Chapter 44
Niet verre van Stavoren, doch meer noordwaarts op, stond in den tijd, waarvan wij gewagen, een zeker dorpje, Norwert geheeten, hetwelk men thans vruchteloos op eenige kaart zou zoeken, vermits de plaats zelve, waar het zien bevond, sedert lang een prooi der invretende golven geworden is. Het was op een geringen afstand van de zee gelegen, tegen wier geweld het benevens eenig daarbij behoorend land, door een wierdijk beschut werd. Ten oosten paalde het aan een moerassigen veengrond, die zich langs het meer van Stavoren uitstrekte; ten noorden aan eenig kreupelhout, waarvan de schrale groei en de kale takken, aan dewelke niet meer dan eenige verdorde en verschrompelde bladeren hingen, getuigden, hoezeer het van den zeewind te lijden had. Op den dijk, en kort bij dit geboomte, hetwelk men voor een overblijfsel hield van het eenmaal zoo vermaarde Kreiler bosch, zat een jonge zeemansgast sedert een paar uren in de zee te kijken, die reeds al het buiten het wierdijkje gelegen land overstroomd had: en hoewel het een orkaan woei, hoewel zijn tengere ledematen doornat waren, en hem de regen in 't gezicht speelde en meermalen het zien belette, was hij nog niet van zijn plaats gerezen om een schuilplaats op te zoeken; want een krachtig denkbeeld had zich van hem meester gemaakt en deed hem het woeden der elementen vergeten. Zoolang het nog helder dag was geweest, had geen blijk van ongeduld zich op zijn gelaat vertoond, maar het werd reeds avond en nog kon hij geen vaartuig op die oppervlakte der wateren bespeuren, dan een ellendige visschersschuit, die door den storm naar de kust gedreven werd; maar deze was het niet, welke de knaap verwachtte.
"Zij zullen niet komen!" zeide hij eindelijk bij zich zelven, terwijl hij oprees en het water uit zijn muts wrong: "de Graaf zal hen bij zich gehouden hebben:--was het nu niet beter, dat ik naar Sint-Odulf trok en daar de vloot afwachtte?"
Terwijl hij dit voornemen overpeinsde, zag hij, zooveel de duisternis hem zulks toeliet, dat het visschersvaartuig begon te naderen en weldra niet ver van den dijk een ankertje uitwierp. "Voorwaar," dacht hij: "die visscher kiest ook een vreemde ankerplaats uit. 't Is waarschijnlijk een vreemdeling: anders zou hij zijn schuit wel vastleggen aan de palen, die ik ginds op de hoogte van het dorp gezien heb.--Kom! wij zullen nog een vijfhonderd tellens wachten en dan in Sint-Japiks naam hier vandaan:--mits ik slechts het houten pad door het moeras niet misloop in de duisternis; anders loop ik stellig gevaar, te smoren voor ik twintig schreden gedaan heb."
Hij begon hierop de aangename bezigheid van te tellen, welke hij ten einde bracht met de vaste overtuiging, dat hij nu gerust kon gaan; want het was omtrent stikdonker geworden. Dan, juist op het oogenblik, dat hij van den dijk wilde afspringen, hoorde hij een flauw gedruisch en gespat in het water, hetwelk zijn aandacht boeide.
"Bij Sint-Japik!" dacht hij: "ik geloof waarachtig, dat die visschers zich in dat fraaie weer met zwemmen vermaken. Nu! elk zijn liefhebberij."
Zijn nieuwsgierigheid was echter opgewekt: hij liep den dijk langs, naar de plaats, waar het geluid vandaan kwam, en hoorde weldra duidelijker nog, dat verscheidene menschenstemmen, hoezeer met zoo weinig geruchts mogelijk, door het water liepen. Dan weldra werd zijn vermoeden volkomen bevestigd; want een bliksemstraal, die opeens den ganschen zeekant verlichtte, deed hem een twintigtal gewapenden zien, die van het vaartuig naar den dijk waadden.
"Wie duivel zijn dat?" vroeg hij zich zelven af: "zeker geen vrienden van Friesland, die op zulk een ongewone wijze aanlanden.--Zouden zij het zijn? o! nog een bliksemstraaltje om hen eens recht te kunnen opnemen!"
Met dezen wensch was hij al dichterbij gewandeld, achter den dijk blijvende, om door de aankomenden niet gezien te worden: en nu hoorde hij opeens iemand in het water, die met een zachte stem aldus tot een ander sprak:
"Wij hadden wel een paar haken van boord mogen medenemen, Gillis! die vervloekte wal is zoo steil en zoo hard, dat ik waarlijk niet weet, hoe ik er tegen op zal klauteren."
"Kom maar hier: ik zal u wel een handje helpen," riep de knaap, die de stem herkende, hem van boven toe.
"Alle duivels! daar is volk aan gene zijde van den dijk!" zeide de aanvoerder der bende, terugdeinzende.
"Hoe nu!" hernam de knaap: "kent de wakkere Boudewijn de stem van zijn makker Zweder niet meer?"
"De Satan mocht u of uwe stem herkennen," zeide Boudewijn, terwijl hij de hand aangreep, die Zweder hem toestak, en tegen den dijk opklom. Dat vervloekte zeewater spat een mensch om de ooren, dat hij niet hooren of zien kan."
"Ik had den moed al opgegeven," zeide Zweder: "en was verre van u in die visschersschuit te verwachten."
"Ja man!" zeide Boudewijn: "dat was een denkbeeld van mij:--toen wij hedenmorgen Stavoren verlaten hadden, kreeg ik die schuit in 't gezicht. Wacht! zeide ik tot Krijn Jansz:--nu weet ik een beste gelegenheid om aan wal te komen, zonder dat een enkele Fries er gedachte op heeft."
"Ik vat al: gij bemachtigdet de schuit."
"Was dat niet wel verzonnen?--nu heeft de Graaf (bijaldien hij niet al tot een aas der zeehonden verstrekt, met dien hagelschen storm) tijding van ons:--en wij zullen hem die nog nader geven, dat beloof ik u."
De manschappen waren nu allen aan wal gekomen, en verzamelden zich aan de binnenzijde des dijks om Boudewijn en zijn makker, die hun mededeelde, wat hem omtrent Ridder Deodaat bekend was.
Spoedig werd nu het besluit opgemaakt. Men nam voor, Norwert in brand te steken, hetgeen het dubbel voordeel zou verschaffen, tot een baak voor des Graven vloot te verstrekken en de aandacht der Friezen derwaarts te bepalen: en vervolgens weder zee te kiezen.
"Dat is nu alles mooi en wel!" zeide Zweder: "en ofschoon het mij eenigszins tegen de borst stuit, dat mijn eerste krijgsonderneming een brandstichting wezen zal, zie ik, dat het noodzakelijk is:--maar, het is niet genoeg een besluit te nemen, waar vinden wij de brandstoffen?"
"Zotskap!" zeide Boude wijn: "alsof ik geen vuursteen bij mij had:--laat dat aan mij over, en gij zult een Sint-Maartensvuurtje zien, waarbij gij uw natte kleeren in een amerijtje zult kunnen drogen. Zeg mij maar liever, of gij zeker weet, dat het dorp onbezet is?"
"Niet slechts onbezet, maar verlaten:--de mans zijn, God weet waarheen, de vrouwen en kinderen naar Stavoren gevlucht."
"'t Is mij onbegrijpelijk!" zeide Boudewijn, na eenige oogenblikken nagedacht te hebben: "hoe kan men zich zulk eene achteloosheid verklaren van lieden, die een aanval wachtende zijn? Ik had reeds gevreesd, hier den dijk vol krijgsvolk te vinden en ik zie zelfs den staart van een dog niet."
"Hoe jammer!" zeide Zweder: "dat de Graaf hier niet tijdig genoeg wezen kan; hij ook zou zonder slag of stoot kunnen binnentrekken."
"Ja ventje! dat is waar; maar die groote nalatigheid baart mij achterdocht. Ik zorg, of zij ook slechts schijnbaar is en de vijand altemet in hinderlagen schuilt."
"Licht mogelijk," hernam Zweder: "maar dat moet ons niet beletten, spoed te maken met de uitvoering van ons plan."
Aldus sprekende, waren zij langzamerhand verder getrokken en het dorp meer genaderd. Het was en bleef stikdonker en geen geluid deed zich hooren. Weldra bevonden zij zich midden in Norwert, zonder kind of kraai te hebben bespeurd. Dadelijk gaf Boudewijn bevel, dat men de deuren van eenige woningen open zou loopen, om te ontdekken of er nog iemand schuilde; maar men vond niemand. In een paar huizen smeulde er nog vuur aan den haard.
"Goed zoo!" zeide Boudewijn: "steekt licht aan! legt dat vuur maar in de bedstede en smijt er al het droge stroo op, dat gij vinden kunt: en laat ons ondertusschen de spijskast ook eens onderzoeken: 't ware jammer, zoo er iets verloren ging."
Allen gehoorzaamden volijverig aan deze bevelen: en spoedig was de geringe voorraad van spijs en drank, welken de bewoners hadden achtergelaten, door de vermoeide krijgslieden verslonden, terwijl zij hun doornatte kleedingstukken uitwierpen en verwisselden tegen die, welke zij in de huizen vonden. Al wat nu maar brandbaar was werd op de vuren gesmeten, en in weinige oogenblikken sloeg de vlam menig dak uit.
"En nu weer naar boord," riep Boudewijn: "eer de vlam ons zelven den terugtocht afsnijde."
De bende nam den terugtocht weder aan, die nu door de vlam verlicht werd, welke het dorp weldra geheel omgeven had. Op den dijk gekomen, wendde Zweder nogmaals de oogen om, ten einde het tooneel van ellende, dat zij hadden aangericht, te aanschouwen. Het was een vreeselijk gezicht, die strijd der elementen onderling. Nu eens was het, of de zware regenvlagen de opstijgende vlam geheel zouden uitdoven;--dan weder zegevierde het geweld van het vuur en golfde het in rooden gloed langs de daken. Nu en dan stortte er een krakend gebouw in en versmoorde voor een oogenblik den gloed, die het verteerd had; maar die weldra des te feller van alle zijden onder het puin te voorschijn kwam: de zeewind gierde door de opengeborsten luiken en vensters en dreef brandende stroohalmen en half verteerde lappen zeildoek en netten landwaarts in, waar zij weldra in het moeras neervielen of door den regen werden uitgebluscht.
"Kom!" zeide Boudewijn, zijn makker bij den arm trekkende, "maak voort: men zal misschien spoedig genoeg bij de hand wezen om ons na te zitten."
"Bij Sint-Japik! men is reeds bij de hand," riep Zweder verbaasd uit, en zijn uitgestrekte hand wees naar het moeras, dat door den brand in al zijn uitgestrektheid verlicht was.
Boudewijn wierp insgelijks den blik derwaarts en hij verbleekte, toen hij ontdekte, dat, waar men het oog wendde, de geheele vlakte met gewapenden vervuld was, wier aanwezigheid, hoe onbeweeglijk zij zich ook hielden, verraden werd door het licht der vlam, dat op het ijzer der wapenen terugkaatste.
"Ik had het wel vermoed," zeide hij met een zucht.
"Zij zitten daar als kikkers, in hun moerassen of achter hun zomerdijkjes verborgen, waar geen duivel hen uit zal drijven. Zij weten, dat de gansche vloot niet ontscheept is: en zij wachten ons daar.--Maar wij zullen hun een aangename nachtrust wenschen en ons stilletjes weer naar boord begeven. Ik verwonder mij toch, dat zij, hoewel de afstand wat verre is, ons niet een pijltje toezenden."
Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of een pijl kwam sissende aangevlogen en trof hem vlak in 't voorhoofd.
"Vlucht, Zweder! vlucht allen!" riep hij onder 't nederstorten. "Het is met mij gedaan. Vlucht! en laat mij hier aan mijn lot."
Al de wapenknechten waren terstond in zee gesprongen. Zweder alleen was nog bij zijn vriend gebleven, toen hem een tweede pijl de muts van 't hoofd dreef.
"Het is uit dat vervloekte boschje!" riep hij: "wie had het gedacht? zij hebben ons willen omsingelen:--hoe gaat het, Boudewijn?"--Geen antwoord.--"Arme hals! hij is wel dood.--Dan is het zaak, dat ik voor mij zelf zorge."--Met deze woorden liet hij zich mede van den dijk afzakken en zwom naar de schuit. Op hetzelfde oogenblik kwamen de Friezen het bosch uit en zonden den vluchtelingen hun pijlen na, die echter geene of althans weinige schade deden. Meest al de tochtgenooten bereikten gelukkig het vaartuig: het anker werd gekapt, en daar het nu wederom ebbe was, dreef men spoedig ver genoeg van wal om buiten bereik te zijn. Zweder, op wien door den dood van Boudewijn het bevel was overgegaan, gaf nu last, dat men zooveel doenlijk zuidwaarts zou stevenen en een poging doen om zich met de vloot te vereenigen.--Wij zullen hem met zijn makkers goede reis wenschen en inmiddels eens gaan zien, hoe de Heer van Aylva bij zijn komst te Stavoren de zaken gevonden had.
Nauwelijks was hij de poort van Stavoren binnengereden, of hij ontmoette den Abt van Sint-Odulf, en vernam van dezen, dat de voornaamste maatregelen ter verdediging reeds genomen waren. Het was in den Raad, na lange wederspraak, aan Reinout gelukt, den Friezen te doen beseffen, dat het hun onmogelijk zou vallen, aan de Hollandsche vloot het ontschepen hunner talrijke en welgeoefende benden te beletten: daar deze, zooras het op een bestormen en bemachtigen der zeekust aan zoude komen, door hun meerdere voortreffelijkheden in rusting en wapenhandel een te groot voordeel op de Friezen zouden hebben, die slecht gedekt en bijna van geene weerbare wapens voorzien waren; waarbij kwam, dat een nederlaag, aldaar geleden, terstond verwarring en schrik onder de saamgeraapte benden brengen, en aan den vijand den weg naar 't hart van Friesland zoude banen. Hij had dus den raad gegeven, dat men de landing niet belemmeren zou, maar de Hollanders buiten de mogelijkheid stellen daarvan partij te trekken, door zelven zooveel doenlijk een gepast gebruik te maken van de gelegenheid, die de grond van Stavoren hun aanbood om een verdedigingsoorlog met voordeel te voeren. Men dient te weten, dat de landstreek om de stad heen, behalve uit eenig laag en moerassig weiland, dat langs het meer gelegen was, voornamelijk uit een heuvelachtigen heigrond bestond, over 't geheel welbebouwd, en aan onderscheidene eigenaars toebehoorende. Nu was elke bijzondere akker, met het land, dat er bij behoorde, door een aarden wal of zomerkade omringd, ter afkeering: van het zeewater, dat niet zelden bij springvloed een gedeelte van den bodem overstroomde. Deze kampen leverden dus als het ware zoovele verschansingen op, waarachter zich de gewapenden in hinderlagen konden verbergen en tusschen welke men des Graven heirmacht lokken wilde, als in een doolhof zonder uittocht, waar het van alle zijden door vijanden omringd, geene gelegenheid zou hebben, zich van zijn ruiterij te bedienen of zich in slagorde te vormen, maar overal voor een onverhoedschen aanval blootstaan. Dit stelsel van verdediging werd goedgekeurd, en men nam terstond alle maatregelen om er uitvoering aan te geven. Aan volk ontbrak het niet; want geen Fries bleef achter in de ure des gevaars: niet enkel uit loutere vaderlandsliefde; maar omdat de immer woedende onderlinge veeten hem van zijn jeugd af het hanteeren der wapenen tot een noodzakelijkheid en het vechten tot een gewoonte gemaakt hadden: ja wat meer is, tot zijn gewenscht en eenig tijdverdrijf. Alle dorpen waren dus terstond verlaten geworden, en van Hindeloopen af tot aan Gaasterland toe was de geheele landstreek met weerbare manschappen bezet: terwijl de nog gedurig opkomende benden zich aan een der beide vleugels moesten aansluiten. De rechtervleugel, zoo men overal verspreide krijgsbenden aldus noemen kan, werd door Adeelen aangevoerd: Cammingha bestierde de verdediging van Coudum af tot aan Warns: en de linkervleugel was aan Martena toevertrouwd. De Abten van Lidlum en Bloemkamp vormden met hun talrijke en welgeoefende conversen twee hulpbenden, gereed om zich overal te begeven, waar de strijd het heetste was. Reinout was bij Adeelen. Helbada en Fadinga kruisten Gaasterland door, ingevalle zich de vijand daar mocht vertoonen. In Stavoren oefende Galama het opperbewind, terwijl al de in de haven aanwezige schepen en schuiten onder zijn opzicht bemand werden, om zoo mogelijk de vaartuigen der Grafelijke vloot aan te randen en afbreuk te doen.
"En gij, Eerwaardigste!" vroeg Aylva aan den Abt, toen deze hem al die omstandigheden verhaald had. "Welken post zult gij waarnemen?"
"Wat mij betreft, ik ben een vreedzaam man," antwoordde vader Volkert, "en heb nooit tegen iemand het staal ontbloot, waar ik O. L. Vrouwe en Sint-Odulf voor dank. Ik keer naar mijn klooster en zal daar voor den goeden uitslag bidden. Dat is alles wat ik doen kan."
"God verhoore uw gebeden, Vader!" zeide Aylva: "wat mij betreft: ik zal hier blijven: Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet zonder noodzakelijkheid vermoeien: maar waar ik van dienst kan zijn, daar zal men mij niet lang behoeven te wachten.--Ik ga nu eens naar de haven, ten einde Galama te helpen in zijn maatregelen van verdediging.--Zoo er iets te Sint-Odulf gebeuren mocht, laat het mij dan weten."
Met deze woorden scheidden zij, en de Olderman begaf zich naar de haven. Hier deed zich een dof gemompel hooren: verscheidene menschen liepen met drift heen en weer, en Feiko, naar de aanleiding van het rumoer gevraagd hebbende, kwam aan Aylva melden, hoe Norwert in brand stond, en hoe het gerucht reeds door de stad liep, dat de gansche vloot aldaar geland was.
"Dan gaan wij derwaarts heen, goede Feiko! Mijn zoon bevindt zich aldaar met onze wakkere volgelingen, en men zal niet zeggen, dat ik hen, wanneer het er op aankomt, in den steek laat zitten."
Nauwelijks waren zij de poort uitgereden of zij ontdekten reeds de vlam; maar zij hoorden geen krijgsgerucht, hetgeen Aylva aan het geweld van den storm toeschreef; zij vervolgden echter hun weg; maar spoedig vernamen zij hoefgetrappel voor zich uit, en zagen twee ruiters op hen afkomen.
"Sta!" riep Aylva, die in de duisternis niet wist of hij vriend of vijand ontmoette: "wie zijt gij?"
"Gij hier, mijn Vader!" zeide de Ridder, zijn paard intoomende. Het was Reinout, van Daamke gevolgd.
"Waarheen? En hoe staat het te Norwert?" waren Aylva's vragen.
"Norwert bestaat niet meer; maar de brandstichters zijn reeds weer gevlucht. Adeelen is van oordeel, en ik met hem, dat deze schijnbare aanval slechts een krijgslist is, om onze aandacht af te trekken, terwijl men ons van de andere zijden aanvalt. Hij zond mij naar Martena en Helbada om hen tot dubbele waakzaamheid aan te sporen en te beletten, dat zij niet, door den brand verlokt, hun benden van de plaats doen gaan."
"Voortreffelijk, mijn knaap! Toon u heden een wakkere zoon van Friesland! Ik blijf in de stad! Wellicht kan ik hier van nut zijn."
Met deze woorden verlieten zij elkander. Aylva begaf zich weder naar de haven en Reinout reed, de stad door, naar Martena.
Ondertusschen was vader Volkert in zijn klooster teruggekeerd. Dit was, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, niet verre van de stad, doch meer zeewaarts in gelegen, aan het uiterste einde eener landtong, welke sedert door de golven is weggeslagen; wordende echter de plaats, waar het gebouw stond, nog heden door de zeelieden de kerk genaamd. Het bestond uit een hoofd- en andere kleine gebouwen, door een muur van duifsteen en een smalle gracht of sloot omringd. Het hoofdgebouw was vierkant, en bevatte vooreerst de kerk, die, van duifsteen en naar den Saksischen bouwtrant gesticht, ten westen met een vrij hoogen toren voorzien was, boven welke zich een peervormige koepel verhief, met groen koper beslagen, en volkomen gelijk aan die, welke de moskeeën der Mahomedanen versieren. Nog kan men in Friesland, op sommige plaatsen, dergelijke koepels zien, wier bouworde waarschijnlijk ten tijde der kruistochten aan de Oosterlingen is ontleend geworden. De kerkramen zagen aan de eene zijde op de zee uit, en aan de andere op een groote binnenplaats, besloten tusschen het klooster zelf, dat twee verdiepingen hoog en met talrijke kamers en cellen voorzien was. Wat de buitengebouwen betrof, deze dienden tot bakkerij, tot brouwerij en tot voorraadschuur.--Intusschen dwingt de plicht van een waarheidlievend geschiedschrijver ons, te melden, dat, op sommige tijden van het jaar, en ook thans, dit laatste gebouw ontoereikend was om den oogst te bevatten, en deze dienvolgens voor het grootste gedeelte in de kerk geborgen werd.
Zoodra de Abt binnen de muren van het gesticht gekomen was, begaf hij zich naar den refter, waar de broeders gewoonlijk op dat uur bijeenkwamen; maar zijn verwondering en ongenoegen waren groot, toen hij bespeurde, dat slechts een klein aantal monniken, en dat nog wel alleen de ouden en ziekelijken, zich aldaar bevonden.
"_Salvete_!" zeide hij, bij het binnenkomen: "maar hoe nu? waar zijn al de jongere broeders en de conversen?"
De oude pater Prior haalde zuchtende de schouders op: "er was niets aan te doen, Eerwaardigste!" zeide hij, zij zijn allen uitgeloopen om zich bij het leger te voegen."
"Is het waar? En tegen mijn stellige bevelen?--Het klooster te verlaten, nu zij er het meest noodig zijn?--En om wat? Om zich te laten doodslaan? Want er is niet één van hen, die de wapens voeren kan; daar heb ik voor gezorgd."
"Och!" zeide de Prior: "dat jonge volk is altijd klaar, als het op vechten en smijten aankomt. Ik heb hen nog zoeken terug te houden; maar het is ijdel preken tegen wie niet luisteren wil."
"Lang mij een teug bier, broeder Keldermeester!" zeide de Abt: "ik heb grooten dorst, en mijn tong kleeft aan 't verhemelte van al hetgeen ik vandaag heb moeten praten.--Waar is de gevangen Ridder?"
"Broeder Syard heeft, toen hij hier met hem aankwam, verzocht, dat men hem in zijne cel zoude herbergen en toedienen wat hij verlangde."
"Dat is nu alles goed en wel en juist gelijk ik het ook zou hebben voorgeschreven; maar met dat al hoop ik, dat men de cel goed gesloten heeft, en de deuren van de gang ook; want wat zouden wij, oude lieden doen, indien de Ridder eens uit wilde breken?"
"Men zal er voor zorgen," zeide de vader Guardiaan, opstaande en met een bos sleutels naar boven gaande.
"Hoe!--heeft men er nog niet voor gezorgd?--Dat kan ik van broeder Syard niet begrijpen. Men ontbiede hem eens: hij is zeker met godvruchtige overdenkingen bezig."
"Broeder Syard heeft ons insgelijks verlaten, een paar uur geleden."
"Verlaten!" herhaalde de abt, die voor het eerst begon te vinden, dat broeder Syard niet overeenkomstig zijn verlangen had gehandeld: "nu! dan verwondert het mij niet, dat de jongere broeders ongehoorzaam zijn, wanneer de oudere het voorbeeld geven.--Het is tegenwoordig een zondige wereld.--Ik had gehoopt, Broeders! dat ik heden een loflied met u zou kunnen aanheffen, ter eere van onzen broeder Syard, die uit de kaken des doods verlost is geworden; _e faucibus mortis_, zooals de Schrift zegt; maar de nood van het land eischt een anderen toon: en wij zullen het _libera nos_. aanheffen.--Men geve mij mijn koorgewaden en men steke het licht in de kerk op; met de noodige zorg van niet te dicht bij hooi of stroo te komen; want een vonkje kan ons ongelukkig maken."
De bevelen des kloostervoogds werden ten uitvoer gebracht: en korten tijd daarna liet de godvruchtige schaar, onder het kerkgewelf vereenigd, het heilige koorgezang aan.
Nog was het gezang niet geëindigd, toen men vader Syard op eens zag binnentreden. Maar in stede van zijn gewone zitplaats onder zijn broeders te nemen, bleef hij midden in het kerkgebouw en vlak tegenover den Abt staan, wien hij met een blik van ongeduld aanstaarde. Wel wenkte hem vader Volkert, zich naar zijn plaats te begeven; maar hij bleef, zonder zich aan deze vermaning te storen, onbeweeglijk stand houden. De Abt, verwonderd en toornig, deed het gezang ophouden.
"Zijt gij dronken, Broeder?" zeide hij: "_num dulci vino plenus_? of heeft uw gevangenschap u van uwe zinnen beroofd, dat gij u in een zoodanige houding vertoont en onze plechtigheden stoort? Ga naar uw cel en zeg de zeven boetpsalmen op, ten einde...."
"Later!" zeide vader Syard, hem in de rede vallende: "nu is dit onmogelijk:--binnen weinige oogenblikken is de vijand hier."
"De vijand, zegt gij?" herhaalde de Abt, sidderende.
"Het is zooals ik u zeg. Hij landt aan de Zuidvenne. Ik bevond mij nog op het pad langs het meer, toen ik over de hoogte heen de masten zijner schepen gewaarwerd: binnen een halfuur kunnen zij hier zijn."
Een schrikbarende stilte volgde op deze mededeeling des monniks: de verschrikte grijsaards zagen hun Abt aan, om van dezen te vernemen, wat er te doen viel; maar het anders zoo fleurig gelaat van vader Volkert was thans door de bleekheid van den angst overtogen.
"Broeders!" zeide de Abt, met een bevende stem: "wie kan er raad schaffen?"
"Ware het niet best, naar Stavoren te trekken?" vroeg de pater Prior, "daar zijn wij veilig voor 't oogenblik."
"En ons klooster aan den vijand laten?" zeide vader Syard: "wij zijn geestelijken, Vader! maar wij zijn Friezen: zouden wij het voorbeeld geven van te vluchten?"