De Roos van Dekama

Chapter 50

Chapter 503,788 wordsPublic domain

Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewust was en den toestand kende van Madzy's hart. Hij was op den avond na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar Madzy's voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden, en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard, thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort: dat men hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van den Abt een diepe kuil gegraven was, waar al de binnen den grond van Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge hare bede, zorg zoude dragen, dat er zielmissen voor den overledene gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk geschenk toezeide ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en dan ontmoet had in de te Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten, zich niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude geweest zijn, al ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware.

Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de slotbrug de terugkomst des Burchtheers van het lijkfeest; en weldra trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf.

"Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn kind!" zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder de kin streelende: "wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even twaalf uren: 't Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te zitten:--nu, 't was ook slechts voor een Hollander; en dan met een Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. 't Is anders een hupsche borst onze Hoogwaardigste.... Sint-Odulf vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en innemend:--ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een kat in een bontwerkerswinkel:--maar van een lijkmaal te bestieren, daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp Van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen naar huis.--Zoo! en broeder Syard ook hier! 't Is of gij het geraden hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou."

"Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht," zeide de monnik: "en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier, wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben."

"Zeer goed! daar twijfel ik niet aan," zeide vader Volkert, zich nederzettende: "liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje!" vervolgde hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest om hem in een vroolijke luim te brengen): "gij moet u wat opbeuren; indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien, zouden wij genoodzaakt zijn u in 't vervolg de Lelie van Dekama te noemen: en dat ware jammer;.... hoewel misschien meer naar den aard; want gij voert toch een lelie in uw wapen."

"Bevindt gij u ongesteld?" vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende en haar de hand drukkende.

"Wel, zou dat wonder wezen?" zeide de Abt: "'t is ook wat erg, zoo twee vrijers op éénen dag te verliezen. 't Is waar, uw zoon kan nog terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te beproeven; want hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp Van Adeelen is dood en blijft dood. 't Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis; maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken, zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden."

"Helaas!" zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schudde en haar bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen des kloostervoogds prijkte: "ik vrees, dat het laatste gedeelte der voorspelling alleen onvervuld zal blijven."

"Toch niet, mijn hartje! toch niet.--Maar van wat anders: gij moet mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en saffraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten, ten gevolge van den brand van Sint-Odulf."

"Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen," zeide Madzy, zich gereedmakende om te vertrekken.

"Een oogenblik, mijn kind!" zeide Aylva, haar terughoudende; "het is onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen."

"Hoe, mijn waarde voogd?" zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een liefdewerk in persoon te verrichten.

"Hoe!" herhaalde de Abt: "maar 't is waar ook, ik dacht er niet aan, dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog meer nadeel zoude doen dan de wond. _Ne nos inducas_.... 't Is waar ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke, geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken."

"Tegen Daamke!" herhaalde Aylva: "en wat heeft die arme duivel bedreven?"

"Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid ten dienste van kranksn en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan, de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?"

"Ik heb het middel onderzocht," zeide broeder Syard: "het komt mij voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen."

"Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?" vroeg de Abt eenigszins ontevreden: "om 't even wat men u vertoond heeft: ik zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd: _libera nos a diabolo_: verlos ons van den Booze.--Maar, om van dien verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek, dat op Aylva-stins verwacht wordt."

"Geen gewoon bezoek!" herhaalde Madzy: "en wie kan er dan komen voor wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?"

"Het is zooals de vrome vader zegt," zeide Aylva: "de Bisschop van Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren, en wij zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben."

"De Bisschop!" herhaalde Madzy, verbleekende: "de Bisschop van Utrecht!"

"Nu ja!" zeide de Abt: "gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: 't is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden; maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen:--'t zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor, vroegen zij naar den Bisschop."

"Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!" mompelde Aylva binnensmonds:--"maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe te veel gevoel van betamelijkheid.--Nu Madzy!" vervolgde hij overluid: "doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als de beste kok."

"Ik zal.... ik zal uwe bevelen volgen...." stamelde Madzy: "maar ik vrees.... zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt.... Heilige Maagd! wie kon dat verwachten?"

"Wat verwachten?" vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er met minzaamheid bij: "'t is of gij angst hebt voor de komst van iemand, die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt: hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de slotbrug: daar is hij zelf."

"En een half dozijn vrouwspersonen met hem," zeide de Abt, uit het venster ziende: "wat heb ik u gezegd?"

"Waarlijk?" riep Aylva misnoegd uit: "dat had ik niet van hem verwacht."

"En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen," zuchtte vader Syard.

Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn; maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht te nemen: de Abt was bezig om zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan den grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien, welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten.

Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en de Bisschop trad binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid, schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had.

"Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama," zeide hij, met een vriendelijken blik tot den Olderman: "voorwaar! wie haar aanziet, kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal.--God zegene u, mijn dochter!"

Madzy boog zich, zonder nauwelijks het oog te durven opslaan: zij kon bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot naar sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien: inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg, rijkelijk met bont geboord, en van voren met een juweelen gesp gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat; maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van vader Volkert (die, achter Aylva om, niet ophield van haar wenken te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde, toen hield alle twijfel bij haar op.

Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerde meisje, en zich tot den Abt wendende: "al die teekens zijn niet noodig," zeide hij: "ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend.--Maar wie zien wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en geef mij de hand.--Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne Heeren! dat ik dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop, ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen;--maar ik zou bijkans iets vergeten.--Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn gezelschap.... een vrouw van rang.... en zij is de eerste jeugd ook al voorbij;" haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: "gij weet, broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk, (Sint-Odulf zonder ik uit)--en ik zal hier geen slecht voorbeeld geven:--die dame is eenigszins ongesteld:--zoude ik de jonkvrouw mogen verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden?--Zij bevindt zich in de benedenzaal."

Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunnen aangrijpen van zich uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal, waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had, zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke, dat over de onbekende verspreid was. Haar kleeding was eenvoudig en hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd; maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé, in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweegbracht, dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om dacht om haar als een schoon beeld te bewonderen.

Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met eerbied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen was te bewijzen. De vreemde dame, aan wie de Friesche taal onbekend scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van Madzy's woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had (want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen) en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar, er zijn menschen, die als het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een toekomst aanbrachten, maar ook een verleden.

De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering, en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen, en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken, die door haar meesteres was uitgezonden om ververschingen te halen, haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in 't oor, welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende, om tot hare hulp toe te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam, stoof er iemand, in 't geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen; doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan.--Voor wij echter aan onze lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren.

"Gij ziet," zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot den Olderman, "dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb, als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland te brengen, hier aanwezig zijn?"

"Zij hebben ons herwaarts vergezeld," antwoordde Aylva: "niemand behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn, heden met u af te reizen."

"Ik weet niet," zeide Arkel, glimlachende: "maar ik geloof, dat ik slechts een van beiden zal kunnen medevoeren."

"Hoe!" zeide Aylva: ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid...."

"_Homo proponit: sed Deus disponit_," zeide de Bisschop, de schouders ophalende: "maar ik zal het u zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!" vervolgde hij, ziende dat de monnik zich uit bescheidenheid wilde verwijderen: "de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft, van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen."

"Bij alle Heiligen!" riep Aylva: "zou het mogelijk kunnen zijn dat...."

"Dat ik er u tijding van gaf?--Zeer waarschijnlijk. Mij is in de vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit Verona bracht."

"Uit Verona! Leeft.... leeft Bianca di Salerno nog?" riep de Olderman, in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende.

"Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer," zeide Arkel: "zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote, die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven."

"God zij geloofd en geprezen!" riep Aylva: "haar lijden heeft dan een einde genomen."

"Zij wilde wel weten," vervolgde de Bisschop, "of de Heer van Aylva, wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt: en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della Scala had toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willem (zaliger gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen."

"Of ik haar nog liefheb?" vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans geheel verwilderd: "o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te beminnen!.... ik gevoel mij weder jong.... de dagen onzer jeugd, de dagen onzer liefde zullen terugkeeren.... ik zal naar Verona gaan.... ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil.... ik zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!"

"Reinout is haar zoon niet," zeide Arkel: "zoomin als de uwe."

"Niet!" herhaalde Aylva: "en wie dan...."

"Bij al wat heilig is!" riep vader Syard, zich voor den Bisschop nederwerpende! "Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is, verscheur dan het hart eens vaders niet."

"Verscheuren!" zeide de Bisschop: "is Deodaat dan geen Ridder, wien elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?"

"Deodaat!" gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing.

"Ach!" zuchtte de monnik: "het is al te waar! Deodaat ligt onder het puin van Sint-Odulf begraven."

"Neen Broeder!" zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende: "Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster gevonden: de Heer van Aylva en ik werden er alleen van onderricht, en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was, dacht de Olderman, beter, dat zij den knaap dood waande, dan dat zij een hopelooze liefde voor hem bleef voeden:--en nu had de Bisschop ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende, zou met zich voeren;.... maar de Heer van Aylva is niet wel! hij moest wat schrikpoeder nemen."

"Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!" riep de monnik: "ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier is het geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wij u dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren beschouwden."

"Ik kan niets lezen," zeide Aylva, die, overstelpt van aandoeningen, in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden: "maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers gezegd!"

"En behalve de getuigenis van uw hart," hernam Arkel, "hebben wij ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca's vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera."

"Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad," zeide vader Syard: "het oordeel over hem komt Gode alleen toe."

"Uwe bestraffing is billijk," zeide de Bisschop: "en ik verdien haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan 't hart drukken?--Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig."

"Bianca!" riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop toetredende: "nog wel waardig!.... gij hebt haar dan gezien?.... o Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zijt gij een engel of een mensch?"

"Zij kon niet in Friesland komen," vervolgde Arkel, dat vraagpunt in 't midden latende, "eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden."

Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon.

* * * * *