De Roos van Dekama

Chapter 28

Chapter 283,975 wordsPublic domain

Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten.

Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de opheldering geven van haar plotsling verdwijnen.

Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. 't Zij, dat die vermoeienissen te groot waren geweest, 't zij, dat de gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, 't zij, dat een ongesteldheid haar overvallen had, 't zij dat al deze oorzaken gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken: droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar gedurig met schrik en siddering ontwaken.

Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland, welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest, hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het dek sloeg:--en wat het ijselijkste was, achter elk helmvizier grijnsde haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer; maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd, onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken, aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid, welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,) was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante, gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.

Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar, deed een sprong, en was naast haar bedstede.

Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek.

Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd op het vochtige gras neder.

Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.

Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar 't bleek hem thans genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aan te sporen, om het eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. "Mits slechts de adel zich goed houde," zeide Arkel bij zich zelven: "de burgerij van Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist, ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan de wapenen der Hollanders.--Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:--hij zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht, zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:--hij is te gevaarlijk:--ook die Barbanera!--ik vrees, dat hij reeds geklapt heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan."

Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken; want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem vader Syard gevonden had, teruggekeerd.

Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten besteden om het te bemachtigen.

"De boel is in een verwaarloosden toestand," dacht hij, "maar de grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:--en zoowel langs den heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het gras ligt?--Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;--maar neen!" riep hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat over het pad lag, en een lange haarvlecht, die donker afstak tegen de witte kleeding: "dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan nachtlucht en regen?"

Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne eer bij, ook zijn medelijden:--hij riep zijn getrouwen Peter, en ging met dezen buiten het slot.

Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje, schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode, lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk kunnen zijn.

Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede, nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht.

"Waar ben ik?" zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om zich heen ziende.

"Vrees niets, lieve kleine!" zeide Arkel: "maar drink liever nog eens: gij hebt het koud gekregen daar in 't natte gras: dek u maar goed toe en het zal wel beter worden."

"Neen, neen," zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en pogende op te staan: "hier blijf ik niet?--Waar ben ik toch?--Wie heeft mij hier gebracht?--Waar is vader Syard?"

"Vader Syard!" herhaalde de Bisschop: "ja waarlijk! dat meisje spreekt den Frieschen tongval!--Aha!" dacht hij bij zich zelven: "voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?--Lief meisje!" vervolgde hij overluid: "gij behoeft ons niet te vreezen: wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij; want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij u gevonden hebben."

"Het is dan waar," zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende: "ik heb het dan niet gedroomd?--O wat heb ik arm meisje gedaan?--het was ijselijk!--de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal u wel beloonen."

"Uw oom!" herhaalde Arkel: "zooeven noemdet gij vader Syard: is die uw oom?"

"Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben ongelukkig;--maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar ben ik toch? O wee!"

"Ik zal aan uw verzoek voldoen," zeide de Bisschop, haar met een vriendelijken blik aanschouwende: "ik zal uw oom gerust doen stellen:--intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;--want waarlijk, het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten te liggen."

"Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.--Maar God weet het, toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!"

Hier verborg zij snikkend haar hoofd in 't kussen en begon over al haar leden te beven.

"Ik zal uw boodschap laten doen," zeide Arkel: "stel u gerust, maar wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?"

"Mijn oom zal u alles zeggen," hernam de ongelukkige Madzy. "O! laat hem toch weten...."

Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel, zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende, te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de kasteleines uit den _Roerdomp_ zou laten halen; want de bekoorlijkheden zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik, waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden, waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;--ja sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar ook doorgaans met een behendigheid, den grootsten staatkundige waardig, te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde, zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was, dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk, dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.

"Peter!" zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: "gij hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?"

De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.

"Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde, en zich meer dan eens versprak?"

Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.

"Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie, dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen."

Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich, of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:

"Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme meisje, 't welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn, het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten."--Hier zweeg hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggen wilde: "is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?"--Maar de Bisschop had zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek van Madzy voldeed.

"Ga eens zien!" zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, "of de oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig hebben."

Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht.

"Ik ben wel dwaas," zeide hij bij zich zelven, "zoovele plichtplegingen te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal wijten voor mijn bescheidenheid."

Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in de beddelakens.

"Nader mij niet," zeide zij, bevende en klappertandende: "ik ken u niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn."

"Stel u gerust, lief kind!" zeide Arkel: "het zou schandelijk zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u, slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen, als iemand die geen nachtverblijf had."

Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij zich een weinig en antwoordde:

"Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn, doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is."

"Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd."

"Heb ik hem waarlijk genoemd?--Ach! ik heb de koorts: ik weet niet wat ik gezegd heb."

"Gij hebt hem genoemd," hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen, een doordringenden blik op haar vestigde; "en verschoon mij, dit doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend: ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter plaatse gesproken:--hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht bij zich had."

Madzy zweeg en zag sidderend voor zich.

"Wel is waar," vervolgde de onbarmhartige Bisschop: "er waren te Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;--maar de eene was een adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene van beiden zijn?"

In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; "ik weet," zeide zij, "dat vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;--waart gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?"

"Wel waarschijnlijk," antwoordde Arkel.

"Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was zijn gewaad?"

"Ik moet zeggen," zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren, dat hij geene gewone boerin voor zich had: "dat zijne vermomming hem meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft."

"Welnu!" hernam Madzy: "indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u ook wel mededeelen wie ik ben."

"Bij Sint-Maarten," zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig, dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: "men zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen; maar daaraan is voor 't oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig, dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof."

Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken; maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven.

"Ik geloof," zeide zij: "dat gij mij van ondankbaarheid beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt, zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een wijze, uwer en mijner waardig."

Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging, over de bevallige uitdrukking van Madzy's gelaat, over de hemelschoone oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde, zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet, had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude Peter hem berichten, dat er een vreemdeling met een zwarten mantel voor de poort was, die hem verlangde te spreken.

"Ik wacht niemand meer.--Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo ja, laat hem dan bij mij;--maar wacht nog een oogenblik:--ik moet op allen overval verdacht zijn."

Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en valschen baard, een samaar, in 't kort een geheel gewaad voor den dag, gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

"Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen moogt," zeide Reinout op een schamperen toon: "het gewaad van den kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen."