Chapter 5
Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende, van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken, droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: 't geen vooral daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht, behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis, welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben, en naast de deur was een zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde, de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind, doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen.
Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken, ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven, en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken.
Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd, weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal soms terug zullen moeten komen, niettegenstaande zoowel de Graven van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter afwering des vijands vereenigden.
Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden, zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan als een Rechter of Stadhouder van 's Rijks wege aangesteld, en dat zij alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn, gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun onafhankelijkheid door 's Keizers leenmannen bedreigd werd.
De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het gezag der ambtenaren, in Friesland van 's Graven wege aangesteld, werd weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen, en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken, en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde, om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen, begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam, de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten behandelen en alle pogingen in 't werk te stellen, om hen tot het behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond, en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden, en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het met de noodige meubelen deed voorzien.
Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt (want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid), uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren.
Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog, droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en voorkomen geprent hadden, en het droefgeestige floers, dat zijn oogen benevelde, was echter zulk een majesteit, met zachte welwillendheid getemperd, over al zijn wezenstrekken verspreid, en blonk een zoo ongemeene uitdrukking van scherpzinnigheid op zijn gelaat, dat niemand hem beschouwen kon, zonder met belangstelling en eerbied te worden ingenomen. Al zijn wendingen en manieren waren edel en welgepast: zijn taal was altijd kiesch, ofschoon gepaard met die vrije rondborstigheid, welke bij de meesten zijner landgenooten in boersche plompheid ontaardde: en schoon hij den Frieschen tongval bezigde, kon men aan zijn wijze van zich uit te drukken al ras gewaarworden, dat hij ook andere landen bezocht had, en in hun talen geen vreemdeling was. Zijn buitengewone bekwaamheden hadden hem dan ook sinds lang de achting en het vertrouwen zijner landgenooten doen verwerven; want niet slechts was de Heer van Aylva (dus was zijn naam) geroepen geweest, om de waardigheid van _Olderman_ of eersten ambtenaar in de stad Leeuwarden te bekleeden; maar ook was hij tot lid benoemd van de zending, welke nu Frieslands belangen bij den Graaf kwam behartigen.
De derde persoon was aan het lager einde der tafel geplaatst, niet, gelijk de beide vorigen, in een gemakkelijken leunstoel, maar op een nederig houten schabelletje, en droeg eenvoudig het gewaad der Benedictijners. Zijn magere, door onthouding en studie vervallen en verbleekte gelaatstrekken, duidden schranderheid van geest en vastheid van karakter aan, en zijn daden hadden deze uiterlijke kenteekenen nooit gelogenstraft. Schoon geene waardigheid in de Sint-Odulfsche _hiërarchie_ bekleedende, oefende hij over zijn broeders dat gezag uit, hetwelk de min verhevene zielen onmisbaar onderwerpt aan den invloed van de zoodanigen, die met rijkere vermogens van verstand en geest door het Opperwezen begiftigd zijn:--en geen besluit werd ooit genomen, geene benoeming gedaan, geen brief van eenig aanbelang geschreven, waar broeder Syard niet over geraadpleegd werd. Daar hij zich echter nooit op zijn meerdere bekwaamheid liet voorstaan, en noch eer- noch heerschzucht, maar slechts dienstvaardigheid en ijver voor het belang der orde zijn daden bestuurden, was hij de afgunst en jaloezie zijner broederen ontgaan. De nederige wijze, waarop hij in zijn raadgevingen en hulpbetoon altijd zich zelven op den achtergrond plaatste, en het genomen besluit niet als uit zijn brein gesproten, maar als een gevolg van het algemeene gevoelen der vergadering deed voorkomen, had hem niet slechts de toegenegenheid der broederen, maar ook de gunst van den Abt gewonnen. Deze, vol vertrouwen in zijn eigene kunde en bekwaamheden, en overtuigd, dat een Abt van Sint-Odulf onfeilbaar moest zijn, wist zich zelven altijd op te dringen, dat er nooit een ander besluit werd aangenomen, dan hetgeen hij aan de hand gedaan had, en dat Syard altijd juist den raad gaf, welken hij zelf voornemens was aan te bevelen. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn eigen oordeel hoe langer hoe hooger schatte, terwijl hij gewoon was van den monnik te zeggen: "broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijn bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten. Zoo hij wat meer overwicht bij de broeders bezat, zou hij niet ongeschikt zijn, om den ouden broeder Prior te vervangen."
Het was dan ook geenszins uit gebrek aan zelfvertrouwen, of uit een gevoel van behoefte aan de raadgevingen van broeder Syard, dat de Abt hem met zich genomen had op zijn reis naar Holland: een andere oorzaak had hiertoe aanleiding verschaft.
Reeds sedert een geruimen tijd waren in Friesland de twee partijen ontstaan, van welke ik hierboven heb gewag gemaakt, en welke zich omtrent het jaar 1280, nadat zij lang zonder bepaalde leuzen gewoed hadden, door onderscheidene teekenen, levenswijs, en de benamingen van Schieringer en Vetkooper, van elkander onderscheidden. De Vetkoopers waren, gelijk later de Kabeljauwschen in Holland, de voorstanders der zich langzamerhand ontwikkelende nijverheid, en hun leus werd voornamelijk door de ingezetenen der steden, en door de nieuw opgekomen geslachten gevolgd; terwijl de partij der Schieringers uit den hoogen adel en de aanhangers van het oude bestond.
Dan, het waren niet slechts de edelen en steden, die deel namen in dezen noodlottigen burgertwist: ook de kloosters, die in groot aantal in Friesland bestonden, mengden zich daarin en ontzagen zich niet, somtijds de partij, welke zij aankleefden, gewapenderhand te staven. Zoo bestond er onder anderen een geweldige veete tusschen het klooster van Lidlum en dat van Bloemkamp, welke beide in rijkdom en aanzien wedijverden, en waarvan het eerste de Vetkoopers, het laatste de Schieringers aanhing. Seerp Van Adeelen, wiens goederen aan de abdij van Bloemkamp paalden, had dit gesticht zijn bijstand toegezegd, en Lidlum werd met een vernielingsoorlog bedreigd, toen de Abt van Sint-Odulf aan de twistende partijen zijn bemiddeling in de gerezene geschillen door het orgaan van broeder Syard liet aanbieden, aan welken laatste het werkelijk gelukte, door zijn krachtige vertoogen en de herhaalde gesprekken, welke hij met de beide kloostervoogden en met Adeelen hield, de verzoening tusschen hen te bewerken. De monnik had zich bij die gelegenheid het vertrouwen des onrustigen jongelings verworven, en toen kort daarna deze laatste met den Heer van Aylva en den Abt van Sint-Odulf naar Holland werd afgevaardigd, en deze zijn voornemen te kennen gaf om een der broeders met zich te nemen, om als klerk bij het gezantschap te dienen, was het niet vreemd dat Adeelen hem verzocht zijn keuze te dien einde op broeder Syard te vestigen, hetgeen de Abt gereedelijk toestemde, daarbij tevens aanmerkende, dat broeder Syard wel geen man van hooge vlucht was, maar doorgaans zijne bedoelingen goed begreep en zeer bruikbaar was tot allen zoodanigen arbeid, die ijver en nauwgezetheid vereischte.
Indien er eenig onderhoud tusschen de drie personen, wier aanduiding wij thans gegeven hebben, had plaats gehad, het was, naar het scheen, sedert een geruimen tijd afgebroken. Op het gelaat van den Edelman zoowel als op dat van den Abt was ontevredenheid en bezorgdheid te lezen, uit een gelijke oorzaak gesproten, maar naar het karakter der beide personen verschillend gewijzigd. Het was duidelijk te zien, dat de Heer van Aylva ongerust was over het uitblijven van Seerp, wiens aard hij kende: en de blik, welken hij nu eens naar de deur, en dan weder op den monnik wierp, gaf te kennen, dat hij gaarne gezien zoude hebben, dat deze hun wegblijvenden ambtgenoot eens zou gaan opzoeken. Doch de vrees, dat Adeelen een dusdanige bezorgdheid wellicht ten kwade zou duiden, en opvatten alsof men hem voor een kind aanzag, dat niet op zijn tijd te huis komt, weerhield hem om woorden aan zijn gedachten te geven. Wat den Abt betrof, diens oogen vestigden zich ook menigmalen op de deur, doch meer nog op het tinnen bord, dat voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om het middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts op Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook hij weerhield zich lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij, een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging, welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde.
Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans: "ik weet niet," zeide hij, "of de regelmatigheid, aan welke ik in mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt, onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren, die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig heeft om goed te zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze niet deugt, wanneer zij te koud of te gaar is."
"Wij zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren," zeide Aylva: "ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ontmoet!"--en een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende, blies hij een paar schelle noten.
Een dienaar verscheen.
"Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?" vroeg Aylva met eenige ontevredenheid.
"Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan," was het antwoord: "en geen van beiden is nog terug."
"'t Is vreemd!" hernam de Olderman: "Feiko is anders niet gewoon, misbruik te maken van mijn goedheid."
"En is Seerp Van Adeelen ook nog niet terug?" vroeg de Abt haastig: "'t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten."
"Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van zijn wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, indien wij ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven."
"Erger!" herhaalde de Abt: "ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te huis kon gelaten worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen, zoo zij ons niet in ongeval brengt."
Vermoeid van dezen langen volzin te hebben uitgesproken, schonk zich de Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor hem stond: en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat hij den ganschen inhoud in zijn maag had overgegoten.
"'t Ware toch misschien voorzichtigst," zeide Aylva, "een paar dienaars uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij kan verdwaald zijn: misschien is hem een ongeluk overkomen."
"Dienaars uitzenden!" zeide de Abt met een angstig wezen; "wij hebben waarlijk niet te veel knapen in huis: en zoo er hier eens van die rauwe kermisgasten aankwamen om ons arme vreemdelingen te overvallen, waren wij van alle hulp ontbloot."
Vader Syard rees van zijn zitplaats op.
"'t Is waar," zeide hij, "dat indien de edele Seerp Van Adeelen in twist geraakt is, het misschien gewaagd zou zijn, dienaars uit te sturen, wier kleedij hen zou doen herkennen en in 't zelfde leed brengen, zonder dat zij van eenig nut zouden kunnen zijn. Ik bied mij aan, hem te gaan opzoeken. Mijn gewaad zal mij althans overal ter bescherming zijn."
"_Optime! carissime frater_," zeide de Abt: "gij begrijpt mij volkomen: ziedaar juist wat ik u vragen wilde. Tracht eenig naricht in te winnen en breng het verloren schaap, _ovem deperditam_, weder in de kooi terug. Zeker heeft hij hier of daar weder twist gezocht, gelijk hij zoo dikwijls doet, en waar de monniken van Lidlum van weten te getuigen. Seerp Van Adeelen is ongemakkelijk als hij begint, en hadt gij, broeder Syard, met hem indertijd niet gesproken, gelijk of ik zelf het gedaan had, de zaken waren zoo gemakkelijk niet afgeloopen voor onzen Lidlumschen broeder."
Nauwelijks had de Abt gedaan met spreken, of de man, die het onderwerp van het gesprek had uitgemaakt, trad met drift de kamer in, smeet de deur achter zich toe en wierp zich zonder een woord te spreken in een armstoel.
"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de Abt, vervaard over zijn uitzicht: "waar hebt gij gezeten? en hoe komt gij aan die geweldige kleur? Gij zult een _calmans_ moeten nemen, waartoe ik kan aanbevelen een gelijkelijk mengsel van salpeter, kreeftsoogen en zout, een middel, waarbij broeder Bonifaas, die wat schrikachtig is, zich bij het laatste oproer zeer wel bevonden heeft."
Adeelen zweeg; doch toonde door het inzwelgen van een teug wijns, dat hij vooralsnog van het aangeprezen recept geen gebruik dacht te maken.
"In waarheid," vervolgde de Abt, "zoo ik mij niet bedrieg, uw kleederen zijn bebloed en gescheurd, als waart gij met de Vetkoopers aan den gang geweest."
"Het verheugt mij u te zien," zeide Aylva, zijnen ambtgenoot de hand reikende: "ik hoop slechts niet, dat gij u in ongelegenheid hebt bevonden:--hoewel ik vrees dat dit het geval is geweest."
"Nu geen woord," riep Adeelen met drift: "aan tafel!--daarna zal ik u alles verhalen:--'t is niet, dat de zaak zelve van belang zij, doch men kan er ten minste uit opmaken, hoe men hier over ons denkt."
"Ja gewis! aan tafel!" zeide de Abt: "gij zijt lang genoeg uitgebleven om uw honger te scherpen: en den onzen ook, dat beloof ik u."
Zoodra dit verlangen geüit was, verliet de dienaar, die nog altijd binnengebleven was, het vertrek en keerde spoedig met zijn makkers terug, die het middagmaal aanbrachten.
"Mij dunkt, gij zijt er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen," zeide Aylva met een ontevreden blik tegen Feiko, die zich mede onder de dienaars bevond.
"Ik verzeker UEd.," zeide Feiko, "dat zonder Jonker Seerp uw trouwe Feiko hier geen schotel zoude binnenbrengen."
"Ik ben hem dank verschuldigd," zeide Aylva: "doch hiervan straks nader:--wij moeten het geduld van onzen waardigen Vader Abt niet langer op de proef stellen."
Het middagmaal werd nu opgedragen, waaraan de monnik en de dienaars, naar het toenmalig gebruik, mede deelnamen, ofschoon aan een bijzondere, langwerpige tafel, terwijl de Afgevaardigden aan de schijf bleven zitten. Een ledige stoel, die zich nog aan deze laatste bevond, werd op last van Aylva weggenomen.
"Hoe!" vroeg Adeelen, zoodra hij dit opmerkte: "krijg ik hedenmiddag mijn gewone buur niet aan tafel?"
"Madzy heeft verkozen, dezen middag haar kamer te houden," antwoordde Aylva: "zij klaagt over hoofdpijn."
"Ik hoop, dat die spoedig zal geweken zijn," zeide de Abt: "maar zou haar in allen gevalle raden eenige druppels vitriool te gebruiken, opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven dat men voor haar bereide."
"Is 't mogelijk dat zij ongesteld is?" zeide Adeelen: "na al de bekers, die ik gisteren op haar gezondheid geledigd heb."
"Ik geloof zelfs dat gij er te veel geledigd hebt," zeide Aylva, "en dat dit juist de oorzaak is van haar wegblijven. Wie het hart van een vrouw wil winnen," voegde hij er halfluid bij, "moet beginnen met zich zelven te betoomen: en dat deedt gij gisteren niet."
"Hoe!" riep Adeelen: "is het nufje verstoord, omdat ik haar een onnoozelen kus heb willen geven naar Friesche wijs, toen de _Siward_ werd opgeroepen."
"Er werd geen _Siward_ opgeroepen," zeide de Abt: "ik was het, die Broeder Syard riep en dit hebt gij verkeerd verstaan."