Chapter 42
"Dacht ik het niet?" zeide Sytsken: "en wist gij nergens beter raad te krijgen, dan bij die nuffen?"
"Zwijg Sytsken!" zeide Aylva: "en laat Feiko zijn rede voleindigen. Welnu--gij waart dan bij Wybinga."
"Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet tegen de anderen varen kon;--want zij liepen nu allen naar de kaai, omdat men het vaartuig al in 't gezicht kreeg:--en ieder wou de eerste zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus; want hij was op stroom gaan liggen."
"En toen?"
"Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende hield mij voor een varensgast; 'k was ook de eerste aan boord; maar jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld."
"Goede God!" riep Madzy: "en hebben zij hem vermoord?" vroeg zij met een nauwelijks hoorbare stem.
"Neen!--maar 't heeft weinig gescheeld:--Ridder Reinout heeft het zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen zal blijven."
"Reinout!" riep Madzy: "God loone hem!"
"Hij is mijner waardig," zeide Aylva, verheugd:--"maar nu de tijding der vloot, is zij echt?"
"Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden heengestuurd:--mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem heden niet zien zoudt:--zij hebben het ook druk genoeg."
"En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel mijn paard."
"Met uw verlof," zeide Feiko: "Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast, u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond, hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook."
"Zal ik van hem mijn plicht leeren?" vroeg Aylva, vertoornd. "Doe als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige wijkplaats meer verstrekken zal."
"Ach! sta mij toe, hier te blijven," zeide Madzy: "hier kan ik u, hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het niemand ontbreken."
"Dat weet ik," zeide Aylva: "niemand dan ik, kan beter getuigenis geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den mond hebben om hun vijand te bijten.--Wees nu zoo goed en help mij, mij van dit nachtgewaad te ontdoen:--waar blijft Feiko toch?--Het is waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden."
"Waarlijk, mijn waarde voogd," zeide Madzy: "gij overhaast u te zeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben, wanneer u die het meest te stade zult komen."
"Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;--maar zie, gij beseft dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.--Maar laat ik eens aan 't raam gaan, en naar den wind zien."
"De wind is om, dunkt mij," zeide Madzy.
"Ha! welk een heerlijk gezicht," zeide de Olderman, het venster openslaande en de lucht beschouwende: "wat zeide hij, de Hollandsche vloot was nog niet in 't gezicht?--Indien zij hedenmorgen is afgezeild, moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar 't zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor 't lapje!
"Met den nacht reeds!" zeide Madzy, verbleekende.
"Gewis;--maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in 't oog; krijgen. Er is zwaar weer op zee:--zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt: merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen als een ziedende pot.--Aha! eindelijk is Feiko klaar."
"Waarlijk, Heer Olderman," zeide Feiko, die met de wapenrusting aan kwam dragen: "ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken noodig, die...."
"Wat beenstukken!--Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm: de beenen zullen wij maar ongedekt laten:--indien wij vechten, zullen wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle onnutte wapenrusting maar tot overlast.--Voorwaar!" vervolgde hij, toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: "ik kan toch merken dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen."
"Hoe dunner hoe beter," zeide Feiko lachende: "des te meer plaats is er naast u voor de pijlen."
"Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter...."
"O! wat dat betreft," zeide Feiko: "daar heeft Jonker Reinout al voor gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden."
"Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven," zeide Aylva met een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.
"Maar hoor!--daar is weer iemand: de hond blaft...."
"Ik herken die stem!" zeide Madzy: "ja waarlijk, het is vader Syard, die binnengelaten wil worden."
"Wat jaagt hem hier?" zeide Aylva: "Feiko! gij zult mij mijn helm achternadragen.--Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien voor den tijd.--Hoor hoe het onweer buldert!--Ha! daar is de vrome man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk, wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien."
"De Heer heeft mij verlost," zeide de monnik, "gelijk Hij Daniël uit den leeuwenkuil verloste."
"Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd," zeide de Olderman:--daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?--waar is mijn zoon?"
"Het is dan waar!--Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die Ridder Reinout...."
"Dat zal Madzy u alles wel vertellen:--ik moet voort: zeg mij slechts, waar ik hem vinden zal."
"Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar...."
"Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?"
Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten, zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.
"Om 's Hemels wil, mijn goede voogd!" zeide Madzy: "zult gij u waarlijk aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel hersteld zijt."
"Een heerlijk weer," zeide Aylva: "zie, de Hemel strijdt met ons. In een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel omslaan: en dan lach ik met een bui."
"Nog een woord, eer gij vertrekt," zeide de monnik: "God weet, of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen, dat Ridder Reinout uw zoon is?"
"Vanwaar die vraag?--En op dit oogenblik?" zeide Aylva:--ja, ik heb die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd, ten strijde te gaan."
"Gij hebt gelijk," zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. "Maar dan heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u, draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks, bij uw zaligheid!"
"Ik zal mijn best doen," zeide Avlva: "ik zelf heb dubbele redenen om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy betoond."
Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag, een in zijn toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen, vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld, in vollen draf den weg op naar Stavoren.
Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen, terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander veel te vertellen hadden en als 't ware verlegen waren hoe te beginnen.
Eindelijk vatte de monnik het woord op: "Wij hebben wel reden om God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te zullen wederzien."
"God heeft mij gesterkt," zeide Madzy: "maar ik heb veel geleden."
"Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop," zeide de monnik: "men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart gevangengehouden.--Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?"
"Ik zag hem het eerst op het slot," zeide Madzy: "wie hij was heb ik gezworen te verzwijgen."
"Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de hand in 't spel heeft gehad."
"Die zoogenaamde zoon?--gij hebt reden om te gelooven, dat....?"
"Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;--maar om des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen sedert ik u verliet."
Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de aanleiding tot haar opneming in 't slot Nyenstein te vermelden. De monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel in 't werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het verslag van haar reis en van het gebeurde in 't Gaasterbosch vernam.
"Hoogst zonderling!" zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had: "die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen erkennen?--En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?"
Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke in Reinouts dienst was.
"Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout zijn stilzwijgendheid koopt!--Dat alles moet zich eenmaal oplossen of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns meesters Barbanera heeft met zich gebracht?"
"Voorzeker," zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag: "maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust, zijne pillen en tincturen te gebruiken."
"Misschien!" zeide de monnik op een ernstigen toon: "ik geloof dat gij met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog niet missen te Sint-Odulf.--Zoo gij dus geen vaak hebt, luister."
Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren, deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten.
"Mijn eerste gevoel," vervolgde hij, "was, gelijk gij denken kunt, een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te dulden eens gevloekten godslasteraars;--maar ik offerde mijn lijden den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden, en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat anders wellicht verborgen ware gebleven.
"Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:--weder geen voedsel:--gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal 's weeks gevuld werd, nog halfvol;--maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera: en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen: en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan, dat hij mij half in 't Italiaansch, half in krom Latijn, half in gebroken Hollandsch deed: het kwam hierop neer, dat hij zich in 't verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland aankwam, die naar Italië trok en in 't voorbijgaan den Prelaat bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld: dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde, en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken, en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in 't werk stelde om hun nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard, hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had; anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde."
"Goede God!" riep Madzy: "en van waar bekwam hij die overtuiging?"
"Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich 's nachts ontkleedde, zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had."
"En zou Deodaat dat teeken....?"
"Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in 't oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding, dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval eenigszins gewijzigd.--Maar hoor verder:--Barbanera verhaalde mij, dat hij met opzet Bianca's brief, waarin deze omstandigheid vermeld was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust."
"Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!"
"De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam, den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te voldoen;--maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:--en in niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u."
"Ik dank u, goede Pater!--En hoe werdt gij verlost?"
"Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben, het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid, daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn wond hersteld, en in 't leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende, dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De Bisschop had nu, zoo 't scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik begaf mij naar den listigen kerkvoogd."
"Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?"
"Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij, niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:--en inderdaad, ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere, u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben."
"En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?"
"Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven van Deodaat."
"En hij zelf, wie is hij dan....?"
"De zoon van Bianca's dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was van een hunner.--En thans!" vervolgde de monnik, opstaande, "moet ik naar Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland wijden.--Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,--het ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen brengen eer Willem nog een leger bijeen had."
Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op 't gelaat geschilderd.
"Heilige maagd!" riep zij: "daar is de bliksem zeker in den toren van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand."
"De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren neerkomt?" zeide de monnik: "dat zou mij vreemd voorkomen."
"Ik verzeker u," hernam Sytsken, "dat het geheele zwerk rood is van de vlam die opstijgt."
"Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen is?" stelde Madzy voor.
"Het zwerk rood van vuur!" herhaalde vader Syard: "dan zeker moet er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u te volgen."
De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen, dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam, die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had, dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.
"Het is niet Stavoren dat in brand staat," zeide hij: "Stavoren ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft uitgestoken."
"Ik hoor het alarmgeklep!" zeide Madzy: "de vijand moet geland zijn."
"Hij is geland!" riep de monnik: "ik moet geen tijd verliezen, de ure des gevaars kan voor ons klooster komen:--en dan mag niemand zeggen dat broeder Syard afwezig was."
Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den landweg af derwaarts geleidde.
TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Sy quamen 's morgens met getaelen Van schepen, klein en groot; Maar toen de nacht begon te daelen Riep elck: waer is de vloot?
Geusen-liedtjen op de Armada.