Chapter 3
"De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige _reliquie_! Weet gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet, dat het u voor 't oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd, dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft, dat gij goed weet te raken."
De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in dronkenschap mishandelde.--Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien: toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp, en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.
"Let op nu, burgers en boeren! let op!" riep de hansworst met luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd: "nu eerst zult gij de kunst _del maestro incomparabile_ in haar vollen luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal."
Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd.
"Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu toe gezien hebt," hernam de hansworst, na een korte pauze, "is de heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit, burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering."
De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich deemoedig.
"Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken."
Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield den omstanders zijn hoed voor.
"Een aalmoes voor den armen pelgrim!" riep de hansworst, naarmate Cezar rondging om giften in te zamelen: "hij komt van verre en heeft het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die van het land."
"Ga voorbij, onguur beest!" bromde de boschwachter, toen de aap hem den hoed toestak: "indien uw meester zulk een toovenaar is als hij beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het ons niet uit den zak te kloppen."
De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen, en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf, grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich bij meer milddadige toeschouwers.
Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug, en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes vereeuwigd is.
Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger, bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over.
"Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!" zeide de hansworst tegen den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende: "ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen, en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander."
Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien hij het muntstuk voorhield.
"Ei lieve, goede vriend!" zeide de hansworst: "gij ziet, mijn Cezar laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug, en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite."
De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes, terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk, en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in 't midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die, gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp- en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd, of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende, dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider gelukkig niet veel verstaan hadden.
Evenmin had deze laatste, zoo 't scheen, het gebarenspel van den aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende, fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden, althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden, haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch, en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.
"Kom goede vriend!" zeide de veldwachter, zich met een hoonenden lach bij hem vervoegende: "geef den baviaan zijn zin en schenk hem een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn."
"'t Zijn al goede muntspeciën in Friesland," antwoordde de andere, met een sterken Frieschen tongval sprekende.
"Ja maar, wij zijn hier in Holland," hernam de jager: "en wij kunnen uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als valschen munter en als breker van 's Graven vrede."
"Valsche munt!" riep de Fries verbolgen uit: "een valschaard die 't zeit."
"Ho! ho!" zeide de jager, spottende: "bak maar spoedig zoete broodjes; gij zijt hier niet in uw _frije Friesland_, waar men ongestraft op de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van achten uit uw zak moeten komen."
"'t Is zeker," zeide een klein, in 't zwart gekleed mannetje, 't welk zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar hen toe kwam trippelen, "'t is zeker, dat volgens het Privilege van Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den...."
"Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?" riep de Fries, het heft met kracht omvattende.
"Rebellie tegen art. 15 van het Privilege," kraaide het kleine mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: "al wie het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver...."
"Ik weet van geen Privilege," riep de Fries, zijn mes half uittrekkende: "hier is mijn Privilege."
"In den stok met hem!--Te water met den muiter!--Dienaars hier!--'s Graven vrede!" riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:--en de zooeven nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand; deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te gaan en hem zijn mes te ontweldigen.
Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren; doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in 't voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers, onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.
Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.
"Hoe!" riep hij, "schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme poorters een hart in 't lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen."
Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem sprakeloos tegen den grond wierp.
Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van 't hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.
Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen; en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.
"Mijn hemel! Feiko!" riep het arme meisje, dat nu weder door den volkshoop naar voren gedrongen was, "waar brengt men u? Ik wil met u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het hooren."
"Sytsken! loop naar den Olderman" brulde Feiko: "en zeg hem, hoe die honden met een vrijen Fries handelen."
"Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!" zeide de koddebeier, die intusschen weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam: "laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar gij wezen wilt."
"Blijf van mij af, schurk!" riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos pogende zich van de omarming des jagers los te maken: "ik wil niet met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles."
"Laat het meiske gaan, vriend Walger!" zeide het zwarte mannetje: "gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met....."
"Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz," duwde hem Walger toe: "ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben 's Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil, zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen."
En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der lanen kwam aangewandeld.
DERDE HOOFDSTUK.
Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?
Vondel. Palamedes.
"O Jonker Seerp!" riep Sytsken: "spreek een woord voor den armen Feiko, wien men naar de boeien wil brengen."
De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.
"Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?" vroeg hij op zijn beurt, na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog langs den volkshoop rondwaarde.
Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten, stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was en rukte hem uit de macht der knevelaars.
"Nieuwe rebellie!" riep meester Claes Gerritsz: "hei ho! wakkere poorters! laat den gevangene niet ontsnappen."
"Gij zult mij toch niet willen houden," riep Feiko, die niets in de wereld boven een Frieschen edelman stelde, "tegen den wil van Jonker Seerp Van Adeelen?"
"Stil Feiko!" zeide deze: "vertel mij wat de reden van dit rumoer is."
"Wat mocht hij vertellen," riep Claes Gerritsz: "een vreemdeling mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van het Pr...."
"Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!" duwde hem Seerp Van Adeelen met bitsheid toe: "of," vervolgde hij, hem met een donkeren blik aanziende: "kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?"
Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden om te gaan, nam het woord op:
"Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u slecht afloopen."
"Wij zullen zien," zeide Adeelen: "wie zich vermeten zal de handen aan hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets van nooden. Volg mij, Feiko."
Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest; maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo gevreesde Friezen niet meer in 't aangezicht zag. Dan het bleef niet bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,
en alles wat men reedst kon vinden by der hant,
om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan; maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen; zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die, ziende wat er gaande was, 's Graven vrede uitriepen en de vechters poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen: van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:--en beiden waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest, zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig einde gemaakt had.
De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel, lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan, toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat, het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees en met kracht uitriep: "pais en vree, gespuis van den Satan! niemand verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?" vervolgde hij, zich tot Walger keerende: "zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien."
"'t Is die schoelje, die oorzaak van alles is," bromde Walger, op Feiko wijzende.
"Is het de wil van den Graaf," vroeg Adeelen, die opgestaan was en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, "dat men Frieslands afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?"
"Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen," balkte Claes Gerritsz, "dient art. 16 van het Privil...."
"'t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten uitvoer moet leggen," zeide Reinout, den voorvechter der Privileges in de rede vallende.
"Neen heer Ridder!" riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen: "maar wanneer mijne dienaars 's Graven vrede opleggen, behoort die te worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers in bewaring te nemen."
"Neem dan den aap van den kokeler in bewaring," zeide Feiko, "want die is de oorzaak van al de opschudding."
"Geloof hem niet," riep de hansworst, die gedurende het vechten niet van zijn stellage geweken was: "hij is een valsche munter en draagt de tasch vol ongangbaar koper."
"'t Is goede Ezekermunt," zeide Feiko, zijn geld toonende, "die elke schipper mij zal inwisselen."