Chapter 31
"Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden," zeide Arkel: "en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk, dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot."
IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken waren, en verscheidene middelen aan de hand deed om partij te trekken van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen.
Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en de draagstoel, waarin Madzy zich bevond, en welke door een boerenknaap gemend werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog iets te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende, fluisterde hij hem zachtjes in 't oor:
"Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of te spreken krijgen."
"Ware het dan niet beter," zeide Peter, "dat men hen liet uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot."
"Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden."
En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder naar zijn gezelschap.
"Ziedaar een juweel van een dienaar," zeide hij, terwijl zij nu gezamenlijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: "of liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond, hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden, hier te brengen, hij zou het doen ook."
"Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus doet handelen?" vroeg Reinout.
"Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is, waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: 'gij Peter! zult Jonker Jan bedienen,' en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: 'Peter! gij zult het slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:'--en Peter vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam, vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek, vier jaren geleden, had laten vallen."
Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid: maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder zwijgend en treurig voor zich heen.
"Ik had verwacht," zeide de Bisschop, "dat gij uw zwarten hengst met meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes dagen; maar waarlijk, gij slaat niet meer acht op hem, als ware hij de ezel van Barbanera's hansworst."
Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt hunner twijfelachtige geboorte, aan 's Graven hof geëerd en gezien waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood;--en thans! welk een onderscheid!--als een moordenaar zwierf hij rond, half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde niet hebben willen opofferen om zijn vriend in 't leven terug te roepen:--hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien: het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken, zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem uitreed; niets in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle hinderpalen:--en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden, dat de Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever in den Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan.
"Ik beken," zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, "dat mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat is mij op te beuren.... dan, gij hadt mij beloofd, mij opheldering te geven omtrent uw gedrag jegens mij."
"En belofte maakt schuld, nietwaar?--Welnu! ik beken u openhartig, dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar een onderhoud met Barbanera loste mijn zwarigheden op. Ik schroom niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man, aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar, wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming te schenken, moet ik om de uwe vragen."
"De mijne!" herhaalde Reinout verbaasd: "welke bescherming kunt gij van een ongelukkigen zwerver verwachten?"
"Ik zal u zulks verklaren. Staatkundige redenen, wier gewicht u later blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen, in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar: die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder uwe vleugelen schuilen."
"En onder wiens vleugelen," vroeg Reinout, "zal onze reisgenoot schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?"
"Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken."
"Ik versta u: en ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk eigendom te raken."
"De Graaf van Holland is minder nauwgezet," zeide Arkel: "hij zou den geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over te gevoelen;--maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht ik wederkeerig uw vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent u zelven gedaan."
"Gij weet ook dit!...."
"Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt."
"Inderdaad!" zeide Reinout: "doch hij heeft mij een nader bewijs beloofd, zoodra...."
"Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoomin als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt."
"Ik heb," liet Reinout zich ontvallen, "hem bewogen, met mij naar Friesland te gaan, zoodra...."
"Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?.... Zoo! ja! dus is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen: en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden?--Het zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden."
Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop, die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen, niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welke hij bij zich had, terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden, was hij nog niet overtuigd, of deze zijner wel indachtig zijn zoude, wanneer hij in Friesland kwam, en wilde hij den Italiaan wat nader doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg.--Met deze bedoeling ging hij aldus voort:
"Er is, geloof ik, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den anderen aangenaam was."
"Dewijl gij alles weet," zeide Reinout, "waartoe dan deze nuttelooze vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos behandeld, ja, laaghartig verraden had."
"De wijze, waarop gij u gewroken hebt," zeide de Bisschop, "getuigt, dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt, dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is; maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig nut uit te trekken, dat kan ik .... gij zult mijn vrijpostigheid verschoonen .... niet anders dan aan een aanval van zinneloosheid toeschrijven.--Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal er u om haten."
Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend werd dan een moord in drift gepleegd.
"Maar één ding moet gij mij nog verhalen," zeide Arkel: "hoe zijt gij toch uwe gevangenis ontkomen?"
"Seerp Van Adeelen, wien ik als mijn medeminnaar haatte, toonde zich mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in, waar ik vroeger weleens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den buitenmuur en zet zich op het lemmer te paard: dan daalt men af: de scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht, waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het lichaam zelf beletten dat hij uitschiet.--Het raam was onvoorzien: ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting."
"Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera."
"Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan uw vertrouwen?"
"Oho!" zeide Arkel: "mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden, zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later, begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was, verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen, hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond te worden. Terstond was mijn besluit genomen: dit, dacht mij, was een heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik, dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen zijn. Den hansworst had hij in Duitschland opgedaan: van dezen was geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden, van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf...."
"Van een onbeschaamden dief," zeide Reinout: "die meer van uwe zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt."
"Gekheid! hij weet niets!--Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde: dat ik te Plaswijk antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen had hij bij de Stichtschen dienst genomen."
"En .... die draagbaar," zeide Reinout: "heeft die u op uwe reizen bestendig gevolgd?"
"Neen!" antwoordde Arkel droogjes weg; "die is mij somtijds voorgegaan;--maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen tred wat kunnen verhaasten."
Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort.
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
O simpele vogels! de listige knippen Bedriegen u schendig door 't veinzende voer. 't Zoet fluitje speelt vrede: 't loos net dekt den vloer Der weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.
Poot.
Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis, die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken, wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin zij belang stellen.
Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof, en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreven eikenhouten tafel gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond, noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een burgervrouw van middelbare jaren aan 't spinnewiel gezeten. Zij scheen minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was, zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken, te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was, onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament, dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde nagenoeg die eener loerende kat;--want wat het linkeroog betrof, dit was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.
Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor 't overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde, welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.
"Lief kind!" zeide zij: "hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot het werk niet, of hebt ge muizenissen in 't hoofd?"
"Mij dunkt," zeide Madzy, "ik heb weinig reden tot opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis, waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan 't harte ligt...."
"Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind, dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom; maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer heer?--En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was, dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten, dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?"
Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten; althans de _Jonkvrouw_ zag haar met een blik van verontwaardiging aan en loosde vervolgens een diepen zucht.
"Waarlijk poesje!" vervolgde Mechtelt: "gij bezondigt u, met zoo te kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet, toen gij hier aankwaamt met de koorts op 't lijf, doen genezen en verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven, toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond, omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zich alleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!"
"Dat moet niet zijn," zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: "dat mag zoo niet blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken."
"Wat een dwaasheid, engeltje!" riep Mechtelt, vervaard en verontrust door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats maken voor den soberen pot der arme burgerij: "ik hoop, dat gij wijzer zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te bezorgen, die zij hadden toen ik u 't eerst zag."
"En gij zoudt verlangen," zeide Madzy, "dat die blos op mijn wangen gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten, hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een lijdend huisgezin had kunnen verzekeren."
"Nu! ik mag het lijden," zeide Mechtelt: "maar gij krijgt het van onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester, dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde."
"Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs," zeide Madzy; "maar ik wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen."