De Roos van Dekama

Chapter 45

Chapter 453,928 wordsPublic domain

"Maar wat wilt gij dan," hernam de Prior: "dat wij ons verdedigen, dat wij vechten? wij, zwakke en afgeleefde lieden?"

"Neen!--maar ik begeer, dat gij niet den schrik binnen Stavoren verspreiden gaat.--Onze eerwaardige Abt was heden in den Raad aanwezig: hij weet, dat de mogelijkheid van een aanval op Sint-Odulf voorzien is, hoe belangrijk men dit punt beschouwde, en wat er besloten werd."

"Gij hebt gelijk, dat gij mij daaraan herinnert, Broeder!" zeide de Abt, oprijzende; want het gevoel van zijn waardigheid en plicht begon bij hem de overhand te krijgen boven de vrees: "er is besloten, dat wij een noodsein zouden geven en den vijand zoolang ophouden, tot er hulp kwame. Gij hebt gelijk, broeder Syard: wij mogen ons heilig gesticht en de graven onzer broeders niet verlaten.--Maar, Broeder! ik weet niet, of u bewust is, dat onze weerbare mannen, tegen mijn wil, naar het leger zijn."

"Zij zijn _niet_ in het leger," zeide de monnik. "Ik heb hen ontmoet, toen zij er naar toe wilden trekken; en hun beduid terug te keeren: zij zijn bezig, de voorpoort te voorzien."

"Wij danken u, Broeder!--Men geve dan het sein:--twee lantarens aan den kerktoren."

"Zij zijn reeds opgeheschen. Indien _ik_ mij nu mag vermeten eenigen raad te geven, zoo is het deze: dat niemand werkeloos blijve. Het ware een dwaasheid, pogingen aan te wenden, om den lagen muur, die ons erf of onze buitengebouwen omringt, te willen verweren: wij zouden onze verdedigers noodeloos aan een zekeren dood blootstellen en hun getal zonder vrucht verminderen. Alleen tot de verwering van het hoofdgebouw moeten onze krachten besteed worden: en daartoe kan ieder, hoe oud en stram ook, van nut zijn."

"Zouden wij niet een poging doen, hen buiten den wal te houden?" vroeg broeder Agge, zijn met ijzer beslagen knods in de rondte zwaaiende.

Broeder Agge was een stevige vierkante monnik, in de kracht zijns levens, en die liever sterkte zocht in de wijnkan dan in het gebed.

"Neen Broeder!" zeide de abt: "broeder Syard heeft gelijk. Onze conversen zouden daar, waar het op een geregelde verdediging aan zou komen, niet bestand zijn tegen de geoefende krijgsknechten des vijands. Zij zijn niet tot kampen opgebracht, gelijk de conversen van Oldeklooster of Lidlum, en ik dank er God voor. Maar achter deze muren zullen zij, hoop ik, hun plicht weten te betrachten."

"Dat zullen zij!" zeide vader Syard:--"verspreidt u nu allen, en zoekt alles bijeen wat dienstig zijn kan om de voorpoort te beschutten. En gij, Broeder Rienk! die jong en vlug zijt, klim eens even in den toren en breng ons bericht terug, wat de vijand in zijn schild voert."

De jonge monnik snelde de drie ladders op, die hem in den toren brachten. De lucht was opgehelderd en de wind begon te verflauwen: weldra ontdekte hij een drom gewapenden, waarvan een gedeelte stand hield op den kruisweg, waar het pad naar Sint-Odulf met den landweg naar Stavoren ineenliep: een ander gedeelte kwam de landtong langs en recht op het klooster af. Zoodra vader Syard deze tijding ontvangen had, gaf hij last, de onderste der drie trapladders, die naar den toren leidden, weg te breken, ten einde te verhinderen, dat de vijand, zoo hij de kerk bemachtigde, in het klooster drong, dat met den toren gemeenschap had, terwijl hij tevens beval, de kerkdeur, die op een gaanderij in het klooster zelf opende, met versperringen te voorzien.

Het voorportaal des kloosters leverde ondertusschen een schouwspel op, dat in andere omstandigheden kluchtig had geschenen. Al wat draag- of tilbaar was, hadden de monniken hier bijeengesleept, als moest er een verkooping van huisraad gehouden worden. Daar kwamen, zwoegende en zweetende, de Prior en een ander stokoude grijsaard met de planken van de etenstafel aanslepen: hier zag men er, die geheele deuren, kisten en koffers droegen: sommigen zelfs hadden de steen en uit den vloer en de houten beschotten der kamers uitgebroken: de vader Keldermeester hield, ofschoon met menige verzuchting, het opzicht over het ophijschen der wijnvaten, die vervolgens naar voren werden gerold: en met al deze materialen werd een bolwerk achter de voorpoort opgeworpen, bestemd om den vijand, zoo niet geheel te stuiten, althans zoolang op te houden, tot er hulp kwame.

"Dat is wel goed, mannen," zeide vader Syard: "maar alles met beleid: beter wat minder spoed en dat de verschansing des te steviger zij. Waar is nu de vader Keukenmeester?"

De monnik, naar wien hij zocht, kwam juist met een zwaren ketel aansjouwen.

"Neen Broeder!" zeide vader Syard, "breng dien ketel maar weer weg: wij kunnen dien beter gebruiken. Leg maar een goed vuur op de binnenplaats aan en laat al de olie koken, die in 't huis te vinden zij. Onze jongere broeders zullen zich daarmede op de tinnen begeven en de ouderen zullen de vaten en ketels aandragen."

Terstond haastte men zich, dit bevel ten uitvoer te brengen; maar nauwelijks was men daarmede bezig, toen men trompetgeschal van buiten vernam. De afstand zoowel als de dikte der muren belette, dat men de aankondiging hoorde, door den Heraut gedaan, dat Jan, Heer van Beaumont, Schoonhoven en Gouda, vrijen intocht eischte.

Het was inderdaad Beaumont, die, met eenige schepen, reeds in het begin van den storm de vloot vooruit was geraakt en met het vallen van den nacht voor Stavoren was gekomen, van meening om naar Norwert te stevenen, hetwelk hij in de verte branden zag. De schuit, welke Zweder bevoer, was hem hier ontmoet: en terstond had hij het besluit genomen, aan de andere zijde bij Stavoren te landen, teneinde hierdoor den vijand in verwarring te brengen. Hij ontscheepte dan werkelijk zijn volk aan de Zuidvenne; dus noemde men een stuk gronds van eenige uitgestrektheid, landwaarts en ten zuiden van de landtong van Sint-Odulf gelegen. De bende, die hij bij zich had, was echter geen duizend man sterk: en de onmogelijkheid inziende om daarmede in het binnenland te trekken, waar hij niet wist, welk onthaal hem te wachten stond, besloot hij, op Sint-Odulf aan te rukken, het te bemachtigen en daar de komst der overige schepen te verbeiden. Den dijk langs getrokken zijnde, ging hij aan het hoofd van vierhonderd man op het klooster af, het overige gedeelte zijner benden, gelijk wij reeds gezegd hebben, aan den driesprong latende, waar zich de weg naar Stavoren en naar het klooster vereenigde, om te voorkomen, dat de vijand hem in den rug aanviel.

"Er komt nog geen antwoord, mijn Heer!" zeide de Heraut, nadat hij tweemalen vruchteloos geblazen had: "het schijnt, dat de broeders het klooster verlaten hebben."

"Misschien wel liggen zij bezopen in hun cellen," zeide de Heer van Spangen: "bij Sint-Japik! ik wou, dat zij antwoordden; want wij hebben op dat hagelsche schip te lang koude geleden, om hier nog te staan blauwbekken."

"Wij zullen," zeide Beaumont, "die opeisching aan de poort van het klooster zelf dienen te doen: het schijnt, dat wij hier te ver zijn om gehoord te worden."

Terstond werden er op zijn bevel planken over de sloot geslagen: een paar krijgsknechten hakten het buitenpoortje open; terwijl een ander gedeelte over den muur klom: welhaast stond de geheele macht van Beaumont op het beslotene erf, waar nu de opeisching herhaald en evenzeer door een diepe stilte gevolgd werd.

Terstond liet Beaumont eenige krijgsknechten aantreden en gaf hun last zich met geweld een ingang te banen. Spoedig werden er eenige bijlen geheven; maar de planken der eikehouten deur waren zoo dik en zoo dicht met nagels en spijkers beslagen, dat de slagen, welke er op gegeven werden, haar minder nadeel deden, dan aan de werktuigen, tot hare verbrijzeling gebezigd.

"Laat de deur opengeramd worden!" zeide Beaumont: "op deze wijze houdt zij ons te lang op."

Twee masten, welke men van boord had medegenomen, werden hierop in den grond gestoken, zoo, dat de toppen elkander kruisten: en aan dat in der haast opgeslagen werktuig, werd een derde mast in een horizontale richting gehangen om tot stormram te dienen. Maar hoe men ook bonsde en rammeide, de deur week niet van haar plaats; want de massa, die er achter tegen aangebracht was, deed alle pogingen om haar te verwrikken te loor gaan.

Intusschen was Zweder met eenige krijgsknechten, op last van Beaumont, het klooster rondgegaan om te ontdekken, of er ook een andere gelegenheid was om binnen te komen. Weldra waren zij aan de kerk gekomen, waarvan zij de ramen beklommen en openbraken en alzoo weldra binnen waren; maar spoedig zagen zij in, dat zij hierdoor nog slechts weinig gevorderd waren; want ook de deur, welke de kerk van het klooster scheidde, bood weerstand aan hunne slagen.

"Mij dunkt," zeide Spangen tegen Beaumont, nadat zij eenigen tijd vruchteloos op de uitwerking van zijn stormram gewacht hadden,--"zoo deze deur proef houdt tegen ijzer en hout, moesten wij zien, of zij ook tegen het vuur bestand is."

Dit voorstel was uitmuntend; maar de uitvoering bleek aan groote zwarigheden onderhevig te zijn: want al het hout of andere brandstoffen, die men er tegen aan stapelde, waren zoo vochtig, dat men de hoop moest opgeven, die aan brand te krijgen.

Niettegenstaande het mislukken van zoovele pogingen gaven de aanvallers den moed niet op: Beaumont sloeg zelf de hand aan het werk, en een ijzeren koevoet tusschen de deur en het metselwerk daaromheen hebbende weten in te werken, liet hij niet af, voordat hij eenige steenen uit de muur gebroken had; maar nauwelijks hadden de werklieden hem vervangen om van deze breuk gebruik te maken en de opening te vergrooten, of het grootste gedeelte stoof schreeuwend terug. Vader Syard, die, plat in de goot liggende, al de bewegingen der belegeraars gadesloeg, had het gezette sein gegeven, en eenige ketels kokende olie werden door de monniken, die nevens hem op den buik lagen, op de hoofden der werklieden uitgestort.

"Ha!" zeide Beaumont: "men begint zich daarboven te bewegen.--Staakt dit spel!" riep hij, opwaarts ziende: "en geeft u over. Alle weerstand ware ijdel. Ontsluit de poorten, of wij zullen u uitbranden als men een wespennest doet."

Een tegelsteen, die op zijn voorhoofd gemikt was, maar gelukkig slechts op zijn helmvizier aan stukken sprong, was het eenige antwoord, dat hij bekwam.

"Welnu!" zeide hij: "zoo het niet anders wil, is het tevergeefs met u geredeneerd;--doet uw plicht arbeiders! en mijn Heer van Spangen, wees zoo goed aan de boogschutters last te geven, dat zij die daken schoonhouden."

De arbeiders naderden opnieuw de poort; maar deze reis hadden zij de voorzorg gebruikt van een nat zeil over hun hoofden te spannen, zoodat hun de olie geen hinder kon doen. Vader Syard, die overal het oog op had, bespeurde weldra, dat het niet lang duren zoude, of zij hadden zich van den ingang meestergemaakt. Intusschen snorden hem de pijlen om de ooren; maar, dewijl de monniken meestal plat neerlagen en door de vooruitspringende lijst van het gebouw gedekt waren, konden die hun weinig of geen hinder aanbrengen.

"Wij kunnen hier geen goed meer doen," zeide hij: "alle man naar beneden en de poort verdedigd!"

Op dit oogenblik kwam een monnik vervaard over den zolder aangeloopen: "de kerk staat in brand!" riep hij: "en de Hollanders zijn bezig het dak te beklimmen."

Beide was waar! Zweder, ziende dat de kerkdeur hun weerstand bood, had den, aan de eene zijde der kerk verzamelden, voorraad stroo en graangewas tegen de deur doen stapelen en dien hoop aangestoken, zoodat eerst de deur en vervolgens de daarachter geplaatste meubelen weldra in brand geraakten;--maar daarmede was de zwarigheid nog niet overwonnen; want nu bevonden zich Zweder en zijn makkers voor een muur van gloed, die eerst omvergehaald en opgeruimd moest worden, alvorens men verder door kon dringen. Terwijl dit binnen het kerkgebouw geschiedde, hadden eenige soldaten de masten, welke tot den stormram gediend hadden, daarbuiten tegen den muur geplaatst. Tweee hunner waren met touwladders daartegen opgeklommen en op deze wijze was er spoedig eenig volk op de lijst van het kerkdak, toen de Abt zelf hen daar met eenige zijner kloekste broeders te gemoet kwam, met houten knodsen, sommigen met keukengereedschap gewapend.

"Gij loopt verkeerd, vrienden!" zeide vader Volkert, terwijl hij een der beklimmers een slag op de hersenen gaf, dat hij van het dak rolde. "Terug! zeg ik! Hier, Broeders! werpt mij alle man van het dak! Snijdt die touwladders los!--en gij, broeder Guardiaan! zeg, dat men nog meer broeders zende om ons te helpen."

"Al de anderen zijn beneden," antwoordde de monnik, "en helpen broeder Syard de voorpoort beschutten."

"Goed zoo!--zuivert mij het dak van ongedierte. Werpt hen naar beneden, die spreeuwen, die hier ongevraagd komen nestelen. Houwt er op in, Broeders! vreest niet voor het aantal. Een daar binnen in zoo goed als tien daar buiten."

Terwijl de Abt, wiens moed met het gevaar scheen te groeien, zich aldus dapper weerde, was vader Syard met een aantal broeders naar het voorportaal gesneld. De deur was eindelijk uit haar hengsels gelicht, en de krijgsknechten van Beaumont waren nu bezig, de daarachter geworpen verschansing weg te ruimen, eene bezigheid, die wel langzaam in het werk ging, maar die Vader Syard wel inzag, dat hun eindelijk gelukken zoude. Ton en waschvat, tafel en kuip, werden stuk voor stuk omvergehaald: en daar begon reeds van boven een opening te ontstaan, zoo groot, dat de monniken de hooge helmen der belegeraars in 't gezicht kregen, toen men op eens de arbeiders in hun werk verflauwen zag en er in de verte een gerucht ontstond, dat, nu de hamerslagen zoo fel niet meer vielen, ook van binnen door de kloosterlingen gehoord werd.

"Houdt moed! Broeders!" riep vader Syard:--"er daagt redding op!--Onze vrienden zijn aan den gang met de Hollanders!"

Het was inderdaad zoo: het sein op den toren was zoowel te Stavoren als in het Friesche leger bespeurd: verspieders, hier en daar achter de heggen verspreid, hadden reeds de Friesche legerhoofden met de geringe sterkte der Hollandsche landingstroepen bekend gemaakt: een aantal boogschutters en slingeraars, voorzichtig achter de aarden wallen en struiken voortkruipende, was de bij den kruisweg staande krijgsknechten ongemerkt genaderd en begroette hen nu op eenmaal met een hagelbui van pijlen en steenen. Te gelijk daagden de welgewapende Lidlummer monniken en conversen op, met hun Abt aan 't hoofd, door Martena afgezonden, die nu op de Hollanders aanvielen in hetzelfde oogenblik, dat deze door de afgeschoten pijlen in verwarring waren gebracht.

Beaumont had zoodra niet bespeurd, dat men aan den viersprong slaags was, of hij snelde in persoon derwaarts, aan den Heer van Spangen de zorg overlatende om het klooster te bedwingen. Zijn voornemen was, om, indien hij den vijand niet terug kon dringen, zijn gansche macht op de landtong samen te trekken, welke hij overtuigd was, met goed gevolg te kunnen verdedigen tegen een veel grootere macht dan de zijne: althans tot zoolang het overige gedeelte van het leger geland ware. Maar nauwelijks was hij bij de vechtenden, of hij bemerkte, dat het gevaar grooter was, dan hij dacht. Hij vond zijn volgers in verwarring gestort door den onverwachten aanval, en onzeker, hoe zich in slagorde te stellen, dewijl er van elken kant vijanden aanrukten. Pijl noch slingertuig was den Hollander van nut; want de vijand, door de duisternis begunstigd, was hem reeds op het lijf gevallen eer hij zich daarvan bedienen kon: en de te paard zittende Ridders en speermannen, tusschen het voetvolk ingedrongen, waren ternauwernood in staat om zich te bewegen en van hun wapenen een goed gebruik te maken: terwijl zij zelven, buiten de hoofden uitstekende, tot een des te wisser merk strekten voor de Friesche boogschutters. Wel waren eenige ruiters en voetknechten het land opgerukt om deze laatsten uit hunne schuilhoeken te verdrijven; maar de weekheid van den grond, welke langs het meer, gelijk wij zeiden, moerassig was, de menigvuldige slooten en dijkjes, welke zij gedurig ontmoetten, maakten hun weldra zoowel het voortgaan als den terugtocht even moeilijk: en bleven zij op de landpaden, daar zagen zij zich dadelijk van alle zijden bestookt door de vijanden, die òf hun te gemoet kwamen, òf van achter hunne hinderlagen te voorschijn sprongen.

De komst van Beaumont, die nu, onder het uitgalmen van zijn oorlogsschreeuw, langs de zijnen heen en weder reed, deed voor een oogenblik hun moed herleven. Voorziende, dat alles verloren zou zijn, tenware men zich in geregelde slagorde vormde, liet hij het sein der herzameling blazen, met het oogmerk om naar de landtong terug te trekken. Men voldeed terstond aan het bevelteeken; maar nauwelijks was een klein gedeelte van zijn volk de landtong opgerukt, of hij zag zich den weg afsnijden door een nieuwe bende, die, door Aylva in persoon aangevoerd, met een paar schuiten uit de haven van Stavoren aangekomen, en halverwege de landtong geland was. Nu was het, gelijk Vondel zich uitdrukt:

Nu was het, elck voor zich: een ieder bergh zijn leven.

Een algemeene schrik had de Hollanders bevangen, die, overal niets dan vijanden ziende, zonder naar de bevelen van Beaumont, die hen hereenigen wilde, te luisteren, op de vlucht togen en zich naar den zeekant spoedden, ten einde hunne vaartuigen weder te bereiken. Vruchteloos waren de bedreigingen en smeekingen van hun legerhoofd, die in weerwil van zich zelven zich door den drang der menigte genoodzaakt zag, van de landtong te wijken, en in de vlucht werd medegesleept. Een groot deel der Friezen vervolgde de Hollanders, een groote slachting onder hen aanrichtende: de Abt van Lidlum echter voegde zich met eenigen der zijnen bij Aylva om met hem het klooster te helpen herwinnen, waarvan zij vreesden dat zich de vijand reeds meester had gemaakt.

Wat Beaumont betrof, hij was met de zijnen de landingsplaats reeds genaderd; maar wie schildert de verslagenheid, die zijne, nu radelooze, volgers beving, toen de morgenschemering, die langzamerhand begon aan te breken, hun deed zien, dat de schepen, waarin zij hunne eenige toevlucht stelden, met de ebbe waren van wal gedreven en alle kans om te ontkomen voorbij was.

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Le flux les apporta; le reflux les remporte.

Corneille, le Cid.

Terwijl dit alles in den omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout, gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van daar over Warns naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg, die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan eens voorgekomen, alsof er, behalve Daamke, die achter hem reed, nog iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield, en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en, zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: "hoor Daamke!" zeide hij: "er is iemand achter ons."

"Achter ons!" riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had in deze nachtelijke onderneming: "en wie zou dat wezen?"

"Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u, door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt, en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt."

"Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze," dacht onze voormalige nar.

"Weet gij wat Daamke!" vervolgde Reinout: "rijd gij eens vooruit: dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten."

"Ik vooruitrijden!" riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het geheele lijf deed sidderen: "dat ware immers met alle betamelijkheid strijdig."

"Ik wil het zoo!" zeide Reinout, op een strengen toon: "en ik zweer u, dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft."

"In Gods naam dan!" zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren zij weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen; en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een hem vervolgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera, welke op Daamkes rug hing, en onder 't rijden op en neder wippende, juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen der hoeven van een kreupel paard had gehouden.

Zijn eerste beweging was een schaterend gelach; zijn tweede, een beweging van ongenoegen en gramschap.

"Wie heeft u, dubbele ezel," vroeg hij, "verlof gegeven, zulk een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt, mij te vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?"

"Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn," antwoordde Daamke, terwijl hij, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het gesprek wegschool. "Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cesar bij omkwam, het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat...."

"Ik weet alleen, dat gij een bloode schobberd zijt," zeide Reinout: "en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen, welke ik u zal toetellen zoodra ik er den tijd toe vinde."

"Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol moge hebben.--Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter 't een of ander verbergen moet, om niet gezien te worden, ten einde...."

"En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is, nietwaar?"

"Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder!--en dan bovendien, ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen;) namelijk: een uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en wat dies meer zij, waar ik mijn medemensen mede van dienst kan zijn, tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt."

Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van zijn dienaar, en over de vrees, die, met speculatiezucht vereenigd, hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten, dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou gestrekt hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar hij begreep de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond hij stil en blies op den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter, zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen verzocht hij, hem naar Helbada te geleiden, dien hij te Rys vond, bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht, dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren.

"Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken, Jonker!" zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag.

"Integendeel!" antwoordde deze: "Adeelen laat u smeeken, u niet van uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust."