Chapter 30
Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep, kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. "Dit juweel," zeide hij, "kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk:--daar zult gij de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft, u verzocht heeft, dit aan haar naastbestaanden te melden, en u dit juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt, haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt."
"Maar," zeide de hansworst, hem met wijdopgespalkte oogen aanziende: "'t is met dat al immers niet waar?"
"Om 't even," antwoordde de Bisschop: "wat gaat u dat aan? Is uw geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en kermissen, dat de steenen er van zweeten?"
"Nu ja," zeide Daamke: "dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje om den tuin zal laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp Van Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee zou maken."
"Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als de zoete koek, die zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling weet op te smukken."
Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen boodschap aannam en zich verwijderde.
De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwen Peter te hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zij, in stede van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen weinig goeds beloofde.
"Meisje!" zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: "ik heb naar de herberg gezonden: maar men weet daar evenmin als hier, waar de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen, dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw kleederen, welke zij u terugzendt."
Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had medegebracht.
"Helaas!" zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: "moet ik dan zoo miskend worden? o! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn paard staat aan de herberg: ik zal een wegwijzer nemen--maar ik moet weg:--mijn maagschap zal ongerust over mij wezen."
"Gij zult gaan waarheen gij wilt," zeide Arkel op een onverschilligen toon: "doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren: een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden."
Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was, in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk: zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom, onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog, hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge, altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis, waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd.
Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid zijner bedoelingen scheen te koesteren. "Misschien," zeide hij, "vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand, die u nog onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De hemel beware mij, uw vrijheid in 't minst te belemmeren. Zoo gij het verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt, eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteel bezet worden. Zoo gij daarentegen in mijnen voorslag stemt, zult gij de bescherming genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen."
"Hoe!" zeide Madzy, verrast: "zijt gij die Ridder, door wien Reinout van Verona van 't paard geworpen werd en die...."
Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken had, en, zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerende, vreesde zij te veel gezegd te hebben.
"Die ben ik," zeide Arkel: "en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen, die op het feest aanwezig waren?"
Madzy verbleekte. "Ridder!" zeide zij: "gij hebt mij herkend; o! bij al wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft doen weten."
"Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?" zeide Arkel, den hoffelijken toon hernemende: "wel is waar; ik wilde in den aanvang mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen."
"Ik reken," zeide Madzy, "dat ik het aan mijn eer verplicht ben, u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot mijn komst in dit kasteel."
Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in 't holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben, niet anders dan aan een spel van haar verbeelding toe te schrijven; maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij verzweeg haar echter de aan wezigheid van dezen laatste op het slot, maar wist door een paar vragen behendig uit te vorschen, om welke redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had.
"Het komt mij vreemd voor," zeide hij eindelijk, "dat uw geleider zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk, dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen reizen en welhaast in de armen uwer vrienden de ongemakken der reis vergeten.--Voor 't oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen te voldoen."--Met deze woorden nam hij zijn afscheid.
"Ik heb haar!" zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de kamer verlaten had. "Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdman eener bende verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adellijke Jonkvrouw geknipt--en een Ridder bovendien:--bij Sint-Maarten! dien had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis verlosse! hij zal zeker reeds toornig wezen over mijn verwijl."
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
LODEWIJK. Gy zult Baron zijn, Jan!
Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.
Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden, was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven, toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over zich zag staan.
"Ik heb u wat laten wachten," zei de Arkel, op dien hoffelijken maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: "vergeef mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij, indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in 't Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat zouden wenschen te wreken."
Reinout stond verzet: "den moord!" herhaalde hij: "wie heeft u sedert ons gesprek met de omstandigheden...."
"Om 't even," zeide de Bisschop; "dat alles zal zich wel ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst om den tijd met mededeelingen over en weder te korten: voor 't oogenblik zullen wij den innerlijken mensch gedenken; want na al wat ik verricht heb, roept mijn maag mij toe, dat het tijd is te rampeneeren. Hei ho! Peter!"
Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die, na een tafel uit het celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten, waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops liefelijk scheen aan te doen.
"Kom!" zeide hij: "neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed?"
"Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er voorgespannen," zeide de trouwe dienaar.
"Voortreffelijk!--komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen; maar proef liever eens van dezen wijn: het is geen _lacryma Christi_, gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men op de feesten te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is er echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van dit oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer gij in Utrecht zijn zult, hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen: en dat, weet gij, is het puik van alle bieren. _Wees heil_! heer Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag onzer wenschen."
Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de vroolijke luim des Bisschops, die, met een levendige gemakkelijkheid, welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien had, zooals hij op de netste en volmaakste wijze een duif opsneed en toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven en pauwstaartjes, gekapte nonnen en brievendragers en allerlei andere soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren en sjalotten en pieterselie _quantum sufficit_, of over de wijze, waarop het half doorgespouwd beestje, dat hij in de hand hield, op de reis bewaard was gebleven, in een oud charter, met boter wel gesmeerd, door middel eener voorafgemaakte omwenteling in fijngehakte ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblik te voren in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei aard. 't Is omdat Arkel een van die gelukkige (?) _egoïsten_ was, wier hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen: die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te verbannen, van elke omstandigheid des levens slechts die zijde aan te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijke herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst.
Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde, van het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd, waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja, terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze van uitzondering vertoonen, met alle begaafdheden toegerust, maar met een hart vol onverzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds vervloekt, maar door den dichter en den wijsgeer beschouwd worden met diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd: zijn moed was even onbetwijfelbaar als zijn eerzucht onbepaald, zijn brein even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge tegenstrijdigheid, niet zelden den schijn van loszinnigheid aan en bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts een gelegenheid meer vond, om zijn onuitputtelijk vernuft, en zijn behendigheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele ijskorst omschorste, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze, òf in de rij der beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap.
Hij was tot den geestelijken stand gedrongen geweest, terwijl zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij voor, zich daarin een naam te maken:--niet zoozeer nog uit eerzucht, als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een wonder beschouwden, en de ergernis over 't hoofd zagen, veeltijds door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden deelde:--uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren, dat zij voor zijn gezondheid, die van 't letterblokken kwijnde, noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu eenmaal aan het gemakkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen;--en nu vormde hij het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds te schikken, maar in 't geheim te doen wat hij verkoos: in 't kort, hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen, of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij, vermomd of onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was.
Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed van Graaf Willem bracht hem op den Bisschoppelijken zetel; maar hoe groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd, met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen, en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en onbelemmerd als de vogel in de lucht, op een plaats, waar niemand zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier vermakelijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen, welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen, in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen, op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten, vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat van zaken beter te leeren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn geheele plan van onbekend te blijven had in duigen geworpen. Echter was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in kennis gebracht had met Reinout, van welken hij zich nu hoopte te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn verkiezing kon gebruiken of vernielen:--vernielen, ja; want gelijk wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben, aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde.
Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om onzen dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan de dienaars last te geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op 't hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting van een eenvoudigen schildknaap.
Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein met zijn bende voor de poort stond.
"Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was," zeide Arkel: "zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb."
Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem zat te wachten.
"Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft," zeide hij, de oogen slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar gebracht had, en die nog onaangeroerd was.
Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen.
"Gij hebt kunnen hooren," hernam Arkel, "dat de Stichtsche bende voor de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder onbekend blijven.... indien gij namelijk het besluit genomen hebt, van met ons te vertrekken."
Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen.
"Ridder!" zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de borst gevoelde: "ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet."
Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slechts met een hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider.
Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had, begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel, die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur vertoonde.
"Met uw verlof, vrome Heeren!" riep hij hun toe: "breekt gij nu reeds de poorten af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?"
"Wij hadden verwacht die open te vinden," zeide Wouter brommende: "en het was onze afspraak...."