De Roos van Dekama

Chapter 41

Chapter 413,990 wordsPublic domain

"Neen!" riep Reinout, wiens onstuimige ziel gedurende het verhoor een bangen kamp gestreden had, en die, eerst beschaamd op het onverwacht herzien van den man, dien hij beleedigd had, bij diens gevaar al zijn vorige vriendschap had voelen herleven: neen! ik verzet mij tegen zulk een schanddaad!--Ik zal nimmer gedoogen, dat een edel Ridder, dat de vriend mijner jeugd, aan een verfoeilijke wraakzucht worde opgeofferd. Al stond geheel Friesland op om hem aan te vallen, ik zal hem blijven beschermen, zoolang er een droppel bloeds in mijn aderen vliet. O mijn Deodaat! mijn eenige, mijn oprechte vriend! kunt gij het mij vergeven?--Ja--ik geloof nu aan uwe onschuld; want Madzy heeft mij daarvan verzekerd:--en uw eerlijk oog kan niet liegen.--Deodaat! zoo gij sterven moet, sterf ik met u, en wij zullen ten minste als vrienden vergaan."

"Reinout!" riep Deodaat, hem met vervoering de hand drukkende: "Ik hervind den vriend, dien ik verloren waande! nu kan ik gerust sterven."

"En met welk recht," vroeg Adeelen: "durft gij, die u sedert een blauwmaandag onzen landgenoot noemt, u tegen mijn wil en dien van Frieslands overheden verzetten?"

"Bloos, bloos Adeelen!" riep Reinout: "ziet gij hem aan en schaamt gij u niet? Lag zonder hem uw lijk niet te rotten op het Haarlemmer kerkhof?--Heeft Madzy Dekama hem haar ontkoming uit het Sticht niet te danken?--uw wil!--ja, het is altijd uw wil geweest, hem leed te doen?--Wat praat gij van uwen wil? moeten wij, die ons van de oppermacht eens Graven ontslaan, van uwe luimen afhangen! Waag het, hem een haar te deren, en al wat in Friesland met Aylva of Dekama vermaagschapt is valt u af."

"Luistert toch niet naar dien dwaas," zeide Adeelen: "heden verdedigt hij een man, wien hij drie maanden geleden naar de hel wilde sturen."

"De vreemdeling heeft den dood verdiend," zeide de voortvarende Abt van Bloemkamp: "en wij hebben allen daarin medegestemd. Zal dat gehaspel nooit eindigen?"

"Herroept dat schandelijk vonnis," zeide Reinout: "gij kunt er geen gezonde redenen voor inbrengen!"

"En die bende krijgsvolk, in zijn schip verborgen?" vroeg Adeelen, met bitsheid.

"Waar zijn zij? Wie heeft die gezien?--uitgestrooide praatjes, om 't slechte volk op te ruien.--Hij zegt, hij komt als afgezant, en gij verscheurt zijn geloofsbrief:--en gij veroordeelt hem onverhoord.--Moet dan de Friesche naam een schandnaam worden?"

De taal van Reinout scheen eenigen indruk op de aanwezigen te maken: de Abten van Lidlum en Sint-Odulf althans gaven blijken van goedkeuring; terwijl Cammingha en Martena een blik van ontevredenheid op Adeelen sloegen.

"Beschermt den weerlooze," vervolgde Reinout, "gij allen, die vrienden zijt van ons huis. Ik smeek u daarom, in naam mijns vaders, in naam van den edelen Aylva."

"In naam van Aylva!" herhaalde vader Syard, en zag Reinout aan met een blik van verwondering en twijfel: "maar ja," vervolgde hij: "ook ik smeek u in dien zelfden naam en in dien der rechtvaardigheid: geeft aan geene onbesuisde drift gehoor. Deze Ridder hier (op Deodaat wijzende) zou een twistappel tusschen u worden en Friesland heeft niets meer van doen, dan eensgezindheid onder zijn zonen. Schort zijn vonnis op tot na de beslissing van het lot, dat ons vaderland wacht: en dan, spant de vierschaar over hem. Dat hij intusschen op zijn ridderwoord gevangen blijve, en zij hem een eerlijke kerker aangewezen."

"Ziedaar juist, wat ik wilde voorstellen," zeide vader Volkert: "laten wij hem in Sint-Odulf bewaren: indien gij hem dan later van kant wilt maken, is het altoos nog tijd."

Op dit oogenblik keerde de Hopman Eise Makkinga terug met de tijding dat het Hollandsche vaartuig, reeds voordat hij aan de haven kwam, het anker gelicht had en afgezeild was.

"Goddank!" dacht Deodaat: "mijn brave spitsbroeders zijn gered!"

"Die tijding neemt mijn laatste bezwaren weg," zeide Cammingha, oprijzende: "en ik zie nu geene redenen meer, om bij ons overhaast besluit te blijven. Er is thans geen bewijs, dat deze vreemdeling een aanslag in den zin had, en ik acht, dat wij zonder gevaar het onderzoek tot een meer geschikte gelegenheid kunnen uitstellen."

"Voorzeker!" zeide Martena: "en ik zou bovendien niemand willen deren, in wien het huis van Aylva belang stelt."

De Abten, zelfs die van Bloemkamp, die slechts naar een afdoening van zaken verlangden, en de overige Edelen voegden zich bij het advies.

"Geef uw toestemming, Adeelen!" fluisterde Cammingha hem in 't oor, "zoo gij niet begeert, dat wij uw handelwijze aan een min zuivere reden dan aan vaderlandsliefde toeschrijven."

"Gij zijt allen een hoop dwaze kinderen," zeide Adeelen, "en gij weet zelf niet wat gij wilt. Ik heb voor den dood van dien man gestemd, omdat ik dien noodig oordeelde voor het algemeene welzijn:--en niet omdat ik hem haat, ofschoon ik geenszins schrome ook dit te bekennen. Ja! nog liever dan hem naar de gevangenis te sturen, gaf ik hem geheel vrij, in de hoop van hem in 't veld te kunnen bestrijden.--Maar dit alles doet er niets toe:--gij verlangt het allen:--en ik moet toegeven. Hij geve dan zijn woord en ga naar den duivel.... of naar Sint-Odulf."

Na deze fraaie uitboezeming, welke Adeelen geheel kenschetste, wierp hij zich in een armstoel, den rug naar de vergadering gekeerd.

Deodaat ziende dat hem niets anders overbleef, aarzelde niet om zijn woord te verpanden van gevangen te blijven: en na een korte woordenwisseling werd er algemeen goedgevonden, het voorstel van den Abt van Sint-Odulf aan te nemen. Men besloot echter, den avond af te wachten om hem derwaarts te vervoeren, ten einde hem niet opnieuw aan de woede van het verhitte grauw bloot te stellen, en hem zoolang in het raadhuis te bewaren. Dit alzoo bepaald zijnde, ontboeide men hem en bracht hem in een zijvertrekje, waar men hem alleen liet.

Een geruimen tijd had hij daar gezeten, eer hem de lust bekroop eens aan 't venster te gaan zien, dat openstond; want de Friezen waren zelven zoo gewoon, aan hun gegeven woord getrouw te blijven, dat zij ook tegen den gevangene geen argwaan voedden en dus alle voorzorg overtollig rekenden. Men had van uit dit raam het gezicht op een boomgaard, waarin enkele pereboomen groeiden, zijnde schier het eenige houtgewas, dat men, op dezen schralen en aan gedurige zeewinden blootgestelden hoek, in 't leven kon houden: over den lagen aarden wal, welke daaromheen gelegd was, en tusschen eenige huizen door, op den stadswal gebouwd, onderscheidde men een klein meertje, dat (sedert uitgemalen) ten zuidoosten van Stavoren lag: en daarover den heuvel, waarop het bevallige Coudum gelegen is. Weinig dacht Deodaat, dat een der beide torens, die hij in de verte zag oprijzen, het aangebeden voorwerp zijner eerste en eenige liefde bevatte.

Nauwelijks had hij over dit schouwspel dien onbestemden en dwalenden blik doen weiden, welke op de voorwerpen rust zonder die te zien en te kennen geeft, dat de gedachten verre van daar zijn, toen hij zich door een zachte, gesmoorde stem hoorde toeroepen. Hij zag in den tuin beneden; daar was niemand; maar nogmaals deed zich het flauwe geroep hooren; en nu ontdekte hij tusschen de bladeren van een zwaar beladen pereboom het gelaat van zijn schildknaap.

"Zweder!" zeide hij: "welk een onvoorzichtigheid.--Indien iemand u zag...."

"Stil!" zeide de schildknaap: "tracht het venster uit te klimmen. Gij kunt u over de heining redden."

"Ik mag niet: ik ben op mijn woord gevangen," zeide Deodaat.

"Des te erger.--Ik ben, toen ik u niet meer helpen kon, naar boord gezwommen en heb hun geraden zich te verwijderen."

Deodaat knikte goedkeurend.

"Zij komen echter hedenavond terug en zullen ten noorden der stad ankeren. Waar voert men u heen?"

"Naar Sint-Odulf."

"Dan weet ik genoeg," zeide Zweder, en zich uit den boom latende vallen, klauterde hij als een kat den aarden wal over en was terstond uit het gezicht. Hij had geen gelukkiger oogenblik kunnen uitkiezen; want bijna op hetzelfde oogenblik ging de deur van Deodaats tijdelijke gevangenis open en Reinout vloog in zijn armen.

"Hoe moet ik het toch verklaren," zeide Deodaat, nadat de eerste uitboezemingen over waren, "dat gij u hier in Friesland bevindt en u den zoon van Aylva noemt?"

"Gij hebt mij niet willen gelooven," zeide Reinout, "maar ik had toch geen onrecht mij met dien meester Barbanera te onderhouden. Hij heeft mij de bewijzen mijner geboorte bezorgd en mij gemaakt wie ik ben."--En hij deelde hem mede hetgeen onzen lezer reeds bekend is.

"En ik? wie ben ik dan?" kon Deodaat niet nalaten uit te roepen, nadat hij zijn vriend geluk had gewenscht.

"Gij!" zeide Reinout, blozende, en hem niet willende bedroeven, door hem te melden dat, zoo een hunner de zoon van Aylva was, de andere noodwendig die van Barbanera zijn moest; "gij zijt.... ik weet het niet:... zeker een basterd van Carlo della Scala;.... maar dat zal ook wel eens aan 't licht komen."

"Ik vrees er voor," zeide Deodaat, het hoofd schuddende: "maar, ik handel dwaas met mij daarover te bekommeren.--Gij waart dan, zoo ik u wel begrepen heb, bij het leger van Utrecht!--En gij kondet uwe oude wapenbroeders bevechten!"

"Helaas!" zeide Reinout: "het lot heeft het zoo gewild: ik zal het immers wellicht spoedig nogmaals moeten doen!--Maar thans is het mijn plicht; ofschoon ik u zweer, dat het mij tegen de borst stuit, met deze ongelikte beren ééne lijn te trekken; en dat ik dikwijls het hof van Graaf Willem terug zou wenschen, ware het niet om...."

"Welnu! voleindig!" zeide Deodaat.

"Ik durf niet:--ik zou van iemand moeten spreken, wier naam gij ook niet zonder blozen zoudt hooren:--en van die moet tusschen ons de rede nimmer meer zijn; want bij alle heiligen! Deodaat! ik zou u andermaal kunnen haten, indien ik u weer in haar gezelschap zag.--Spreken wij liever van onverschillige zaken: van Utrecht, bij voorbeeld.--O! toen ik daar tegen de uwen streed, wist ik niet wat ik deed; ik was als iemand, die van den duivel bezeten is.--Maar verhaal mij toch eens, hoe is de stad overgegaan? En op welke voorwaarden?"

"Na den afloop van den wapenstilstand," zeide Deodaat, "heeft Utrecht het nog eenigen tijd gehouden; maar men kon toch zien dat de verdediging meer slap in haar werk ging, en dat de belegerden weldra tot het uiterste zouden gebracht worden. De Graaf, geheel van zijn wond hersteld, had dan ook het bevel gegeven, dat men den laatsten storm zou wagen, die ongetwijfeld beslissend ware geweest, toen zich eensklaps als een loopend vuurtje de tijding in het leger verspreidde, dat de Bisschop uit Frankrijk terug was gekomen en zich in de tent des Graven bevond."

"Inderdaad!" zeide Reinout, glimlachende: "hij kwam wel juist van pas!"

"Wat er tusschen hen beiden is verhandeld, heb ik niet recht te weten kunnen komen; maar het schijnt, dat Jan van Arkel 's Graven vertrouwen heeft weten te herwinnen en genade voor zijn oproerige stad te verkrijgen. De Bisschop is vervolgens naar Utrecht vertrokken, alwaar hij als in triomf is binnengehaald en men hem den verlosser der stad genoemd heeft. Door zijne bemiddeling is vervolgens het verdrag der overgave tot stand gebracht, waarin voor Utrecht meer onteerende dan wel nadeelige voorwaarden vervat waren."

"En gewis, de vrome Bisschop heeft zich zelf bij die gelegenheid niet vergeten," zeide Reinout.

"Hij heeft althans tengevolge van dit alles meer gezag in de stad weten te bekomen dan een zijner voorzaten ooit gehad heeft. De Kapittels hebben niets meer te zeggen: de regenten der stad zijn door nieuwe vervangen: en de Bisschop regeert naar zijn welgevallen, daar Willem een onbepaald vertrouwen in hem stelt...."

"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Reinout, zonder na te denken; "niemand verstaat beter dan Arkel de kunst om iedereen te winnen...."

"Hoe!" zeide Deodaat verwonderd: "van waar kent gij hem?"

"Ik?" herhaalde Reinout, verrast: "dat is te zeggen.... ik heb het gehoord."

"Neen, maar," hernam zijn vriend: "het ware mogelijk, dat gij hem gezien hadt; want er zijn lieden, die beweren dat hij zich sedert een geruimen tijd, eerst nabij Haarlem, en later in het Sticht heeft opgehouden. En hieruit nemen sommigen aanleiding om hem te wantrouwen."

"'t Ware zeker mogelijk," zeide Reinout: "dat terwijl uw Graaf met zijn vloot herwaarts komt, Arkel de gelegenheid waarname om hem den oorlog te verklaren."

"Dat ware niet mogelijk," zeide Deodaat: "want Arkel zelf zal den Graaf op den tocht vergezellen. Een der punten van het verdrag was, dat hij hem met hulptroepen zoude bijstaan in zijn onderneming tegen Friesland."

"Die verrader!" riep Reinout: "op het oogenblik, dat wij hier volk verzamelen om tot ontzet zijner stad aan te rukken!--'t Is waar! 't heeft hem niet veel gebaat, en hij heeft weinig reden om zich over onze voortvarendheid te verheugen.--En dus is des Graven vloot in vollen aantocht naar deze kust?"

"Ziedaar," antwoordde Deodaat, met een glimlach, "hetgeen ik mijn Frieschen vriend niet mag verhalen."

"'t Is waar ook," hernam Reinout lachende: "welnu! ik zal openhartiger zijn met u:--en ik zal u verklaren dat ik het weet--en wel door denzelfden vader Syard, aan wien gij uw gevangenneming en tevens uw leven te danken hebt."

"Maar, hoe wist hij?...."

"Luister!--de man heeft, ik weet niet hoe en waarom, in een kerker ergens in het Sticht gezeten. Daaruit verlost zijnde, is hem door iemand, dien hij ons niet genoemd heeft, geraden, zich zoo spoedig mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den grond zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit het bewuste schip zoude wezen."

"Inderdaad!" zeide Deodaat: "hij heeft wèl geraden."

"Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hij deelde ons den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp, die hun monniken meer met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg gehad had en indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was van de toedracht der zaak, niet naar de haven was geloopen, waardoor uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heeft kunnen bemerken, en zich daaraan onttrekken."

Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen hem wachtte.

"Welaan!" zeide deze: "ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht," vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, "toen wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, en ik zoo vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems bevelen, de zijne zou volgen?"

"Ik geloof," zeide Deodaat, "dat hij meer moeite zal hebben om zich door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf."

"Ik moet mijn oordeel opschorten," zeide Reinout, de schouders ophalende: "alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in 't werk:--dit is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscht. Het gemeen, dat alles behalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden, wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van de vroedschap, en het ophangen van onzen armen Claes Gerritsz:--de man is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges, waar hij te voren den mond van vol had, op eens gezwegen, en is bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeken, dat hij zijn marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had.--Maar het wordt mijn tijd!--Vaarwel!--Ik moet van hier."

Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizend gissingen naar den verrader, die zoo getrouwelijk al de geheimen van den aanslag des Graven aan den monnik van Sint-Odulf had medegedeeld.

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende, zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan, toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.

"Daar zal onze goede Feiko zijn!" zeide Madzy, haar boek nederleggende: "die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is."

"Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen," zeide Aylva, "om zijn lang uitblijven te vergoeden."

"Ach!" hernam Madzy, met een zucht: "in de tegenwoordige dagen is een belangrijke zelden een welkome tijding."

"Ik ben overtuigd," zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek zat te spinnen, "dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar zijn tijd verpraat."

Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het hart van den jongeling gemaakt had.

"Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?" vroeg Madzy, toen de dienaar het vertrek binnentrad.

"Weinig goeds," antwoordde deze: "de Hollandsche vloot is in aantocht en misschien voor morgen op de kust."

"De Hollandsche vloot!" herhaalde Aylva: "Feiko, zegt gij waarheid?--Breng mijn wapens!--Ik heb reeds lang genoeg als een nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft."

"Om 's Hemels naam! mijn goede voogd!" zeide Madzy: "denk om uw zwakheid, om uw ongesteldheid."

"Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijn een pijl af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?--Hedennacht, zegt gij?"

"Laten wij ten minste eerst vernemen," zeide Madzy, "wat Feiko te verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt."

"Gij hebt gelijk:--welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder uitweidingen of herhalingen."

"Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter, sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven; maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen, ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls zeg: Daamke! zeg ik...."

"Wat bruien ons Daamke en zijn pillen," zeide de Olderman, ongeduldig wordende; "ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart dan te Stavoren."

"Nog niet, Heer Olderman!" hernam Feiko met veel koelbloedigheid: "ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken, omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil," vervolgde hij, ziende dat Aylva van drift begon te stampvoeten, "dat ik er uitzag als een Urker varensgast."

"Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper kleedt?" vroeg Sytsken, spijtig.

"Maar Feiko!" zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: "wat kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan 't lijf hadt?"

"Meer dan gij denken zoudt misschien," antwoordde Feiko: "ik kwam dan te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel wonderlijke dingen."

"Nu vraag ik toch eens," zeide Sytsken: "wat Feiko altijd met die varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van een edelman?"

"Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen aanhooren?" vroeg Aylva: "kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai niet noodig."

"Wij komen er al," zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende: "maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans om alles te vertellen zonder iets te vergeten."

"Kom, ga voort, mijn goede Feiko!" zeide Madzy, verontrust door den staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurde dat zich Aylva bevond: "verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk."

"Welnu!" vervolgde Feiko: "de Workummer verhaalde dan, dat hij met vader Syard uit de Eem was gekomen en dat...."

"Is vader Syard terug?--Is het mogelijk!" riepen Aylva en Madzy verheugd uit.

"En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool was hun te vlug."

"Welnu! is dit alles?"

"Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand was vastgeraakt, 't geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn overal verzet of...."

"Wij weten het:--ga voort."

"Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat vaartuig:--ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;--maar wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was, die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid."

"Een mantel met lieren...." riep Madzy; terwijl een hoogrood hare wangen bedekte.

"Een mantel met lieren!" herhaalde Aylva: "was niet ridder Deodaat op het steekspel juist zoo gekleed?--Het is het wapen van de Scalieri!"

"Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde," zeide Feiko: "maar ik hield mijn mond.--En toen kwam er een ander, en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen--en dat er gewapend volk in dien bierhaalder school:--en toen werd het volk zoo giftig, dat het aan 't plunderen en aan 't hangen ging."

"Hangen! wie hing men?"

"Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;--maar daar bemoeide ik mij niet mee:--ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen, dat die nu van een slechte reis kwam."

"Dat was wel van u gedacht," zeide Aylva.--Madzy sprak geen woord; maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen, hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.

"Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden: en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken."