De Roos van Dekama

Chapter 35

Chapter 353,974 wordsPublic domain

De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren toegekeerd. De ingang was nauw en werd 's nachts door een valboom gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten, onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen, welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar maken van allerlei storm werktuigen:--in 't kort, het was een tooneel vol gewoel;--maar op het oogenblik, dat Madzy en haar reisgenoot aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.

De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest herkregen had, onvervaard het poortje binnen.

"Verzoek uw hopman hier te komen," zeide zij, zich met waardigheid tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.

"Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?" vroeg de speerman, over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning verwonderd: "slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt."

Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. "Ga!" zeide zij: "en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen."

"Wat hamer!" zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid komen aan wandelen): "zijn wij onder 't spinrokken vervallen, dat wij bevelen ontvangen van een jonge meid?"

"Gij kunt vrij lachen," zeide de speerman, die het eerst gesproken had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: "er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht."

"Zie dien ouden snoeshaan," hernam de andere soldaat: "altijd hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient."

"Eene zeer juiste aanmerking," zeide de veteraan: "waarvoor gij, Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.--Zoo er lieden aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan."

Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten, terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den voorpost wandelde.

"Wat wilt gij?" vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.

"Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen: zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in 's Hemels naam."

De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid dat hem ontsnapte.

In dit oogenblik werd Madzy's aandacht door een ander schouwspel gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien, die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek, en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.

De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen, stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij gekwetst ware.

"Gave de goede God," zeide de hansworst, "dat de pijl mij getroffen had, en niet mijn trouwen vriend en makker."

"Hoe!" vroeg Madzy: "wie dan? wie is gewond?"

"Zijn broertje is gewond," riepen verscheidenen onder de omstanders lachende uit.

Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke's bittere smart geen minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had, eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.

"Lacht vrij, steenen harten!" kreet hij: "lacht vrij: er zullen nimmer zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed; maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt, mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op 't commando een buiging maken voor 't gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!--maar nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes, over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:--mijn meester; die zelfs de beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!"

Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoel sproot uit een oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht afgescheiden.

Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen; de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en haar tegelijk de hand bood om haar van 't paard te helpen. Terwijl zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in 't gezicht, en het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening te bevestigen.

De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: "de Ridder heeft nog onlangs gebiecht," zeide hij: "hij heeft nu alleen van de deerne gesproken:--misschien," voegde hij er bij, lachende om zijn eigene geestigheid, "zal hij een priester noodig hebben als het meisje van hem af is."

De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren mompelen: "ja! 't is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie zou haar kunnen weerstaan?" Sommigen echter merkten op, dat hij gedurende Madzy's afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een onverwachten aanval te verdedigen.

Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.

"Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp," zeide de schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en waar de banier van afgenomen was: "hij is den Graaf gaan bezoeken, die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert."

"En wie is uw meester, goede schildknaap?" vroeg Madzy.

"Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u."

"Gij kent mij?" zeide zij verbaasd:.... "maar nu ik mij wel herinner, ik heb u ook gezien, in een anderen dos!--zijt gij niet de neef van die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang met zooveel hartelijkheid behandelde?"

"Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons thans bevinden."

Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Een schildknaap, ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.

Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen zweefde, van Deodaat van Verona.

De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare; want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.

Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap te schetsen, dan: "is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt mij dit genoegen? 't Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!"

"God zij geprezen! gij leeft dan nog," was alles wat Madzy uit kon brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.

O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen, dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen zouden wij die vruchteloos beschrijven.

Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde, welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.

"Madzy! aangebeden Jonkvrouw!" stamelde Deodaat, terwijl hij voor haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en lippen drukte.

"Ridder! dit moet zoo niet zijn," zeide Madzy: "ons laatste onderhoud heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder hersteld te zien."

"De wond is spoedig geheeld geweest," zeide Deodaat: "en zou ik die niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van belangstelling uit uwen mond te vernemen!"

"Ridder!" zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: "waartoe dient het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien."

"IJdele plichtplegingen!" riep Deodaat: "ach! kunt gij dit ernstig zeggen?--maar gij hebt gelijk:--ik herinner mij ter goeder ure, dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt."

"Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf, hij heeft mijn hand afgeslagen."

"Mijn God!" riep Deodaat: "waar kan de man bestaan, die zulk een prijs weigert?"

"Veroordeel hem niet," zeide Madzy, blozende en verward: "hij moest denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in 't kort, hij beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten aanhooren."

"Gij zijt wederom vrij!" riep Deodaat, wiens oogen van vreugde fonkelden: "en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?"

"Helaas!" zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt, hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en weemoed: "waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen, door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt worden?"

"En waarom, vraag ik op mijne beurt," zeide de Ridder, "waarom zoudt gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken, zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop, te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet, van u eenmaal de mijne te mogen noemen."

"Ridder!" hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: "ik wil u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u wellicht boven anderen verkozen.... neen!--spaar uwe betuigingen en antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.--Gij zijt geen Fries, Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn loon zijn, indien ik tot zulk een stap besloot: en daarin zoudt gij deelen:--wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons hart;--maar!--ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet opofferen:--mijn goede naam ware onherstelbaar verloren."

"Uw goede naam!" herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig: "'t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt."

"Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij: door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen, maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom verraden had om eenen anderen mijn min te schenken."

"Adeelen verdenkt u!" herhaalde Deodaat, zich voor 't hoofd slaande: "ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen, dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn."

"Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen hebben," zeide Madzy: "mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer van een vrouw aan de punt van 't zwaard hangt."

"Gij hebt misschien gelijk," zeide Deodaat: "en toch behoort er iets gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen, dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen."

"Wel!" hernam de Jonkvrouw: "laat ons dan beginnen met voor het tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit onderhoud te vragen."

"Hoe!" zeide de Ridder: "gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?"

Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door 't hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde, dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.

"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij, "mijn trouwe Feiko!.... hij is aan de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd over hem."

"Wij zullen naar hem laten vernemen," zeide Deodaat: "Zweder!"

De jonge schildknaap trad binnen.

"Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten gevochten heeft."

"Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest," zeide de knaap: "de man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden en wachten op uw bevel omtrent hem."

"God zij geloofd!" zeide Madzy: "waarlijk, de goede Feiko was misschien wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen...."

"Hoe!" riep Deodaat! "men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?"

"Ik bid u," antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben: "laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om mijnentwil iemand leed geschiede."

"Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man ontboeie.--En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt van mij te gaan verhalen...."

Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken, ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat, indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet, en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort zou doen.

"Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen," zeide Deodaat: "ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven, dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht als 's Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had."

"Ridder!" zeide Madzy, hem haar hand toereikende: "gij zijt een edel mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang met een dankbaar hart gedenken.--Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide: wij moeten scheiden."

"Ach," riep Deodaat: "hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten, daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk ter wereld zou willen verruilen.--Dan genoeg!--Hier scheiden wij!--Ik durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud, hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u vergezelde.--Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!--geleid deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier brengen. Gij hebt mij verstaan."

"Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij mijn liefste," zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.

"Hoe nu, knaap! weet gij....?"

"Uwe Edelheid weet zoowel als ik," antwoordde Zweder, "dat men Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, zien en zwijgen;--daarvoor ben ik page geweest."

Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij te verdragen.

Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het uur van scheiden aankondigde.

Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol teederheid aan, en haalde toen haar kaper over 't gezicht. Zij traden de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.

"Een wakker beestje!" zeide Boudewijn: "maar wat hamer, heer Ridder! het gelijkt, als 't eene ei op 't andere, naar den vos, die u ontstolen is."

"Inderdaad!" zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen: "maar des te beter!"

Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, 't geen hem niet belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.

Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.