Chapter 47
"Van harte gaarne," zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende, reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong.
De medestrijders van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het Klif op het strand, tot de knieën in 't water, omringd van zijn bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout te paard van het Klif kwam af hollen, de hem in den weg staande monniken onderstboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem den oorlogskreet weergalmen deed van: "Holland! Holland! Beaumont _à la rescousse_!" Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel als het weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl boven het hoofd des grijzen oorlogsmans had opgeheven, een vuistslag gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten, half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter door de manschap in de sloepen bespeurd geworden en met alle macht roeide men naar hem toe.
"Blaas den aftocht!" zeide Martena, die juist op het Klif aankwam: "daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de Friezen hun bespringers ontvangen."
Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hun landing aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren, waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof, hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied; daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op 's Graven schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.
Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van 's Graven vaartuig en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd, en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij aan de zijnen wist in te boezemen--voelde een angstige huivering door zijn aderen varen, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden, bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.
Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in 't rond weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had, deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:
"Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester."
"God geve!" antwoordde de bezorgde Edelman, "dat het de lijktoorts onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp," (en hij wees op de smeulende puinhoopen van Norwert) "maar waar zijn de handen, die het aangestoken hebben?"
"Wellicht reeds in het binnenland," zeide Walcourt, "en bezig om dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand, die ons het inrukken zou beletten?"
"Gij zijt een vreemdeling," hernam Teylingen, "en kent den aard en de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gij hen als vorschen voor uwen voet zien opspringen."
"Het zij zoo," hernam de luchtige Henegouwer: "wij zullen hen dan als vorschen vertrappen."
Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die door den Graaf over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te bespieden, in aller ijl terug met de schrikbarende tijding, dat het geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende Hollanders in wanorde voor de overmacht des vijands terugtrok.
Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en, dien beklommen hebbende, zag hij uit zijn oogen het bedroevende schouwspel. Het waren de Baanrotsen van Merwede en Antogne, die, vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen en op de vlucht gedreven.
"Ontplooit de banier!" riep de Graaf, zich omwendende: "en voorwaarts! op die muiters aangerukt!"
"Graaf! in den naam van alle Heiligen!" riep Teylingen, die na hem op den dijk gestegen was: "wat wil uw Genade verrichten? Beschouw ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons wachten, tot de overige vaartuigen aankomen."
"Zijt gij bevreesd, Teylingen?" vroeg Willem, terwijl hij te paard steeg. "Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!"
"Graaf!" vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende, en zijn paard bij den teugel houdende: "o! ik bid u! veracht den raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes Wat kan het uw eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang blootstellen?"
"Laat af!" riep de Graaf, toornig: "wie bevreesd is, moge naar de schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!"--En, zijn paard de sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk gehouwen had.
"In Gods naam!" zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: "laat ons dan medegaan en met hem sterven."
Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine, maar dappere hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de slachting ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat, zonder orde of leiding, maar met een onwederstaanbare woede en dorst naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam aansnellen, gedeeltelijk over slooten, heggen en dijken heen sprong om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden, hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers en perken lands hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van achteren, de zwaargewapende volgers des Graven bestokende. Het was een vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij, soms zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten, met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want het was meest op de strijdrossen, dat men het geladen had: en het leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten.
Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers met ieder oogen blik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende, dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte geene dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde werd langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven te vechten, de een vroeger, de ander later vielen onder de bijl- en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen, den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen, allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der dapperen, die hij ter nedergeveld had, noch hun beroemde naam was hem genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem ondervonden. Terwijl hij, overal, brullende als een woudstier, naar hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild, zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande.
"Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?" riep hij, hem herkennende.
Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag; maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf den rechterarm.
"De linker blijft mij over!" riep Walcourt, zijn zwaard met de andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera [35], en het hoofd bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de overige lijken voegde.
"Is die gevloekte Graaf dan nergens te vinden?" brulde Adeelen, terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is.
"Waar zoude hij wezen?" zeide Cammingha, die hem tegenkwam: "zij zijn allen dood op één na."
"Leeft er nog één?" vroeg Adeelen, zich omwendende, met een verschrikkelijken blik: "Waar is hij?"
Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen, vroeger gestrekt had tot inhuldiging van 's Graven vader als Heer van Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen zijner helden den dood zoude ondergaan.--Adeelen snelde derwaarts heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte zich alleen tegen een drom van aanvallers te verdedigen. Zijn om hem gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen, vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend zwaard, waarmede hij al wat hem omringde het naderen belette.
"Hoe is het bloodaards!" riep Adeelen: "deinst gij? laat mij met hem begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen."
Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden krijger onvoorziens naderende, bracht hij hem een geweldigen slag op het hoofd toe.
"Neem dat," zeide hij: "en ga in de hel vertellen dat Seerp van Adeelen er u heenzond."
"Hoezee! leve Seerp van Adeelen!" riep het volk, dat den Hollander zag duizelen onder den slag.
Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. "Zoo gij Seerp van Adeelen zijt," zeide hij, zich herstellende, ofschoon met een gesmoorde stem, "neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer en Meester."
Deze woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had zijn zwaard omhoog geheven: en met een slag, luider klinkende dan die, welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen.
Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te lang uit het oog hebben verloren.
VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.
Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.
Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben:--en weldra zag hij zijn vermoeden bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, op en neder.
Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was wellicht in brand gestoken!--En hij zoude het weerlooze slachtoffer worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar voor hem bestond;--want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in 't harnas en met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, waar zij nu de monniken en conversen bevochten.
Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den muur aan de overzijde;--de brand was dus aan zijnen kant:--was juist onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar 't einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:--al wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf: nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen; maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed, hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem, die hem antwoord gaf.
"Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij zoeken!"--De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had, gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van Spangen de voorpoort overweldigd had.
"Ik wist het wel, Ridder!" zeide Zweder, "dat wij u eindelijk zouden vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters zich lang meer zullen verweren:--hier, geeft den Ridder een zwaard ... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar beneden; eer de trap afbrandt:--ik heb u nog juist bijtijds gehoord."
Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord; dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde beider leven:--want nauwelijks bevonden de gewapenden zich op de trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.
"Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!" kreet Zweder, zich voor het hoofd slaande: "ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf zijn!--Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!"
"Die ongelukkigen!" zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende beneden lagen;--"maar kom!" vervolgde hij: "wij moeten alle hoop op lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt; waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte van het gebouw voert."
Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.
"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "ik geloof, dat dit de weg naar den toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk."
"Hoogstwaarschijnlijk!" zeide Deodaat: "maar om 't even! Wanneer wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader overleggen, hoe wij verder komen."