De Roos van Dekama

Chapter 32

Chapter 324,051 wordsPublic domain

"Dit huis verlaten!" herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware vatbaar geweest: "heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij zou het nooit dulden."

"Hoe!" zeide Madzy, verwonderd en verontrust: "Nooit dulden! wat meenen deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt."

De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets, dat een glimlach beteekenen moest: "och mijn hartje!" zeide zij: "gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele: die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond, en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij, dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat 's waar;--maar er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man, die haar met de pen opvoedt, dat doet hij."

"Vrouw!" riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): "Vrouw! wat bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen dag langer in dit huis. Ziedaar!" vervolgde zij, een gouden doekspeld op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien zij die Mechtelt in handen gaf: "neem dit tot belooning der diensten, die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.--Van daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen."

Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt, waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.

"Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!" riep zij: "men gaat hier zoo niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.--En schreeuw maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!"

In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:--en Madzy, omdat zij op een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig met haar stand en geboorte.

"Hoe nu!" zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: "de wangen van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen, Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken, dan met u de minste beleediging aan te doen."

"Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?" zeide Mechtelt: "Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dacht ik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze: en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik."

"Gij dacht als een oude zottin," zeide Arkel, haar verstoord aanziende: "is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan waar zij heen wil?--Alleen smart het mij," voegde hij er bij, terwijl hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag, "dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij vergund te hebben, afscheid van u te nemen."

Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer: en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet, haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins jegens hem in 't ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.

"Vertrek!" zeide Arkel tegen de oude vrouw: "en beef, indien ik ooit weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt."

Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.

Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt, om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel om 't lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In 't kort, hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad.

"Het is dan waar," zeide hij eindelijk met een diepen zucht, "gij hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijken van eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder waarschuwing, te verlaten?"

"Ridder!" zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in 't aangezicht ziende: "het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik het meen.--Wel dan:--ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:--dit alleen is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven: en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken, dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan die, welke gij mij verleenen kunt."

"Ik heb vermeend," zeide Arkel, "de welvoeglijkheid in acht te nemen, door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de keuze bedrogen heb."

"Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?" vroeg Madzy, hem scherp aanziende: "dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....; maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:--het is mij steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!--die reden bestaat thans niet meer."

"En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven, wat hem het leven draaglijk maakt?"

"Hoe!" riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig verwezenlijkt te zien.

"Ja, bekoorlijke Madzy!" zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: "ik zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk bemin? Zie dezen arm," vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en het verband toonende, dat om den arm geslagen was: "heden werd hij in den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij verheugde de gedachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde."

Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare voeten zag.

"Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld," zeide zij: "gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns ondanks terug te houden."

"En wat is dan mijn misdaad geweest?" vroeg Arkel: "is het mij te wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo 't zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.--Is dat een misdaad, u te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel; want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide, een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden, nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken, al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele blik van tevredenheid mijne pogingen beloont."

"Ridder!" zeide Madzy: "indien ik in vrijheid ware en in 't midden van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan het onnoozele vinkje in 't kooitje sluiten of den kop inknijpen; maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van Gods vrije lucht verkieze."

"Moet ik," vroeg Arkel, "uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen, dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?"

"Neen!" zeide Madzy, ontsteld: "zoo laag zult gij niet handelen. Zoo er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van hier vertrekken."

"En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren."

"Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis gebleven;--maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden."

"Beproef het eens," zeide Arkel met een boozen glimlach, "bel slechts aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter."

Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.

"Ween niet, beminde vrouw!" zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: "ween niet: mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;--doch blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een norsch gelaat te toonen."

"Neen!" snikte Madzy: "zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit bestaan. Verfoeilijk mensch!" vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: "wie zijt gij?"

"Wie ik ben," antwoordde Arkel, "zal misschien de toekomst ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop; maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de voornaamsten in 's Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven."

"Elk uwer woorden," zeide Madzy, zich van hem afwendende, "maakt u nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen eindigen!--en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen om kwaad te doen?"

"Neen meisje!" zeide de Bisschop: "in welk ongunstig daglicht gij mijne handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet, dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan 't zijn, aan de liefde wil dank weten."

"Geen nadenken, geene overweging," zeide Madzy, terwijl zij haar oogen afdroogde en met waardigheid oprees, "zijn in staat, eenige verandering in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die, welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden, zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht, tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en hare tranen, geweld moeten gebruiken."

"Dat zal onnoodig zijn," zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken, achter een bitteren lach verbergende: "zoo uw meisjesarm sterk genoeg is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren, u aan uw kerker te gewennen."

"Welaan!" zeide Madzy: "er blijft mij een middel over om mij aan uw dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:--dan voor 't minst zal mij de dood van uw dwang bevrijden."

"Madzy!" zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud begon te nemen: "o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen; ik mag niet spreken."

"Voleind," zeide zij: "onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet, die in uwe ziel komt opgerezen."

"Helaas!" hernam hij, "zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt, gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels toe;--welaan! ik zal duidelijker spreken,--Madzy Dekama! ik ben...."

Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij eensklaps, sloeg zich voor 't hoofd en snelde de deur uit, welke hij echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten; waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.

Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde zij opnieuw den dag, toen zij voor 't eerst het land van haar geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest, die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe, zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden de roof der Friezen worden?

Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar, in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door heete tranen afgebroken;--maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar: zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:--maar wie schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats van haar gevreesden vervolger, Aylva's dienaar, den getrouwen Feiko voor zich zag.

Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het volgende hoofdstuk ophelderen.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Il faut suivre Cassandre ou choisir Antigone.

Voltaire. Olympie.

Toen Arkel zich uit het vertrek van Madzy verwijderd had, was hij naar den kant gegaan, waar het geroep vandaan was gekomen en waar hij spoedig Reinout vond, die, altijd onder de aangenomene wapenrusting van den Ridder des Rooden Adelaars, bezig was met hem overal te zoeken.

"Gij hebt welgedaan van te komen, Otto!" zeide hij met een luide stem: "ik zou u bijna reeds zijn gaan opzoeken in de verbodene vertrekken," voegde hij er zachtjes bij.

"Wat is er gebeurd?" vroeg Arkel, haastig met hem in een zijvertrek gaande: "is de vijand in de stad?"

"Neen!" zeide Reinout, wiens gelaat van angst en toorn scheen te gloeien: "maar ik wilde u het vertrek doen verlaten, waar gij u in bevondt, en waar ik niet binnen mocht komen, zonder mijn belofte te schenden."

"Wat is er dan zoo dringends?" vroeg de Bisschop, die reeds in een kwade luim gebracht was door den slechten uitslag van zijn bezoek bij Madzy, en bij wien deze woorden van Reinout weinig geschikt waren een betere stemming te doen ontstaan.

"Bisschop van Utrecht!" zeide Reinout, hem met fonkelende oogen aanziende: "wie is het meisje, dat gij daar in de gindsche kamer houdt opgesloten?"

"Stil! stil toch!" zeide Arkel, zich verbijtende: "gij weet immers, dat ik slechts uw schildknaap ben."

"Geef antwoord!" hernam de woedende jongeling, "of ik ga uw naam overluid op de markt schreeuwen."

"Dat ware vrij ondankbaar van uwentwege," zeide Arkel: "maar herinner u, dat gij mij uw woord gegeven hebt van geen onderzoek te doen naar hetgeen gij thans begeert te weten."