Chapter 34
"Ik beloof het u," zeide Madzy: "maar het smart mij van u, Ridder, dat gij u tot daden liet vervoeren, waarvan gij geheimhouding verzoeken moet. Neem den raad van een eenvoudig meisje aan, en handel nimmermeer in 't verborgen anders dan gij in 't openbaar zoudt handelen."
De fijne, de listige Arkel, de man, die zijn medemenschen slechts als poppen beschouwde, bestemd om door hem met onzichtbare draden bewogen te worden, was getroffen, geschokt door de eenvoudige, reine taal der waarheid, ontvloeid aan de lippen van een onschuldig meisje, dat hij kort te voren nog als een lichte prooi beschouwd had: "Engel!" zeide hij, in vervoering hare hand kussende: "ach! spreek niet één woord meer; want gij zoudt mij het scheiden al te smartelijk maken. O! waarom verbiedt mij die gevloekte gelofte u te beminnen, gelijk gij verdient bemind te worden."
"Een gelofte!" herhaalde Madzy verbaasd: "een gelofte! Wat zijt gij dan? Een Ridder van Sint-Jan?"
"Meer dan dat," antwoordde hij met een gesmoorde stem: "ik ben een priester, Madzy! ik ben" (hier fluisterde hij) "de Bisschop van Utrecht."
"Heilige God!" riep zij met verbazing uit: "gij?"
"Nu geen woord meer;--gij weet mijn geheim!--het zal u heilig blijven.--Voort! voort! aan de deur wachten uw geleiders."
En met deze woorden voerde hij de ontstelde maagd, aan wie alles wat zij zag en hoorde een droom scheen, haar vertrek uit naar beneden.
"En nu, vaarwel aan alle liefdedroomen!" zeide de Bisschop, toen hij zich 's avonds alleen bevond en zich vermoeid in zijn zetel wierp: "Ellendige wezens, die wij menschen zijn! Ik, die niets op de wereld meer bejaagde dan mijn onafhankelijkheid, ik was op het punt de slaaf te worden van een paar schoone oogen! Maar, God lof! ik heb als een andere Simson de banden dier tweede Delila verbroken.... en ik zal hem niet in zijn dwaasheid volgen, om zich mede onder de puinhoopen te begraven, welke hij op 't hoofd zijner vijanden storten deed.--God zegene u, schoone Madzy, en geve u een voorspoedige reis! Zoo die reis mij slechts een paar duizend wakkere Friezen bezorgen kon, dan ware er wellicht nog kans het beleg te rekken.--In een tegenovergesteld geval!--welnu, ook dan is mijn besluit genomen!"
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen, En valt in 's arends klaauw.
Vondel. Maria Stuart.
Ofschoon Madzy's verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten, en de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte, en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak, waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde en langzaam weder naar binnen reed, terwijl de Jonkvrouw met haar geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij, dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg, ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik, welken laatsten Arkel, zoo 't heette, uit overmaat van voorzorg, hun tot gids en gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in 't open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand, en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen moest, bleef het een gewaagd stuk, aldus door een legerplaats heen te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden, en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid, den blik nu her- dan derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde, en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd; maar de belegeraars, afgetobd na de vermoeienissen der vorige dagen, lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust, welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen onverhinderd doortrekken, 't zij uit eerbied voor den hun gegeven last, 't zij uit aanmerking van den wapenstilstand, 't zij eindelijk omdat zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen.
Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden;--want de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in; terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had, zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen overtocht van voet- en paardenvolk, legerwagens, karren met steenen, mondbehoeften, en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers, even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken voor den aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. Een los zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd, wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelven, door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met het schieten met den boog;--en daarlangs, hunne in den krijg gekwetste makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen, in slooten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den blauwen hemel te wenden: "ja!" dacht zij dan bij zich zelve: "hier op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede."
Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden, en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield, kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen, hun op zijde. "Nu!" riep hij: "bij Sint-Julfus: zoo die Cistenser broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met een diefleider hetzelfde veer moet oversteken."
"Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: "en ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had, dan vigiliën te zingen en missen te lezen:--in waarheid!" herhaalde hij, nogmaals omziende: "hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit niet beter te paard."
En door die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige ros, dat hij bereed.
"Voorwaar!" riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in 't rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: "ziedaar een schoon schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten beste.--Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje niet genoegzaam wezen om uw landje in te pakken?"
"Laten zij in tiendubbelen getale komen," antwoordde Feiko: "dan waren wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u."
Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de zijde der Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde, dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef in de achterhoede.
"Wees voorzichtig, Jonkvrouw!" riep Feiko verschrikt:--"wat duivel, Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik."
Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de monnik gaf.
Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden.
"In Gods naam!" zeide zij: "vrienden! ziet toch eens; misschien leeft hij nog."
"'t Is een Bisschoppelijke ruiter," zeide Daamke, het lijk met zijn zotskolf aanstootende: "zie eens! hij is reeds stijf."
"Dat gezicht heb ik meer gezien," zeide Feiko, de wezenstrekken des gesneuvelden aandachtig beschouwende.
"Dat geloof ik wel," zeide Daamke, lachende: "heugt u den Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper aan 't bakkeleien zijt geweest?"
"Bij mijn zaligheid!" zeide Feiko: "het is dezelfde man; maar hoe duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?"
"Zeker is hij bij een uitval gebleven," zeide de potsenmaker: "wie had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem schrikte. Zij zijn oude kennissen."
"Hoe!" zeide Madzy: "was die ongelukkige de man...."
"De man van Elske, met uw verlof," zeide Daamke: "en de dief van het paard, dat gij berijdt. Maar kom!" vervolgde hij, de bleekheid bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy's gelaat hadden verspreid: "het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden te Amersfoort willen zijn."
Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. "Gij waart dan te Plaswijk," voer zij voort: "en dat dier, was het met u?"
"Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: "nu ik mij wel bezin, moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd, begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft."
Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar verraste, natuurlijk ware of niet. "Cezar! Cezar!" zeide zij, het beest met den vinger dreigende: "gij hebt mij vrij wat onheils berokkend."
"Kom!" zeide de hansworst: "gij moet het hem vergeven, Jonkvrouw! om der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw te geven."
"Stil!" zeide Madzy: "over haar verlang ik niets meer te hooren, noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gij ginds geen stormhoeden blinken achter de heggen?"
"Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats: en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij, Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij zullen wekken."
En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen, waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt:
DE VEERMAN AAN DE LEK.
Jan Carels zit aan het Lekkerveer En vaart met zijn pontje al heen en weer: En wie aan Jan Carels geen tol betaalt, Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.
Daar roept hem een monnik, een man van verstand: "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!" "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "De monniken dragen geen beurs op zij." "Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij. De pater zijn tol met een aflaat betaalt, Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--
Daar roept hem een kook'ler, een geestige kwant: "Ei, spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!" "Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij; De kook'ler zijn tol met een kunstje betaalt, Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--
Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand: "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "De meistreel is arm, geloof mij vrij." "Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij. De meistreel zijn tol met een liedje betaalt, Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--
Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand: "Ei spoedig: gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "Och, veerman, zoo waar, 'k heb geen penning bij mij."-- "Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij." Het meisje haar tol met een kusje betaalt, Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--
Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land: "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij."-- "Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij; Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt, Die wordt met zijn pontje niet overgehaald."
Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten, die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot een goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.
"Welzoo, meester hansworst! alweer terug?" riep een der soldaten hem toe: "en nogal wel met uw aap?--Begon het u in Utrecht al te vervelen?"
"Men heeft er een al te schralen pot," antwoordde Daamke, "voor lieden, die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik."
"Ik geloof het wel," hernam de krijgsman: "en wat mij het meest verwondert, is dat men er u beiden niet aan 't spit gestoken heeft, en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld sedert hedenmorgen."
"Bij Sint-Julfus!" zeide Daamke: "dat is buit, dien ik gemaakt heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas en zijn gevangenen." En hij deed deze woorden vergezeld gaan door eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.
"Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet," zeide de krijgsknecht: "wij moeten eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen, tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een veer zou laten?--Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van de deerne; en de pater zal ons _absolutie_ geven voor al de zonden, die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven."
Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich deze en gene onder hen bediende.
"Waar is uw aanvoerder?" vroeg Feiko, vooruitrijdende: "Jonker Zweder heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan en terug te keeren."
"Tut! tut!" zeide een van de bende: "hij zou wel dwaas zijn, die hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons, en niet één zal er door zonder tol te betalen."
"Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen," zeide Madzy: "noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn."
"Arm of niet," zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: "een mooi meisje, dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg."
Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed nederkomen.
"Wij zijn op de flesch!" riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijk ons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna; maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.
Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser monnik haar op zijde gekomen.
"Vlucht!" zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende, zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door een rij berkeboomen was afgescheiden.
Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder, of zij greep den monnik angstig bij den arm: "Om Gods wil!" riep zij: "laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!"
Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.
Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen, wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.