sytsken haar man toe: "hoe kunt gij daarmede spotten? Ik ben er geheel van aangedaan."

Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van zijn avonturen.

Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen, de fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na den dood van dien volmaakten Ridder, dien _parangon de la Chevalerie_, gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden Du Guesclin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder dat hem echter al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden vriend te komen verteren.

"Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een oude kennis," zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: "mij eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht."

"Inderdaad!" zeide Madzy, glimlachende: "en hoe maakt het zijn Hoogwaardigheid thans?"

"Ja! wat zal ik u zeggen," antwoordde Reinout: "oud, jichtig en stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd, die waarlijk zoo weinig veranderd is," (hier fluisterde hij Madzy in de ooren) "dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande."

"O! dat is niets," antwoordde zij lachende; want de toon, waarop Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren, dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: "wij hebben hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden."

"Hoe!" zeide Reinout: "leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft hij nog altijd geneesmiddelen?"

"Neen," zeide de Heer van Aylva: "de vrome Abt en de waardige broeder Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen."

"Wel, mijn brave held, leeft gij nog?" zeide Reinout, zich omkeerende en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een zilveren beker op een schenkblad aanbood: "wel vriend! wij hebben ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen; daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf, denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera."

Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingertranken en gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapen van Aylva, op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende de Roos van Dekama om den rand gegrift was.

"Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?" vroeg Reinout, na het pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd.

"Ja!" antwoordde deze: "ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd met

DE ROOS VAN DEKAMA.

AANTEEKENINGEN

[1] Met dezen naam noemt men in Friesland de plattelands-heelmeesters, zonder daaraan echter het denkbeeld van kwakzalverij te hechten.

[2] Spreek uit: Alua.

[3] Can (hond) Francesco della Scala was een dier machtige Hertogen van Verona, wier schepter zich eens uitstrekte tot verre over de grenspalen naar Brescia, Padua, Frioul en tot aan Triëst. Zijne prachtige graftombe is nog in de kerk di S. Maria antica te Verona aanwezig, met het navolgende grafschrift prijkende:

Si canis hic grandis ingentia facta peregit, Marchia testis adest, quam saevo marte subegit.

[4] Stins, of steenen huis, was de benaming, welke in Friesland aan een slot of sterkte gegeven werd: Adeelastins is dus: het slot van Adeelen.

[5] Het zijn twee gekken.

[6] 't Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst.

[7] _Made_ ('t Engelsche _meadow_) is een groen veld, hiervan _zich vermeien_, _spelemeien_, voor: zich op 't veld vermaken.

[8] Droeve dagen zullen komen: Groote heeren zullen sneven; Vrede en vreugde zullen volgen: Roos en lelie zullen bloeien.

[9] De boog is gespannen, de pijl gereed, Die ras uw hoofd zal treffen.

[10] Eens dorpers onedele vlegel Zal u op het veld doodslaan.

[11] God zal u altijd bewaren Voor water, staal, hout en vuur.

[12] Herinner u Bianca van Salerno.

[13] De hond heeft het schaap opgegeten; Maar het lam zal weldra terugkomen.

[14] Waakt op de grenzen! De vijand is daar.

[15] De tijdingen, die u zullen komen, Zullen u vreugd en leed veroorzaken.

[16] Der Sirenen lied zal behagen; Maar droeve dood er op volgen.

[17] Dikwijls heeft hij die een mijter draagt Alleen den titel van Abt.

[18] Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen....

[19] Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.

[20] Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.

[21] Hypericum.

[22] Het liefelijke niets doen.

[23] Tegenwoordig het Stadhuis.

[24] De klapmuts had den vorm van een dwars opgezetten bisschopsmijter met de kleppen op zijde: de _hénin_ was een hooge hoed in den vorm van een suikerbrood, van welks punt een sluier afhing: de oordekker was een klein plat mutsje met twee dikke kussens, welke de ooren en de slapen bedekten en met juweelen en goud bedekt waren.--Van deze drie hoofdsieraden heeft het suikerbrood, schoon zeker het onbevalligste, het langst, ja over de twee eeuwen stand gehouden.

[25] Den _karoledans_ vind ik vermeld in den _Tournoi de Chauvenci_, gegeven in 't laatst der XIIen eeuw, beschreven door Jacques Bretex, in deze woorden:

Les dames main à main se tiennent Et tous ainsi comme elles viennent Se prend chascune à sa compaigne, Ne-nus hors ne s'i acompaigne, Ainsi s'en vont faisant le tor.

[26] Zoo noemde men voorheen de keuken.

[27] Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.

[28] Misschien slaapt hij alleen met de oogen.--Maar wat betreft het ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren.

[29] "Als Dekama zijne Roos verliest, En deze voor Friesland het zeenat kiest, Dan zullen, om haar te plukken, komen Vogels van alle wieken en veeren; Dan zal zij welken en verkwijnen, En 't hoofdje droef laten hangen; Maar weer bloeien en tieren, Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt."

[30] En geen _hoera_! zooals men tegenwoordig in alle liedjes en nieuwsbladen leest, en zelfs door krijgslieden hoort uitgalmen, als waren wij Kozakken geworden, en als had niemand het uitmuntend puntdichtje gelezen van den voortreffelijken Staring, dien kernachtigsten onzer hedendaagsche dichters.

[31] _Teylinger-Bosch_, bij den Vogelesang, niet te verwarren met _Teylingen_ bij Sassenheim.

[32] Dit was het teeken, dat de eigenaar een aanval vreesde en waarmede hij zijn vrienden waarschuwde tot ontzet aan te rukken.

[33] De Friezen waren gewoon, aan die gevangenen, welke zij voor vreemdelingen aanzagen, deze en soortgelijke spreekwijzen te doen opzeggen. Die dit zonder haperen kon doen, werd voor inboorling gehouden; maar de anderen zonder genade verdronken. Dit heette men _wapeldjepinga_ (waterdooping).

[34] _Hiera picra_ en _hiera gladii_ waren eene soort van artsenijen, voorheen in zwang. Zie Petras Blesensis _Lib_. _in Job_. I, alsmede het Receptenboek, in het voorbericht van dit werk aangehaald.

[35] Zie bl. 65.

In DE VIJFTIG-CENTS-EDITIE ZIJN VERSCHENEN:

No.