De Roos van Dekama

Chapter 49

Chapter 493,614 wordsPublic domain

Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het brok steens, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker rustende: ja somtijds omvatteden zij een over de bouwvallen liggenden en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking, welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden.

"Daarheen!" fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van een omgestorte plank latende afglijden, waren beiden weldra, schoon met deerlijk gebrande handen, nabij de opening.

"Hier is de kelder van de vrome vaders," zeide Zweder: "of ik bedrieg mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik het er voor, dat wij vooreerst gered zijn."

En, de handen aan 't werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steens en gezengde balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun makkers, ontdekten.

"Die arme halzen!" zeide Zweder: "zij trokken nog kort geleden zoo wakker met mij de kerkramen door.--Maar wacht! zij kunnen ons nog na hun dood van dienst zijn!"--En meteen zich van zijn kuras ontdoende, gespte hij het om een der lijken; terwijl Deodaat, zijn oogmerk radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in hun schuilplaats kropen.

"Ongelukkig," zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, "dat al de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een frisschen dronk, al was het dan ook maar koud water."

"Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede Zweder!" zeide Deodaat: "en bovendien moet gij u niet te zeer beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans, door de dorstige monniken bezocht te worden."

"Dat is waar!" zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: "want waar iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart."

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblyden Door 't wercken van de tydt, die alles openbaerdt, Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.

Rodenburg, Melibea.

Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige kalmte, gelijk aan die, welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had het vuur des ijvers, dat na den afloop van den slag in aller oogen fonkelde, en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden, die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten hadden, geleken thans op vreesachtige schoolknapen, die, na in een opstand hun leermeesters en opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen.

Een schouwspel, hetwelk, op den elfden dag na de overwinning, aan Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene somberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen, als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig en naakt, verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg, die langs het vischrijke meer van Parrega, van Workum naar Bolsward geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig was met het ophalen zijner vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware, dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de kruin en zeide een _pater_ op. De doggen, die voor stulp of hoeve waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester, die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden, waarvan zij zich nauwelijks rekenschap wisten te geven, hun boezem in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en wisselvallige der ondermaansche zaken.

En wel was die optocht geschikt om de zielen tot nadenken te bewegen; want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaats te brengen: en in die lijkbaar was het half vergaan en ellendig overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die, weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaren hoogmoed, den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman der Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld vervuld had?--Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet, berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist stond uit te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland tot een eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest.

De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen, hun plaats overlatende aan de monniken van Bloemkamp of Oldeklooster, die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd met hun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand, bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede hun weerloozan vijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden, die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een binnenlandschen krijg te bezoeken.

Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het, die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En, wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond; want niemand had zich aldaar over den rang of de hoedanigheid der omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld, om op het slagveld te blijven rotten:--een wreedaardig gebruik, waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon waren hun verachting voor hun vijanden uit te drukken.

Het was dan ook alleen het lijk des Graven, hetwelk de Friezen, op het smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon (dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte kon de Haarlemmer zijn wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan, het overschot zijns meesters met zich te voeren, en men bepaalde, dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven worden. Lang duurde het, eer men het misvormde lijk van onder den stapel der half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen der vriendschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange, golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden, te herkennen.

Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte en door een twaalftal knapen werd gedragen, volgden eenige lieden, zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij, die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypaert, de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijns meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen, omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door de Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke, ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde te bedwingen, liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een gewone dorper was onder den grond gestopt.

De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel des Graven koelde, of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af.

Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn tocht bereikte, zijnde het Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren, en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af tegen de grove gestalte en het plompe uitzicht van den Abt van Lidlum, tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende, boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariƫngaarde, of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen, onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem met het lijk aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren, en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder, waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn gelukwenschingen over te brengen en tevens voor 's Graven lijk een eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen, dat men, hem hoorende spreken, zich tegen beter weten aan gedwongen gevoelde, zijn betuigingen voor goede munt aan te nemen: en ten anderen waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning versuft: de Stellingwervers en het Oversticht waren gewapend: en men wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben.

Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden, toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening en van het plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen; en toen hij na afloop van den dienst en aan het daarop volgend lijkmaal, over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over 'sGraven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche grootheid te onderhouden.

Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag van Utrecht verbroken, en liepen 's Bisschops dienstmannen Holland af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land brandschattende.

* * * * *

Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij Scadaert in Wonseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende) met die beschrijving een weinig vrijer zou kunnen omgaan, dan voor onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met smaak en pracht gemeubileerd. Voor 't overige was het, uithoofde eener oude gehechtheid, Aylva's geliefkoosd verblijf, ofschoon deze eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner stinsen bezat.

Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins gezeten. Zij scheen door eene diepe smart ter neergedrukt en slechts onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding, welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift, dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was intusschen niet verheven genoeg, om hem aan te drijven den Olderman te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State, waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds bezig was met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden, had zoodra de komst van Reinouts dienaar niet vernomen, of zij liet hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman, of zij verlangde den brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn, waarvan de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar, dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd, gaf zij last aan Daamke, zich onmiddellijk naar Stavoren te begeven, den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen; maar op dit zelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige bericht gaf, dat Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat, wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets wist) het stilzwijgen op: zij bedwong, zooveel dit in haar vermogen was, de aandoeningen harer ziel, terwijl de tranen die zij stortte, door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat, dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwelijk verraad bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van 's jongelings vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld eenigszins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en Madzy's eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan haar droefheid den vrijen loop kon laten.