Chapter 36
....Die zich inbeeldt, door het bukken, Te vinden 't einde van den nood, Is van gesond verstand ontbloot. 't Moet er heel door, of wel aan stukken.
Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.
Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting, doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden, en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers, die hun vergezelde: 't zij uit loutere staatsie, 't zij uit voorzorg tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen, dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen, en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had, en die aan de burgers zijn bescherming verleende.
Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte, welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde: anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden zich op een tijdstip, dat men een landing der Hollanders vreesde, niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.
Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg, waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk, vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor 't overige leverde hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend, had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter, het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met de zee in 't verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan, het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo 't hun voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw, die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.
Het was, gelijk reeds gezegd is, in 't midden van dit oord, dat zich de plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik, dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden, de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder den naam van de _wilde merkt_ behouden heeft.
Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren, welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale, en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen, die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden, geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.
Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek, hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander met een blijden groet de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen, en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken, om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor 't oogenblik en om de heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten om weder uit te barsten.
Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden, dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen, die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.
Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet, of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard, en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde, waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.
Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen, aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbende nevens zich een monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.
Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren, en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw door dwang in 's Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en onbewimpeld verklaren zoude.
De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen in Friesland waren in 't algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden, na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten, welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid des lands te bewaren, maar men schroomde, die van 't zwaard te doen afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt kon worden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd) had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva's taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte, vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in de navolgende bewoordingen uit:
"Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd: hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen, daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in heldere trekken afgemaald;--maar indien ik, indien gij geroepen zijt, om hier alleen te beslissen, hoe men 's Graven vriendschap en den vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat kostbaar erfdeel onzer vaderen,--dan verklaar ik ronduit, dat men ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem, welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen doodvijand, en kan 't zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons veracht en versmaadt!--Vrede met Holland! met Holland, dat sinds eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en onze landgenooten in slavernij te brengen!--En denkt gij, dat het met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf, die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen nemen?--Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen, en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de tanden niet verstompt zijn.--Gelooft mij: elke poging, aangewend om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal slechts strekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken, om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping, dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem: dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit, Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te fnuiken.--Ik heb uitgesproken."
Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit, brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen, naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht, waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te hooren wat ook andere sprekers mochten in 't midden brengen. Er trad er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen: men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer, dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door een Helbada werd voorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon vergramd, de hand aan 't zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:
"Zwijgt! zwijgt allen!" riep hij met een donderende stem: "wordt het hier een kinderspel?--Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik spreek?--Vetkoopers en Schieringers?--IJdele dwaasheid! ziet op het schild.--Wat staat daarop afgebeeld?--Is het het merk der Vetkoopers?--Is het een vette koe?--Past maar op! de Hollanders zullen haar melken.--Is het een schieraal, de leus der Schieringers?--Draagt zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.--Neen Friezen! het is het wapen van Friesland: een gewapend man!--Wapent u dan!--Zorgt, dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:--en dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!--ik heb ook getwist,--met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;--maar wij hebben vriendschap gemaakt:--want de Hollanders lachten in hun vuist.--Spreekt bedaard!--want bij den hemel! den eersten, die zijnen landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!"