De Roos van Dekama

Chapter 27

Chapter 273,907 wordsPublic domain

"Met uw verlof," hernam de Stichtenaar: "zeg niet dat gij op den avond, dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden veranderd is?"

"Wij hebben elkander verkeerd begrepen," zeide de monnik, de schouders ophalende: "Adeelen haat den Graaf zooveel als gij dit kunt doen; maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder."

"Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal toevertrouwen," zeide de Stichtenaar: "maar ik vlei mij, dat de veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden."

"Hoe!" riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet verbergen kon: "zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den strijd aanvaarden?"

"Gij vergeet," zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach, "dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur gemachtigd is."

"Is het dan tijd tot boerten?" riep de monnik op een bitteren en verwijtenden toon: "hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom, door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden in de ure des gevaars?"

"Broeder!" zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks een meer ernstige tint had teruggebracht: "de tijden zijn voorbij, toen een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad, een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien, wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien."

"Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?"

"Hoe nu!" zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij een zegepralenden blik op den monnik sloeg: "is het een geestelijke, die mij dezen raad geeft? _Ecclesia abhorret a sanguine_."

Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan, terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in 't wilde, evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt zonder te weten wat hij vatten zal.

"Mag ik vragen," zeide hij, "of het slechts een proef is, waarop gij mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid in?"

"Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent, als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar meerder gezag in het hart van Jan Van Arkel woont;--beiden bestaan bij hem;--wie zou het ontkennen?--maar slechts in een ondergeschikten zin."

"Ik zie niet," zeide de monnik, "welke andere redenen er kunnen aanwezig zijn....."

"Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog tusschen Friesland en den Graaf?"

"Omdat ik mijn vaderland liefheb:--omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons van het juk van Holland te ontslaan."

"Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn.--Welaan!--Het ware reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen dan dit!--Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen het, dat bisschop Adelbold zijn heerschappij over al de omliggende landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden, dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan terugkomen:--maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops, om na den dood van dezen weer tot een staat van onderdanigheid te geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korten stond aan den gezichteinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat overwicht moet duurzaam blijven;--maar daarom moet het ook een onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld.--Ik weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den jaloerschen naijver der Kapittels en de bet-weterij van Vroedschappen en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht had opgeofferd:--verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een gewest, door tweedracht verzwakt.--Neen! zoo ik het masker afwerp en mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn, wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien; wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn, mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden; en--gelijk ik hoop--tevens aan al wie hunne onafhankelijkheid belaagt."

De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die hem toekomt): "gij vergeet," zeide hij: "dat de Graaf het wakkerste krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt."

"Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten uitvoer leggen."

"Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister op de wond zijn," zeide vader Syard, "ingeval Graaf Willem overwint, en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop deed aanstellen."

"Graaf Willem is thans machtig," hernam de Bisschop: "maar geloof mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan met anders dan dalen. Hij heeft geen zoon:--komt hij te sterven, dan vervalt Holland aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden;--maar de Bisschop van Utrecht is onsterfelijk."

Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten; want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja, in vele opzichten blijken van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door daden, welke in 's monniks oogen een buitensporige loszinnigheid ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken:--daarmede ging al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijands van Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen.

"Ik ben bezorgd," zeide hij, "dat gij de kans om zulke schoone plannen ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen zijn zult het masker af te lichten."

"En hoe dat?" vroeg de Bisschop met eenige bevreemding.

"Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig, wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen."

"De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken worden, eer het mij schaden kan."

"Die Walger, dien ik in de herberg van 't dorp heb gezien, weet ook meer dan noodig is....."

"Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets."

"De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen komen....."

"Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet:--en van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van 't Bisdom aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn zaakgelastigde was, niet had moeten schrijven, en door hem den gang der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten."

"Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?"

"Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar onbekend den loop der zaken afwachten."

"Of wellicht," zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende, "zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht zijn leven wagen."

De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden, schoof hij zijn stoel naderbij:--"En nu, Pater!" zeide hij, "nu heb ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel, om al de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des Bisdoms te onderwerpen?"

"Nog eens," antwoordde de monnik, "aan het kerkelijk gezag ja;--geenszins aan het wereldlijk beheer."

"Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven?--Bedenk, dat ik u wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt."

"Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn," zeide de monnik: "verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult, althans zooals gij bedoelt."

"Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen vroeg tot andere gedachten gekomen."

"Morgen met den dag moet ik weder vertrekken," zeide de monnik: "een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht te verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht toevertrouwd; doch daar gij niet bekend wilt zijn...."

"Ik zie u morgen weer," zeide de Bisschop, op een koelen toont: en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter, dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang der zaal vertoonde.

"Geleid dien man weer buiten," zeide de Bisschop: "en laat alles verder wel gesloten blijven."

Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde, die hem buiten het kasteel voerde.

Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand te doen loopen, had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook, hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel, welke een bekwamen en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich overwonnen zag door een weerpartij, welke slechts ternauwernood een oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat, hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden: en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland, indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen, welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden.

Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten, 't geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte, dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich zonder verdere woordenwisseling naar den stal begaf. Na zich verzekerd te hebben, dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe, vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Soete meysken, dat verslagen Dus beroyt loopt en ontkleet, Ick moet v hier eenmael vragen, Wat is de oorsaeck van v leet? Meysken segt my toch de reden, Wie ghy syt en hoe ghy heet.

D. Pietersz. Pers.

De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag, maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan, waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht, de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen.

"Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?" vroeg de waardin, zonder zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen.

"Wij moeten vertrekken," antwoordde hij, "en wij zouden reeds een paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!"

"Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!" zeide de waardin: "'t zijn luie vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als 't op plunderen zou aankomen."

"Dat kan wel zijn, moeder!" zeide de monnik; "maar wees nu zoo goed, en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake."

"Ik ga al," zeide de waardin: "zij zal nog wel in een zoete rust liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men het lange slapen wel."

Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd.

"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de bezorgde monnik: "is u eenig leed overkomen?"

"Een priester! een priester!" schreeuwde de beangste vrouw: "de Booze zelf ligt in eigen persoon in 't bed van uw nicht."

"Vrouw!" riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende: "wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?"

"Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare plaats in bed is gaan liggen."

"Vrouw!" herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde de trap op, die naar het kamertje geleidde.

Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen, maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken, als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: "weerstaat den duivel, en hij zal van u vlieden:" en onder het uiten van een "_Domine! libera nos_!" trad hij het slaapkamertje binnen en stapte met mannenmoed naar de bedstede toe.

Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting, dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?--Zulks was hem nog niet terstond duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren: hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg, sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar, den aap van Barbanera. Vol gramschap greep hij het verschrikte dier in den nek en kwam er de kamer weer mede uit.

Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd, de beide inmiddels van 't werk gekeerde stalknechts en den hansworst, allen geknield en ijverig bezig hun _pater nosters_ te zeggen en kruisen te slaan. "Hier is uw duivel!" riep de monnik: "maar waar is nu de Jonkvrouw gebleven?"

"Cezar!" riep de hansworst, opspringende: "wel mannetje! waar heb je gezeten?"

De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst.

"Vrouw!" vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar de waardin toetrad: "waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe bescherming heb toevertrouwd?"

"Wat Jonkvrouw!" zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en verschrikt: "meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie weet het?"

"O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige," riep vader Syard, zich voor het hoofd slaande, "ik ben den slechten herder, den huurling gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het lam medegenomen."

"Nu!" zeide de kasteleines: "indien het lammetje weg is, is zij met haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?"

"Die zijn naar het slot gegaan," zeide Daamke: "en zullen straks keeren."

"Ei kom!" zeide de dienstmaagd: "het lieve schaap zal een morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn."

"Heeft zij haar goed bovengelaten?" vroeg de kasteleines.

Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het te bed gaan had neergelegd.

"'t Is onbegrijpelijk," zeide de monnik: "en echter! maar al te waar;--doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is."

"Zie dien ouden uil eens," zeide de nar, "die zich verbeeldt, dat een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem: en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had."

"Schurk!" zeide de monnik: "de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster."

"Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet," hernam Daamke, "maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker: want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk een vrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde, is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter zich dichtgeslagen."

"Ridder Reinout!--Ha! nu ontwikkelt zich het geval!" riep de monnik: "was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal, vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!"

"Bij mijn zolen," zeide Daamke, hem naoogende: "de rook verraadt het vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;--maar een mooie meid, die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden."

Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin, gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp zag intrekken.

"Daar is het lieve leven al gaande," riep de kasteleines: "de Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den oorlog uit de eerste hand hebben."