Chapter 37
Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf, die juist aan 't woord en bezig was der vergadering te verhalen dat broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen, en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:--en nu vertoonde zich, zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere, het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den voormaligen Marktschrijver van Haarlem.
Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten, maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aan te bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen: welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest, maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters, vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden; maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat 's Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet, daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.
Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken, stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon hier omtrent denzelfden indruk maakte als een bunsingstaart zou doen in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid, welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde, liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen, den nieuwaangekomene toesprak:
"Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?"
"Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!" zeide Claes Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter hield als bemerkte hij zulks niet: "ik dacht weinig, toen wij malkaar laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten zich niet, maar...."
"Maar kort en goed," viel Aylva in: "wat is het doel uwer komst?"
"Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?--Ik kom een weinig laat, 't is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen...."
"En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen," riep Adeelen, lachende.
"Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen," hernam Aylva.
"Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het belang der Heerlijkheid?"
"Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen," zeide Aylva: "hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken stap hebben afgeraden: en," vervolgde hij halfluid, "ik rade u thans nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig gelaat, dat u weinig goeds belooft."
"Hoe!" zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: "ik wil niet hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan...."
"Wat wil hij?--wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!" riepen nu verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de vergadering rondgingen.
"Welnu!" riep Adeelen: "Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij ziet het!--op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn verspieders zenden."
"Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik trommelen!" riep Helbada.
"Zijt bedaard, vrienden!"--riep Aylva: "laat mij hem ondervragen. Vriend!--Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet om hier zitting te nemen?"
"Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V," hernam Claes Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, "zullen ter plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten, Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen...."
Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen.
"Hij verlangt zitting onder ons," riep Aylva met luider stemme: "Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven."
"Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!" schreeuwde Helbada.
"Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!" riepen anderen: "wij zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.--Is er geen water in de buurt?--Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!"
En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan zijn woorden te geven.
"Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen," kraaide Claes Gerritsz zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij bereiken kon; "denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen ofte anderen 's Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden zal beleedigd hebben...."
"Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u," zeide Aylva, op een gestrengen toon: "de gemoederen zijn verhit: en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen."
"Hier is de opene brief," zeide Claes Gerritsz, een perkament voor den dag halende, "waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft aangesteld tot...."
"Wij zullen u het lezen besparen," zeide Adeelen, die, inmiddels genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een boomtak hangen bleef.
"Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?" vroeg de Ambtman, zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden blik beschouwde.
"Gij ziet uw kaarteblad hangen," vervolgde Adeelen: "welnu! zoo gij geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want, bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft."
"Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!" riep Aylva, op een strengen toon: "dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne landdagen gedoogd."
Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval, dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtige vertoogen ter aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament, dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.
"Daar is zij! daar is freule Madzy weer," riep hij, springende, en zijn muts in de hoogte werpende.
En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland, hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den weerstal zouden vinden, waren zij 's morgens derwaarts gereden.
"Mijn dochter!" riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met teederheid omarmende: "zijt gij het waarlijk?"
"Hoezee voor Madzy Dekama!" riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis eenstemmig: "Hoezee voor de Roos van Dekama!" riepen Schieringers en Vetkoopers: "Hoezee!" riep de gansche vergadering. Adeelen alleen bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.
"Verschoont mij, edele Friezen!" zeide Aylva, "zoo ik een oogenblik aan mijn gevoel toegeve:--ik zie, met vreugd, dat gij allen in de blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.--Maar zeg mij, mijn kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?"
"Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding," antwoordde zij, hem de hand kussende; "maar ik weet, gij handelt hier over 's lands belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is hier onvoegzaam.--Waar zal ik u afwachten?"
"Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert: daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn."
Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende, maakte zij zich gereed te vertrekken.
"Men zal zorg voor u dragen, goede vader!" zeide Aylva, ziende dat de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.
"Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht," zeide deze, "'t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond: ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen uitstel lijden mag."
Bij deze woorden, welke Madzy's geleider op een krachtigen, doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren, waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen; haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekende de angstigste verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde, keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in 't gelaat te zien.
"Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries," zeide Aylva: "of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van Friesland betreffende."
"In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor," zeide de onbekende, "de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen."
Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil: en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk, Reinout van Verona herkende.
"Wat wil dit?" zeide hij: "is dit een scherts, dan is zij afschuwelijk!"
"Geene scherts!" zeide Reinout, zonder van houding te veranderen: "of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te smeeken, die hem te lang onthouden werd?"
"Gij!" riep Aylva in hevige ontroering: "gij de zoon van Bianca di Salerno?"
"Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden, welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw naricht geven kan."
Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.
"God! wat heb ik gedaan?" riep Reinout, opspringende: "de ontroering, de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt."
De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de toekomst dacht, en zag in 't vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde vervolgen.
Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen, lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: "ik neem u gevangen," zeide hij, "als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig uit 's Graven gevangenis."
"Hoe! wat? wat zal dat?"--riepen verscheidene stemmen.
"Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!" vervolgde de Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep, die hier weinig gezag had: "Reinout van Verona, dien gij hier ziet, ligt onder den ban des Graven:--ik eisch dat hij in mijne handen worde overgeleverd."
Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik naar den spreker: "Er is geen Reinout van Verona meer," zeide hij: "dus is de ban uws Graven nietig:--en wat Deodaat betreft, die is zoo levend als ik:--gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid."
"En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel verhuisd," zeide Adeelen: "welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt u zoo stout," vervolgde hij tot Claes Gerritsz, "om niettegenstaande onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u 't hoofd van den romp."
"Neen!" zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: "Laat hij nog een oogenblik blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven, dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan Friesland alleen."
"Wèl gesproken!" zeide Adeelen: "en wie anders denken moge, Seerp Van Adeelen houdt u voor een echten Fries."
Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen volgden zijn voorbeeld.
"Goddank!" zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: "hij opent de oogen weder."
"Wat is hier gebeurd?" vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende: "was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?--Maar neen, de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind, gij daar?--Gij zijt toch altijd mijn dochter!"--
"O! laten wij van hier gaan, mijn vader!" zeide zij: "laten wij naar een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen," herhaalde zij, ziende dat Aylva weder ineenzakte.
Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout, dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.
"Wat wilt gij?" vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging aanziende: "verlangt gij hem te vermoorden?"
"Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?" zeide Reinout met een smeekend oog: "wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen."
"Terug!" zeide Madzy met fierheid: "verdien eerst den naam van zijn zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen."
Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.
Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen, gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door, om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij, dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.
"Friezen!" zeide hij: "ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in uw aller harten vinden zal. _Te wapen_!--Het is de vraag niet meer, of gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is, ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het, dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen: zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen zal door geen vreemden voet bezoedeld worden."
Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij, die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich, nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware, dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringen het geval is, en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting besloten, een leger naar Utrecht te zenden.
ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus' nazaat waard.
Bilderdijk. Darius aan Alexander.
De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak, aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof: leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk, aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu men het in 't werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken: en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten, terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende, elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen.