De Roos van Dekama

Chapter 26

Chapter 264,028 wordsPublic domain

"De droes!" zeide de hansworst: "vriend Melis! zoo gij u ooit bekeeren wilt, doe dan als je daar eerst zeidet: neem moeder Jaspersz tot vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje."

"Hij mij tot zijn vrouw nemen!" riep de waardin: "Maaike Jaspersz laat zich niet zoo nemen: ik wou nog liever, dan dat ik zoo'n apenbakkes in mijn slaapkamer zag en mijn zuur verdiend penningske door zijn keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij mij in 't krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij zooveel praats had. Maar ik zeg alsnog: die buiten het voorhuis komt, neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit."

Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht aan haar vermaning bij te zetten: "luistert vrienden!" zeide hij: "ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders van het kasteel."--Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit.

"Ik lach wat met zijn dreigen," zeide Walger, zijn onbeschaamdheid terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te vreezen had: "de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te raken. Ik heb op het kasteel althans zooveel invloed als die oude gek."

"Vertrouw daar niet te veel op, vriendje," zeide de hansworst: "het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij, kennis had met dengene, die op dat slot huisvest."

"En wie huisvest er dan op?" vroeg Melis: "behalve de oude Peter en een aantal uilen en kraaien!"

"Zeg daar maar niets van," zeide een der andere boeren: "ik heb er niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle wapenrusting met een helm op 't hoofd en op een fraaien zwarten hengst gezeten."

Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch hernam terstond weer zijn onverschillige houding.

"Wie weet dat beter dan ik," zeide Walger, "die hem het paard verkocht heb waar hij op zat? een echten kastiliaan, dat beloof ik u."

"Is het sedert niet lang, dat gij paardenkooper geworden zijt?" vroeg Daamke: "voor weinige dagen stondt gij nog in den Hout naar onze kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw jachthuis."

"Heugt u dat!" zeide Walger: "welnu, wat steekt daarin? ik heb een ander beroep bij de hand genomen."

"Gij neemt andere dingen ook," zeide de hansworst: "want gij hebt bij uw vertrek twee paarden meegepakt."

"Wie durft dat zeggen," riep Walger, met drift opstaande en de hand aan het geweer slaande.

"Dat durf ik zeggen," hernam Daamke: "ik, die er bijna klappen om gehad heb."

"Goede hemel!" riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar boven hief: "een paardendief in mijn huis."

"Zottin, geen dief!" zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats nam: "maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als ik ben."

"'t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders," vervolgde Daamke, "dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?"

"Lieve Maagd!" herhaalde de waardin: "een dief en een wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op, dan de mijne."

"Hoe nu!" zeide Walger, "heeft de oude Peter mij niet zelf hier gebracht en u gezegd dat ik een Bisschoppelijke wapenknecht was en dat gij mij zoudt herbergen?"

"Dat is waar," antwoordde de waardin: "maar...."

"En zoudt gij denken," vervolgde Walger, met meer en meer drift, "dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad, dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn en laat er niet meer over gesproken worden."

"'t Is wel!" zeide de waardin: "maar daar gij morgen wel eens in 't hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op stal staan."

"En wat u betreft," vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende, zonder acht te geven op het gezegde der waardin, "zoo er nog een woord over het voorgevallene bij Haarlem uwe lippen ontrolt, zweer ik u, dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak van den kraag af tot de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen."

"Kom! kom!" zeide Daamke: "heb maar zooveel praats niet: die lange Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen zooals hij in den Haarlemmerhout deed."

"Schurk!" riep Walger: "wat let mij of...."

"Welnu," zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: "begint gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en laat dat eeuwige gekijf varen. 't Is of gij heden allen van den Booze bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man, die op de bank ligt te slapen."

"Slapen!" zeide Walger: "ja, zoo gij 't maar gelooven wilt. Wij hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons te verderven."

"Licht mogelijk," zeide Melis: "mij dunkt, hij deed beter van naar zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten."

"Wij kosten hem wel eens even wakker schudden," zeide Walger.

"Gij zult den man stil laten liggen," zeide de waardin: "hij heeft zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet, waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als gij om rustig te drinken."

"Nu! maar eventjes," hernam Walger: "ik zal den man geen kwaad doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook trek krijgt om mede te doen." En zijn kroes volschenkende, zwaaide hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus; maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende, die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van Reinout van Verona.

"Onbeschaamde dief!" zeide hij: "kunt gij dan niemand met rust laten."

De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen droeg dan een dolk.

"Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!" riep hij: "ziet daar, zooals ik zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de inneming van een kasteel."

"Indien het zoo is," zeide Melis, met de andere boeren toetredende, "dan ware het zeker wel de moeite waardig?...."

"Lompe kinkels!" zeide Reinout, de armen kruisende en in een onbeweeglijke houding blijvende staan: "is dan de oorlog reeds verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat u betreft, schurk!" (zich tot Walger wendende) "gij bezorgt mij het paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene bekentenis ontstolen hebt."

Walger stond eenigszins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende houding der boeren besmeurde, dat er weinig staat was te maken op hun bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan, in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben.

"Welnu!" herhaalde Reinout, met een donderende stem: "mijn paard! hebt gij mij niet verstaan?"

"Bij Sint-Maarten!" zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is voorbereid, "indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het te vinden is."

"Ik geloof," zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vroolijk meesmuilen had aangezien, "dat hij uw paard en dat van uw vriend in den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is:--althans voor zooverre de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden."

"Beken!" zeide Reinout: "aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?"

"Dat laat zich raden," zeide de nar: "aan dien Ridder met den rooden arend, die gisteren op het slot gekomen is."

"Welnu! volg mij dan naar het slot," zeide Reinout met drift tegen Walger.

"_Perdonatemi_!" zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende: "zoudt gij den morgen niet afwachten?" voegde hij er bij in de Italiaansche taal: "ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken;--maar, zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen."

"Het is wel, Paolo," zeide Reinout: "maar intusschen hebben wij elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen."

"Wilt gij mij gevangenhouden?" vroeg Walger, die, hoewel het gezegde des Ridders, dat in 't Italiaansch gehouden was, niet verstaande, genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde hij zijn zwaard half uit.

"Hoe nu! weer vechten?" riep de waardin: "wij zullen vechterijen genoeg hebben als de oorlog uitberst. Hou uw gemak, of ik zet u de deur uit, zoowaar ik Maaike Jaspersz heet."

"Hij zou niets liever verlangen," zeide Daamke, lachende, "hij heeft evenveel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de val zit."

"Welnu! waarom gaat hij dan niet?" vroeg de waardin: "ik heb al last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem ontslagen raak."

"Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals 't mij goeddunkt," zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer plaats nemende: "wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb het niet gestolen, maar in 't bosch opgevangen: en daar het op den stal van 't kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik."

Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon.

"Komt!" zeide een der boeren: "laat ons een einde aan al dat gehaspel maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan."

"Wel gezegd," zeide Daamke: "het is altijd betamelijk ter ruste te gaan, wanneer de kan ledig is."

Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf, Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede, alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was: de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield.

"Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig," zeide hij in 't Italiaansch.

"Wat zal ik u zeggen?" zeide de kwakzalver, de schouders ophalende en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: "gij zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te beloonen,"--"ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de echte zoon van Bianca is."

"Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan," antwoordde Reinout met een somberen blik: "welke rechten hij moge gehad hebben, zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem en mij."

"Met dat al:" zeide de kokeler....

"Hier Paolo!" zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: "ik vermaan u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad, voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen, bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo gij spreekt;--uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!"

Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hij hem te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons te zien wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Wie op beloften steunt of die van waarde schat, Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen: Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat; Maar 't geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles krimpen.

De Regt.

Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden, dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette, verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had, verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was, alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn dierbaar vaderland te denken.

De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken, wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige, ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast, daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke graanvelden en groene weilanden kronkelde eene kleine rivier. Haar oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten kleurden. In 't verschiet zag men de torens van een paar rijke en welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend stuk gronds, hetwelk, door een breede, rijkelijk met kroos bedekte gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die bij het minste gevaar voor overval konden worden weggenomen. De brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd, tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door den modder, waarmede zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen, maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje, slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten, leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf, 't geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop, waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien; en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd, toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was, dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar op een bloembed doet.

De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield, toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 't zij, hij trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten te worden verstaan was.

Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg, over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de ophaalbrug staan.

"Wien zoekt gij? en wat wilt gij zoo laat?" riep hij, zijn hoofd achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe.

"Goede vriend!" zeide deze: "laat uw brug neer, ik moet uw Heer spreken en heb geen tijd te verliezen."

"Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, "om te weten, dat ik geen Heer heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont."

"Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist."

"Die is weer vertrokken," riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende: "en zoo, God zegene u."

"Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, "dat hij mij nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam."

De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.

"Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier, "zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets ter zake doet. Ga binnen en wacht mij. Zoodra ik de brug weder heb opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen."

Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had, na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smal wenteltrapje opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider, die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens dadelijk weer naar beneden.

Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten, uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in, dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend, en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun nachtwaken met dergelijke uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende, wien hij zoeken kwam.

Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om 't lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond, zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op te zien:

"Van wien komt gij, huisman?"

"Ik kom uit mijn eigen naam," antwoordde de monnik.

"Bij Sint-Maarten!" zeide de andere: "ik ken die stem: maar wat duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier, Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?"

"Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze," zeide vader Syard, op een stekeligen toon: "en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde van mijn gewaad zoudt verwijten."

"Ga zitten, Vader!" zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende: "en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt."

"De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is te beperkt om dien met beuzelen door te brengen," zeide vader Syard: "ik breng u gewichtig nieuws."

"Dat de Graaf naar 's-Hage is en heden of morgen de stad Utrecht ontzegt. Ik wist dit reeds.--Of is er meer?"

"En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht bescheid."

"Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat zal men in Friesland doen?"

"Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt."

"Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. Die Jonker van Adeelen scheen daartoe niet ongenegen."

"Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist, die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman van hun erf afweren."

"Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen;--of moeten wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?"

"Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond te verdedigen; maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook onze bedoeling niet."

"En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de Abten heeft. Onze afspraak was immers, dat gij hen zoudt overreden, zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtschen stoel te onderwerpen: welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven, dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom bedreigd wordt."

"Versta mij wel," zeide de monnik: "ik heb, ja, beloofd alles in 't werk te stellen om de kloosters in Friesland meer af hankelijk dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in 't oog de geestelijke zaken, de tucht en de orde in het kerkbestuur, welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt: nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt, zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen."